|
|
|
|
|
|
J. S. BACH: Herr, deine Augen sehen nach dem Glauben (BWV 102) |
Beluister
deze cantate alvast in de uitvoering door Leusink en zijn Holland Boys Choir |
||||
| Nadat Bach binnen
twee jaar na zijn
ambtsaanvaarding te Leipzig zo'n
150
cantates heeft gecomponeerd (gemiddeld meer dan één per
week),
vertraagt zijn tempo. In het voorjaar van 1726 pauzeert hij zelfs
geheel,
als componist althans, en vult zijn wekelijkse cantateverplichtingen
met
18 cantates van zijn neef Johann Ludwig uit Meiningen, zo'n tien jaar
eerder
geschreven op teksten, waarschijnlijk van zijn broodheer, de graaf van
Saksen-Meiningen. Deze teksten bevallen Sebastian blijkbaar zodanig dat
hij, wanneer hij medio 1726 weer stevig begint te produceren, zelf een
reeks cantates schrijft op teksten uit dezelfde bundel. Cantate BWV
102, Herr, deine Augen sehen nach
dem Glauben, behoort tot deze groep
cantates,
met als gemeenschappelijk kenmerk dat ze uit twee delen bestaan: een
oud-testamentische
en een nieuw-testamentische bijbeltekst, elk gevolgd door een
recitatief
en een aria. Zo ontstaat een symmetrische struktuur, met de
nieuw-testamentische
tekst in het midden: Bijbel OT - Recit. - Aria -
Bijbel NT
- Aria - Recit. - Koraal
Het zijn ook allen twee-delige cantates waarvan de eerste helft
vóór
en de tweede na de preek werd uitgevoerd. Enigszins onlogisch - maar
voor
onze uitvoering niet hinderlijk - ligt deze scheiding in BWV 102
ná
het tweede bijbelwoord. In Bachs tijd en omgeving moesten cantates uitleg en interpretatie bieden van dezelfde, voor de zondag van het kerkelijk jaar voorgeschreven evangelietekst als de predikant aan zijn prediking ten grondslag diende te leggen. Voor de 10e zondag na Trinitatis (d.w.z. 11 weken na Pinksteren), 25 augustus 1726 waarvoor Bach BWV 102 schreef, was dat de tekst uit Lucas 19, de verzen 11-48 waarin Jezus de verwoesting van Jeruzalem aankondigt (een verwoesting die trouwens al had plaats gehad toen de Evangeliën werden opgetekend) en de geldwisselaars uit de tempel verdrijft. De tekst behelst een oproep tot tijdige boetedoening, en is wel als een anti-joodse bijbelpassage beschouwd. Als Bach BWV 102 componeert heeft hij (in 1723 en 1724) al tweemaal een cantate op deze tekst afgeleverd; aan de dankbare mogelijkheid tot een barokke schildering van de rampen over Jeruzalem gaat hij daarom deze keer voorbij. Het thema is nu algemener: een waarschuwing tot de verstokten en dolenden die weigeren zich te bekeren en een oproep tot tijdige boetvaardigheid want (koraal) wie vandaag nog frisch, gesund und rot is, kan morgen dood zijn. De tekst van deze cantate accentueert nauwelijks het mogelijke contrast tussen de oud-testamentische (toornende) en de nieuw-testamentische (genadige) God: geen bevrijdende verlossing, en dus weinig aanleiding tot vrolijke muziek. En ook geen sopraan-solo. Over de afzonderlijke delen van Cantate 102 het volgende. |
|||||
| 1. KOOR Herr, deine Augen sehen nach dem Glauben! Du schlägest sie, aber sie fühlens nicht; du plagest sie, aber sie bessern sich nicht. Sie haben ein härter Angesicht denn ein Fels und wollen sich nicht bekehren. 2. RECITATIEF (B) Wo ist das Ebenbild, das Gott uns eingepräget, Wenn der verkehrte Will sich ihm zuwiderleget? Wo ist die Kraft von seinem Wort, Wenn alle Besserung weicht aus dem Herzen fort? Der Höchste suchet uns durch Sanftmut zwar zu zähmen, Ob der verirrte Geist sich wollte noch bequemen; Doch, fährt er fort in dem verstockten Sinn, So gibt er ihn ins Herzens Dünkel hin. 3. ARIA (A) Weh der Seele, die den Schaden Nicht mehr kennt Und, die Straf auf sich zu laden, Störrig rennt, Ja von ihres Gottes Gnaden Selbst sich trennt. 4. ARIOSO (B) Verachtest du den Reichtum seiner Gnade, Geduld und Langmütigkeit? Weißest du nicht, daß dich Gottes Güte zur Buße locket? Du aber nach deinem verstockten und unbußfertigen Herzen häufest dir selbst den Zorn auf den Tag des Zorns und der Offenbarung des gerechten Gerichts Gottes. DEEL II 5. ARIA (T) Erschrecke doch, Du allzu sichre Seele! Denk, was dich würdig zähle Der Sünden Joch. Die Gotteslangmut geht auf einem Fuß von Blei, Damit der Zorn hernach dir desto schwerer sei. 6. RECITATIEF (A) Bei Warten ist Gefahr; Willst du die Zeit verlieren? Der Gott, der ehmal gnädig war, Kann leichtlich dich vor seinen Richtstuhl führen. Wo bleibt sodann die Buß? Es ist ein Augenblick, Der Zeit und Ewigkeit, der Leib und Seele scheidet; Verblendter Sinn, ach kehre doch zurück, Daß dich dieselbe Stund nicht finde unbereitet! 7. KORAAL Heut lebst du, heut bekehre dich, Eh morgen kömmt, kanns ändern sich; Wer heut ist frisch, gesund und rot, Ist morgen krank, ja wohl gar tot. So du nun stirbest ohne Buß, Dein Leib und Seel dort brennen muß. Hilf, o Herr Jesu, hilf du mir, Daß ich noch heute komm zu dir Und Buße tu den Augenblick, Eh mich der schnelle Tod hinrück, Auf daß ich heut und jederzeit Zu meiner Heimfahrt sei bereit. |
(1)
Terecht herinnert Bach zich het schitterende openingskoor van
deze
cantate, wanneer hij zich tien jaar later zet tot zijn Mis in g (BWV
235). De tekst is van Jeremia, hoofdstuk 5:3: terwijl God uitziet naar
gelovigen, gaan de ongelovigen onverdroten voort. Het stuk heeft een A-B-A struktuur, met als A-deel een instrumentale Sinfonia die alle motieven in zich verenigt voor de rest van het stuk. De terugkeer van deze muziek aan het eind wordt echter gemaskeerd omdat deze nu fungeert als begeleiding van het vierstemmige koor! Dit compositorische hoogstandje ('koor-inbouw') zou de niet-gewaarschuwde toehoorder derhalve kunnen ontgaan, daarom verdient de struktuur enige toelichting. Tussen het instrumentaal identieke begin en einde hoort u de zangers in twee fugatische stukken, in- en uitgeleid door Jeremia's telkens herhaalde, verontwaardigde uitroep 'Heer, ziet gij niet uit naar oprechtheid?' In de eerste fuga-achtige (fugato) passage worden de twee half-zinnen Du schlägest... en Du plagest... achtereenvolgens behandeld door Alt, Sopraan, Bas en Tenor, met minimale instrumentale ondersteuning; de realistische staccato's op schlägest (die bij het hergebruik in de Mis BWV 235 vervielen) contrasteren met vloeiende lijn op sie fühlen's nicht. Deze twee zinnen lenen zich vervolgens voor een dialogerend vraag-antwoordspelletje tussen de duo's sopraan/bas en alt/tenor. De tweede fuga is een echte, uitgebreide waarin het thema op de tekst Sie haben ein härter Angesicht etc., ingezet door de bas, via tenor en alt wordt doorgegeven naar de sopraan, en vervolgens in een herhaling weer 'naar beneden'. In het thema worden de woorden härter en Fels (rots) bereikt via een schrille overmatige kwartsprong, de moeilijk te treffen diabolus in musica geheten. Wanneer de bas tenslotte ten tweeden male met het thema klaar is, hernemen de instrumentalisten hun sinfonia, terwijl de zangers de openingstekst en de duetten-dialoog herhalen. (2) Een eenvoudig, slechts door continuo begeleid (secco) recitatief voor de bas: wie zich niet bekeert wordt aan duisternis prijs gegeven, de muziek vervalt van Bes-groot naar bes-klein. (3) Een intiem klaaglied voor alt, hobo en continuo. De 'softe' stemmen richten, met schrijnende dissonanten, vreemde sprongen en stekelige intervallen een bewogen oproep tot de koppige die weigert de gevolgen van eigen handelen en Gods genade onder ogen te zien. In de Mis in F (BWV 233) keert de muziek van deze aria terug als Qui tollis, met een verwant 'negatief' affekt: een bezinning op 's mensen zondigheid i.p.v. de ontkenning ervan. De muziek is een toon omhoog getransponeerd, voor sopraan i.p.v. alt, en bijvoorbeeld de dissonante inzet van de hobo is milder gemaakt. (4) Materieel het begin van het nieuw-testamentisch cantatedeel, nominaal echter slot van Deel I. Maar wat voor soort stuk is dit 'arioso' voor bassolist en strijkers eigenlijk? De aanduiding arioso stamt niet van Bach; hij liet het opschrift open, en op interessante gronden. Want muzikaal lijkt het een aria: instrumentale voor-, tussen- en naspelen (ritornellen) met motieven die ook de vocale solist gebruikt, tekstherhalingen, een (verkorte) da-capostruktuur, alles tamelijk ongebruikelijk voor een arioso. Maar anderzijds is de tekst proza, de verzen 4 en 5 uit Paulus' brief aan de Romeinen (hoofdstuk 2). Poëzie was voor Bach blijkbaar een zo karakteristiek kenmerk van een aria, dat hij, wetende weer een conventie te hebben overtreden, de titel openliet. Het opgewekte affekt van dit stuk contrasteert met de tekst die nogal barse vragen stelt aan de onboetvaardige, die Gods toornend oordeel moet vrezen. Het lijkt een illustratie van het wegkijken, van geestelijke blindheid voor de dreigende vergelding. De 'verstokt'-heid wordt drastisch geïllustreerd door het geheel tot stilstand komen van de muziek, met een - tegen alle compositieregels in - viervoudige herhaling van drie-noten op verschillende woorden. (5) is een verontrustende aria voor tenor en traverso. In het Quoniam van de Mis in F (BWV 233) is het soloinstrument vervangen door een viool, bij een heruitvoering van de cantate in 1737 door violino piccolo. Ook de paniekerige motiefjes en grillige sprongen van de tenor die de zelfgenoegzame ziel poogt wakker te schudden zijn in de mis-versie gefatsoeneerd. Lange noten onderstrepen de eeuwige druk van het juk der zonden, maar ook Gods aanhoudende lankmoedigheid. (6) Terwijl de tijd wegtikt dringt ook de alt aan op boetvaardigheid, nu. De cantate besluit (7) met de twee laatste verzen (6 en 7) van een koraal uit 1630 (Joh.Heermann, So wahr ich lebe, spricht dein Gott), hier gezongen op de bekende melodie van het Vater unser im Himmelreich. eventuele voetnoot Dat Bach na 150 cantates pas Cantate BWV 102 schrijft illustreert dat de cantates in de Bach Werken Verzeichnis niet in chronologische volgorde staan. De BWV-nummering ontstond tamelijk toevallig uit de volgorde waarin de Bach Gesellschaft vanaf het eeuwfeest 1850 Bachs werken, voorzover voorhanden, begon te publiceren. De precieze compositiedatum van de meeste cantates werd pas het eind jaren '50 van de twintigste eeuw vastgesteld, op grond van de watermerken van het papier en de handschriften van Bach en zijn kopiïsten. Wij weten trouwens van het bestaan van veel meer Bachcantates dan die welke, omdat er enige muziek van gevonden is, een plaats in de BWV hebben gekregen; tekstboekjes wijzen bijv. uit dat ze bestaan moeten hebben. |
||||
|
© Eduard van Hengel | ||||