1. (36) Coro
Corno da caccia I/II, Oboe
I/II, Violino I/II, Viola, Continuo
Fallt
mit Danken, fallt mit Loben
Vor des Höchsten
Gnadenthron!
Gottes Sohn
Will der Erden
Heiland und Erlöser werden,
Gottes Sohn
Dämpft der Feinde Wut und
Toben.
|
Niet alleen de hele cantate maar
ook haar openingskoor - waarin het timbre van de hoorns domineert -
heeft een fraaie, evenwichtige symmetrische struktuur een
A-B-A-struktuur. De uitnodiging Fallt mit Danken (A), wordt
- licht gevarieerd - integraal herhaald na het middendeel (B) dat de
motivering geeft: 'Gods
Zoon wil onze verlosser worden'. A- en B-deel zijn tot op de maat even
lang (80 maten), alle delen zijn - instrumentaal en vocaal - uit
eenheden van 8 maten opgebouwd, als bij een dansvorm, en ook het 3/8
ritme correspondeert daarmee.
|
2. (37) Recitativo Tenor
Continuo
Evangelist:
Und da acht Tage um waren,
daß das Kindbeschnitten
würde,
da ward sein Name genennet Jesus,
welcher genennet war von dem Engel, ehe denn er im Mutterleibe
empfangen ward.
|
De voorgeschreven
evangelielezing door de evangelist (tenor) in recitatief (2) is slechts
kort want omvat - zoals gezegd - slechts één vers, Lucas
2:21; de hoogste noten blijven uiteraard gereserveerd voor de woorden Name en Jezus.
|
3.
(38) Recitativo Bas
e Choral Sopraan
Violino I/II, Viola, Continuo
Immanuel, o
süßes Wort!
Mein Jesus heißt mein Hort,
Mein Jesus heißt mein Leben.
Mein Jesus hat sich mir ergeben,
Mein Jesus soll mir immerfort
Vor meinen Augen schweben.
Mein Jesus heißet meine Lust,
Mein Jesus labet Herz und Brust.
Jesu,
du mein
liebstes Leben,
Komm! Ich will dich mit Lust umfassen,
Meiner
Seelen Bräutigam,
Mein Herze soll dich nimmer lassen,
Der
du dich vor mich gegeben
Ach! So nimm mich zu dir!
An
des bittern Kreuzes Stamm!
Auch in dem Sterben sollst du mir
Das Allerliebste sein;
In Not, Gefahr und Ungemach
Seh ich dir sehnlichst nach.
Was jagte mir zuletzt der Tod für Grauen ein?
Mein Jesus! Wenn ich sterbe,
So weiß ich, daß ich nicht verderbe.
Dein Name steht in mir geschrieben,
Der hat des Todes Furcht vertrieben.
|
De duetten (3) en (5) voor bas
en sopraan dragen als opschrift Recitativo
con Chorale want wat de sopraan daar zingt zijn regels van een
koraal uit het kerkelijk liedboek, regels dus waarvan Bachs kerkgangers
de tekst terstond herkenden. Zij hoorden die tekst trouwens niet op
één van de melodieën waarop ze die gewend waren te
zingen, de melodie is nergens elders te vinden en is dus waarschijnlijk
een gelegenheidscompositie van Bach, wat wendbaarder en artistieker dan
gewone koraalmelodieën, passend bij het arioso-karakter van dit
duet.
Terwijl de sopraan met haar door strijkers begeleide ‘koraal' de
geruststellende geloofszekerheid van de christelijke gemeente vertolkt,
geeft de bas als personifikatie van de individuele gelovige uiting aan
zijn persoonlijke vroomheid; conform de lutherse bruidsmystiek spreekt
hij Jezus als Liebster aan.
Hij begint met allerlei positieve kwalifikaties van Jezus, maar als de
sopraan hem in haar koraaltekst confronteert met Jezus' kruisdood,
overweegt hij zijn eigen dood en sterven. Hij vindt vervolgens zijn
vertrouwen bevestigd in de Echo-aria. Dat wij ons, nog midden in het
Weihnachtsoratorium alweer bezighouden met de ars moriendi (de kunst van het
sterven) is niet verbazend: de dood was destijds alom aanwezig,
kinderen stierven, mensen werden niet oud, de afschuwelijke
Dertigjarige Oorlog had diepe sporen getrokken en als het de
werkelijkheid niet was die mensen met de dood confronteerde dan was het
wel de Lutherse theologie die de dood verwelkomt als noodzakelijke
toegangspoort voor het eeuwig leven. Pas in (5) komt de ars vivendi, de kunst hoe te leven,
aan bod.
|
4. (39) Aria Sopraan
Oboe solo, Continuo
Flößt, mein Heiland,
flößt
dein Namen
Auch den allerkleinsten Samen
Jenes strengen Schreckens ein?
Nein, du sagst ja selber nein.
(Nein!)
Sollt ich nun das Sterben
scheuen?
Nein, dein süßes
Wort ist da!
Oder sollt ich mich erfreuen?
Ja, du Heiland sprichst selbst
ja. (Ja!)
|
De tekst van de centrale
echo-aria is feitelijk een voortzetting van de tekst van de bas in (3).
Hij doet twee beweringen : de dood boezemt mij geen angst meer in,
waarop het bevestigende antwoord steeds Neen luidt, en: ik verheug mij
in mijn sterven, met Ja als terugkerend antwoord, uiteindelijk zelfs
fanfareachtig JaJa!
Inmiddels begrijpt u wel dat die echo's niet zomaar een amusante
muzikale Spielerei zijn. Dat
blijkt al uit het feit dat Bach de echo's
van de hobo eenvoudig met forte
en piano noteert, maar de
vocale echo's apart uitschrijft, ten teken dat deze door iemand anders,
vanuit een andere positie in de kerk moeten klinken.
Het spel met de echo, c.q. met de ruimte, was in de barokmuziek een
populair format, dat uiteenlopende functies kon hebben en diepe
symbolische betekenissen. Denk aan het concerto Audi Coelum in Monteverdi´s
Mariavespers waar een ge-echode woordrest een vraag beantwoordt; een
vraag eindigend met het woord gaudio
wordt beantwoord met audio.
Een echo moet in deze muziek begrepen worden als een spreken van jenseits, van een
niet-menselijke stem van gene zijde of van de natuur, in elk geval
symbool voor onbetwijfelbare zekerheid en objektiviteit, en - in
sacrale muziek - dus veelal: het betrouwbare spreken Gods. De echo
dramatiseert ruimtelijk de kloof tussen God en mens. In de Echoaria Flößt mein Heiland
verplaatst reeds het wiegende pastorale ritme van de 6/8 maat en de
hobo ons naar het open veld, de natuurlijke biotoop van de echo. En
daar,´van die andere kant´ spreekt nu het Christuskind
zelf, in Bachs omgeving uiteraard de stem van een jongetje. Vandaar dat
de overwegingen van de bas hier om muzikaal-technische redenen moeten
worden voortgezet door een sopraan. Ter onderstreping van het
van-gene-zijdekarakter zwijgt de continuo bij de vocale echo´s,
anders dan bij de echo´s van de hobo. Na een herhaald Nein tegen de doodsangst wordt de
vreugde van het sterven met Ja
en zelfs in fanfare met Ja Ja!
begroet.
Bach is door latere generaties wel gekapitteld omdat hij zou hebben
gezondigd tegen de regels van het genre: hij geeft de echo driemaal aan
het slot v/d drie delen van de aria (m.61, 91, 127) ongevraagd het
woord, spontaan laat deze zijn ja
of nein horen, zonder dat hem
dat wordt voorgezegd. Mij lijkt dat Bach hier een goede reden voor had:
bewust doorbreekt hij de grenzen van het genre om aan te geven dat Gods
spreken niet slechts de echo is van menselijke vragen: de tekst
suggereert dat zelf al (du sagst ja
selber nein / du
Heiland sprichst selbst
ja. En reeds in het
model voor deze aria in de verjaardagscantate toonde Bach zich
gevoelig voor deze nuance toen hij Picanders tekst Gib mir doch zur Antwort: Nein
eigenmachtig veranderde in Gib mir deine Antwort: Nein.
In zijn autonomie heeft God de mens niet nodig als souffleur. Je zou
kunnen zeggen: Bach protesteert hier anticiperend tegen de latere
religieuze-projektietheorieën. God hoeft niet af te wachten tot
hem van mensenwege iets in de mond wordt gelegd, hij is niet de
Rogeriaanse therapeut die slechts onze vragen spiegelt, een rol die -
zoals u zich misschien herinnert - zo bekwaam kon worden gespeeld door
het computerprogramma Elisa. God spreekt ook onuitgenodigd, op eigen
gezag en initiatief. Dat lijkt mij de betekenis van deze drie
eigenwijze nootjes van Bach.
|
5. (40). Recitativo Bas
e Choral Sopraan
Violino I/II, Viola,
Continuo
Wohlan, dein Name soll allein
Jesu, meine Freud und Wonne,
Meine Hoffnung, Schatz und Teil,
In meinem Herzen
sein!
Mein Erlösung, Schutz und Heil,
Hirt und
König, Licht und Sonne,
So will ich dich
entzücket nennen,
Wenn Brust und Herz zu dir vor
Liebe brennen.
Doch, Liebster, sage mir:
Ach! wie soll ich würdiglich,
Mein Herr Jesu, preisen dich?
Wie rühm ich
dich, wie dank ich dir?
|
Nadat de sopraan het tweede deel
van haar koraaltekst heeft voorgedragen vinden de duetpartners elkaar
ten slotte in hun vragen wie preise
ich dich (S) en wie dank ich
dir (B) waarop het antwoord vervolgens gegeven wordt in de
tenoraria (6).
|
6. (41) Aria Tenor
Violino solo I/II, Continuo
Ich will nur dir zu Ehren leben,
Mein Heiland, gib mir Kraft und
Mut,
Daß es mein Herz recht
eifrig tut!
Stärke mich,
Deine Gnade würdiglich
Und mit Danken zu erheben!
|
Tenoraria (6) beantwoordt
onomstotelijk de vraag van bas en sopraan: lof en dank worden gebracht
in een leven ter ere Gods. Die ars
vivendi wordt met een overrompelende
vitaliteit uitgebeeld. Muzikaal combineert Bach hier twee
tegengestelde stijlen: hij schrijft een liedachtige, moderne da-capo
aria in de oude contrapuntische stijl, een strenge vierstemmige fuga
voor tenorsolist, continuo en twee soloviolen die elkaar energiek
opjagen. De bede om Kraft und Mut
is hier bij voorbaat verhoord.
|
7 (42) Choral
Corno da caccia I/II, Oboe
I/II, Violino I/II, Viola, Continuo
Jesus richte mein Beginnen,
Jesus bleibe stets bei mir,
Jesus zäume mir die Sinnen,
Jesus sei nur mein Begier,
Jesus sei mir in Gedanken,
Jesu, lasse mich nicht wanken!
|
Een cantate over de naam van
Jezus kan natuurlijk niet beter besloten
worden dan met een koraalvers (7) waarvan alle regels beginnen met de
naam Jesus, de vijftiende
strofe van Johann Rists Hilf, Herr
Jesu,
laß gelingen uit 1642, een lied dat op Nieuwjaar niet
ongebruikelijk was. En ook hier gebruikt Bach een melodie die wij uit
geen van de liedboeken kennen, dus opnieuw van eigen hand en
kunstzinniger dan we in koralen gewend zijn: de melodie schuift door
diverse toonsoorten (F, C, d) en legt een opvallend accent op de tweede
lettergreep van Jesus,
behalve de laatste keer waar Bach eigenhandig
het Jesus vervangt door zijn
vocatief Jesu (en daarmee de
werkwoordsvorm van een optatief in een biddende imperatief verandert.).
|