J.S.BACH: Fallt mit Danken, fallt mit Loben (BWV 248/iv)

Één deel uit Bachs Weihnachtsoratorium uitvoeren, betekent iets heel anders dan wanneer Classic FM één deel uit een Beethoven Symphonie draait. Delen van het Weihnachtsoratorium behoren helemaal niet achtereenvolgens op één avond te worden uitgevoerd, zij vormen een oratorium omdat er episoden van één doorlopend verhaal, de Kerstgeschiedenis, aan ten grondslag liggen, maar de zes delen zijn cantates, bestemd voor de drie Kerstdagen, Nieuwjaar, Driekoningen en de zondag daartussenin.
Bach schreef zijn WO voor de jaarwisseling 1734/35 d.w.z. lang nadat hij met zijn regelmatige, wekelijkse cantateproduktie was gestopt. Wij hebben het WO ook niet te danken aan zijn herlevende belangstelling voor de kerkcantate, maar eerder aan het tegendeel: Bach wilde wel weg uit Leipzig en had zijn oog laten vallen op de functie van kapelmeester aan het hof van Dresden die sinds 1729 vacant was en waar de hofkapel absolute wereldtop was. Daartoe bood hij de nieuwe koning/keurvorst niet alleen in 1733 de eerste delen van zijn Hohe Messe aan, maar hij componeerde begin jaren dertig ook talrijke cantates voor feestelijke gebeurtenissen aan het hof (verjaardagen, trouwpartijen, geboortes etc) die hij met zijn Collegium Musicum (laten we zeggen: het USKO) in Leipzig uitvoerde, uiteraard buiten aanwezigheid van enig lid van de koninklijke familie, maar wel zorg dragend dat deze er via de pers van op de hoogte kwam. Bij het in de kast bergen van deze cantates, in de wetenschap dat ze daar nooit meer uit zouden komen, moet hij bedacht hebben dat hij koren en aria's eruit wel eens kon hergebruiken voor een reeks Kerstcantates, en wellicht informeerde hij zijn tekstdichter (waarschijnlijk Picander) vroegtijdig over deze voorgenomen recycling zodat deze in één moeite door een sacrale en een profane gelegenheidstekst kon produceren.
Deze vierde cantate neemt in het Weihnachtsoratorium een wat speciale positie in. In de eerste plaats is het veruit de kortste cantate, slechts uit 7 delen omvattend (tegen 9 - 14 delen in de andere cantates). Er is ook wat weinig Weihnachten: geen kribbe, geen engelen, herders of koningen, Jozef noch Maria en er is ook wat weinig oratorium, d.w.z. weinig handeling: de evangelietekst voor deze zondag (en daar houdt Bach zich aan) omvat slechts één vers, Lucas 2:21, dat verhaalt van de besnijdenis van het kind Jezus in de tempel, naar Joodse gewoonte 8 dagen na zijn geboorte, en de daaraan verbonden naamgeving. Verder ontbreekt in de vocale bezetting zelfs de alt-solist die ons in de vorige cantates op zulke prachtige aria‘s tracteerde en in het orkest spelen - op deze feestdag - weliswaar koperblazers maar geen juichende trompetten en pauken doch slechts twee meer ingetogen Corno's da caccia (jachthoorns). Het openingskoor en de beide aria's zijn bewerkingen (parodieën) van drie delen van de verjaardagscantate voor Prins Friedrich Christian van Sachsen, 5 september 1733 (BWV 213).
In deze Nieuwjaarscantate schenkt Bach geen aandacht aan het burgerlijk Nieuwjaarsfeest, dat deed hij al in vijf eerdere cantates voor die dag (BWV 28, 190, 41, 16, 171), en evenmin aan de besnijdenis. Hij concentreert zich op het tweede aspekt van de evangelietekst: de naamgeving. De handelingsarme BWV248/iv wordt zo een meditatie op de naam van Jezus, letterlijk ‘de Heer helpt'. En de naam, zo weten we, representeert alles waar de persoon voor staat. Dat blijkt wel uit de vele kwalifikaties die in de tekst passeren: Immanuel (‘God met ons'), mein Hort, mein Leben, mein Lust, Freud und Wonne, Licht und Sonne etc, en zelfs weet Bachs tekstdichter een slotkoraalvers te vinden waarvan alle regels met Jesus beginnen.
Passend bij zijn beschouwelijk, pas-op-de-plaats karakter heeft deze cantate een in zichzelf gekeerde, statische en symmetrische struktuur; Bach waardeert daartoe het slotkoraal met een zelfstandige thematische begeleiding en instrumentale voor- en tussenspelen op tot een concertant koor van vergelijkbaar gewicht als het beginkoor. In het midden staat de beroemde "Echo-aria", het bekende stuk waarin de sopraan op haar vragende ja en nee zo nu en dan van elders uit de kerk antwoord krijgt. Die Echo-aria wordt, ter versterking van de symmetrische struktuur geflankeerd door twee delen van wat eigenlijk één stuk (duet) is voor sopraan en bas, de nrs 38/40 c.q. 3 en 5.

1. (36) Coro
Corno da caccia I/II, Oboe I/II, Violino I/II, Viola, Continuo

Fallt mit Danken, fallt mit Loben
Vor des Höchsten Gnadenthron!
Gottes Sohn
Will der Erden
Heiland und Erlöser werden,
Gottes Sohn
Dämpft der Feinde Wut und Toben.

Niet alleen de hele cantate maar ook haar openingskoor - waarin het timbre van de hoorns domineert - heeft een fraaie, evenwichtige symmetrische struktuur een A-B-A-struktuur. tabelDe uitnodiging Fallt mit Danken (A), wordt - licht gevarieerd - integraal herhaald na het middendeel (B) dat de motivering geeft: 'Gods Zoon wil onze verlosser worden'. A- en B-deel zijn tot op de maat even lang (80 maten), alle delen zijn - instrumentaal en vocaal - uit eenheden van 8 maten opgebouwd, als bij een dansvorm, en ook het 3/8 ritme correspondeert daarmee.
2. (37) Recitativo Tenor
Continuo
Evangelist:
Und da acht Tage um waren,
daß das Kindbeschnitten würde,
da ward sein Name genennet Jesus, welcher genennet war von dem Engel, ehe denn er im Mutterleibe empfangen ward.

De voorgeschreven evangelielezing door de evangelist (tenor) in recitatief (2) is slechts kort want omvat - zoals gezegd - slechts één vers, Lucas 2:21; de hoogste noten blijven uiteraard gereserveerd voor de woorden Name en Jezus.
3. (38) Recitativo Bas
e Choral Sopraan
Violino I/II, Viola, Continuo

Immanuel, o süßes Wort!
Mein Jesus heißt mein Hort,
Mein Jesus heißt mein Leben.
Mein Jesus hat sich mir ergeben,
Mein Jesus soll mir immerfort
Vor meinen Augen schweben.
Mein Jesus heißet meine Lust,
Mein Jesus labet Herz und Brust.
Jesu, du mein liebstes Leben,
Komm! Ich will dich mit Lust umfassen,
Meiner Seelen Bräutigam,
Mein Herze soll dich nimmer lassen,
Der du dich vor mich gegeben
Ach! So nimm mich zu dir!
An des bittern Kreuzes Stamm!
Auch in dem Sterben sollst du mir
Das Allerliebste sein;
In Not, Gefahr und Ungemach
Seh ich dir sehnlichst nach.
Was jagte mir zuletzt der Tod für Grauen ein?
Mein Jesus! Wenn ich sterbe,
So weiß ich, daß ich nicht verderbe.
Dein Name steht in mir geschrieben,
Der hat des Todes Furcht vertrieben.

De duetten (3) en (5) voor bas en sopraan dragen als opschrift Recitativo con Chorale want wat de sopraan daar zingt zijn regels van een koraal uit het kerkelijk liedboek, regels dus waarvan Bachs kerkgangers de tekst terstond herkenden. Zij hoorden die tekst trouwens niet op één van de melodieën waarop ze die gewend waren te zingen, de melodie is nergens elders te vinden en is dus waarschijnlijk een gelegenheidscompositie van Bach, wat wendbaarder en artistieker dan gewone koraalmelodieën, passend bij het arioso-karakter van dit duet.
Terwijl de sopraan met haar door strijkers begeleide ‘koraal' de geruststellende geloofszekerheid van de christelijke gemeente vertolkt, geeft de bas als personifikatie van de individuele gelovige uiting aan zijn persoonlijke vroomheid; conform de lutherse bruidsmystiek spreekt hij Jezus als Liebster aan. Hij begint met allerlei positieve kwalifikaties van Jezus, maar als de sopraan hem in haar koraaltekst confronteert met Jezus' kruisdood, overweegt hij zijn eigen dood en sterven. Hij vindt vervolgens zijn vertrouwen bevestigd in de Echo-aria. Dat wij ons, nog midden in het Weihnachtsoratorium alweer bezighouden met de ars moriendi (de kunst van het sterven) is niet verbazend: de dood was destijds alom aanwezig, kinderen stierven, mensen werden niet oud, de afschuwelijke Dertigjarige Oorlog had diepe sporen getrokken en als het de werkelijkheid niet was die mensen met de dood confronteerde dan was het wel de Lutherse theologie die de dood verwelkomt als noodzakelijke toegangspoort voor het eeuwig leven. Pas in (5) komt de ars vivendi, de kunst hoe te leven, aan bod.
4. (39) Aria Sopraan
Oboe solo, Continuo

Flößt, mein Heiland, flößt dein Namen
Auch den allerkleinsten Samen
Jenes strengen Schreckens ein?
Nein, du sagst ja selber nein. (Nein!)
Sollt ich nun das Sterben scheuen?
Nein, dein süßes Wort ist da!
Oder sollt ich mich erfreuen?
Ja, du Heiland sprichst selbst ja. (Ja!)

De tekst van de centrale echo-aria is feitelijk een voortzetting van de tekst van de bas in (3). Hij doet twee beweringen : de dood boezemt mij geen angst meer in, waarop het bevestigende antwoord steeds Neen luidt, en: ik verheug mij in mijn sterven, met Ja als terugkerend antwoord, uiteindelijk zelfs fanfareachtig JaJa!
Inmiddels begrijpt u wel dat die echo's niet zomaar een amusante muzikale Spielerei zijn. Dat blijkt al uit het feit dat Bach de echo's van de hobo eenvoudig met forte en piano noteert, maar de vocale echo's apart uitschrijft, ten teken dat deze door iemand anders, vanuit een andere positie in de kerk moeten klinken.
Het spel met de echo, c.q. met de ruimte, was in de barokmuziek een populair format, dat uiteenlopende functies kon hebben en diepe symbolische betekenissen. Denk aan het concerto Audi Coelum in Monteverdi´s Mariavespers waar een ge-echode woordrest een vraag beantwoordt; een vraag eindigend met het woord gaudio wordt beantwoord met audio. Een echo moet in deze muziek begrepen worden als een spreken van jenseits,  van een niet-menselijke stem van gene zijde of van de natuur, in elk geval symbool voor onbetwijfelbare zekerheid en objektiviteit, en - in sacrale muziek - dus veelal: het betrouwbare spreken Gods. De echo dramatiseert ruimtelijk de kloof tussen God en mens. In de Echoaria Flößt mein Heiland verplaatst reeds het wiegende pastorale ritme van de 6/8 maat en de hobo ons naar het open veld, de natuurlijke biotoop van de echo. En daar,´van die andere kant´ spreekt nu het Christuskind zelf, in Bachs omgeving uiteraard de stem van een jongetje. Vandaar dat de overwegingen van de bas hier om muzikaal-technische redenen moeten worden voortgezet door een sopraan. Ter onderstreping van het van-gene-zijdekarakter zwijgt de continuo bij de vocale echo´s, anders dan bij de echo´s van de hobo. Na een herhaald Nein tegen de doodsangst wordt de vreugde van het sterven met Ja en zelfs in fanfare met Ja Ja! begroet.
Bach is door latere generaties wel gekapitteld omdat hij zou hebben gezondigd tegen de regels van het genre: hij geeft de echo driemaal aan het slot v/d drie delen van de aria (m.61, 91, 127) ongevraagd het woord, spontaan laat deze zijn ja of nein horen, zonder dat hem dat wordt voorgezegd. Mij lijkt dat Bach hier een goede reden voor had: bewust doorbreekt hij de grenzen van het genre om aan te geven dat Gods spreken niet slechts de echo is van menselijke vragen: de tekst suggereert dat zelf al (du sagst ja selber nein / du Heiland sprichst selbst ja. En reeds in het model voor deze aria in de verjaardagscantate toonde Bach zich gevoelig voor deze nuance toen hij Picanders tekst Gib mir doch zur Antwort: Nein eigenmachtig veranderde in Gib mir deine Antwort: Nein.
In zijn autonomie heeft God de mens niet nodig als souffleur. Je zou kunnen zeggen: Bach protesteert hier anticiperend tegen de latere religieuze-projektietheorieën. God hoeft niet af te wachten tot hem van mensenwege iets in de mond wordt gelegd, hij is niet de Rogeriaanse therapeut die slechts onze vragen spiegelt, een rol die - zoals u zich misschien herinnert - zo bekwaam kon worden gespeeld door het computerprogramma Elisa. God spreekt ook onuitgenodigd, op eigen gezag en initiatief. Dat lijkt mij de betekenis van deze drie eigenwijze nootjes van Bach.
5. (40). Recitativo Bas
e Choral Sopraan
Violino I/II, Viola, Continuo

Wohlan, dein Name soll allein
Jesu, meine Freud und Wonne,
Meine Hoffnung, Schatz und Teil,
In meinem Herzen sein!
Mein Erlösung, Schutz und Heil,
Hirt und König, Licht und Sonne,
So will ich dich entzücket nennen,
Wenn Brust und Herz zu dir vor Liebe brennen.
Doch, Liebster, sage mir:
Ach! wie soll ich würdiglich,
Mein Herr Jesu, preisen dich?
Wie rühm ich dich, wie dank ich dir?
Nadat de sopraan het tweede deel van haar koraaltekst heeft voorgedragen vinden de duetpartners elkaar ten slotte in hun vragen wie preise ich dich (S) en wie dank ich dir (B) waarop het antwoord vervolgens gegeven wordt in de tenoraria (6).

6. (41) Aria Tenor
Violino solo I/II, Continuo

Ich will nur dir zu Ehren leben,
Mein Heiland, gib mir Kraft und Mut,
Daß es mein Herz recht eifrig tut!
Stärke mich,
Deine Gnade würdiglich
Und mit Danken zu erheben!

Tenoraria (6) beantwoordt onomstotelijk de vraag van bas en sopraan: lof en dank worden gebracht in een leven ter ere Gods. Die ars vivendi wordt met een overrompelende vitaliteit  uitgebeeld. Muzikaal combineert Bach hier twee tegengestelde stijlen: hij schrijft een liedachtige, moderne da-capo aria in de oude contrapuntische stijl, een strenge vierstemmige fuga voor tenorsolist, continuo en twee soloviolen die elkaar energiek opjagen. De bede om Kraft und Mut is hier bij voorbaat verhoord.
7 (42) Choral
Corno da caccia I/II, Oboe I/II, Violino I/II, Viola, Continuo

Jesus richte mein Beginnen,
Jesus bleibe stets bei mir,
Jesus zäume mir die Sinnen,
Jesus sei nur mein Begier,
Jesus sei mir in Gedanken,
Jesu, lasse mich nicht wanken!

Een cantate over de naam van Jezus kan natuurlijk niet beter besloten worden dan met een koraalvers (7) waarvan alle regels beginnen met de naam Jesus, de vijftiende strofe van Johann Rists Hilf, Herr Jesu, laß gelingen uit 1642, een lied dat op Nieuwjaar niet ongebruikelijk was. En ook hier gebruikt Bach een melodie die wij uit geen van de liedboeken kennen, dus opnieuw van eigen hand en kunstzinniger dan we in koralen gewend zijn: de melodie schuift door diverse toonsoorten (F, C, d) en legt een opvallend accent op de tweede lettergreep van Jesus, behalve de laatste keer waar Bach eigenhandig het Jesus vervangt door zijn vocatief Jesu (en daarmee de werkwoordsvorm van een optatief in een biddende imperatief verandert.).
HOME