J. S. BACH: Herr, gehe nicht ins Gericht (BWV 105)

Beluister deze cantate alvast
in de uitvoering door Leusink
en zijn Holland Boys Choir
Programmeurs van cantateuitvoeringen hebben het altijd moeilijk in de weken voor Pasen, de vastentijd, want die periode gold in Bachs Leipzig ook als een muzikale vastentijd, tempus clausum, gedurende welke in de kerk geen moderne instrumentale muziek mocht klinken
en waarvoor Bach dus geen cantates hoefde te componeren maar gelegenheid had zijn passiemuziek voor te bereiden.
Dus hoort u vanavond een cantate die helemaal niet in dit seizoen thuishoort, gekozen uit de cantates die Bach voor de maanden juli en augustus componeerde, als u en wij met vakantie zijn. In dit geval: voor de negende zondag na Trinitatis, 25 juli 1723, de tiende cantate in Leipzig.
Maar u gaat wel een heel bijzondere cantate horen, een onomstreden meesterwerk, BWV 105, één van de eerst gepubliceerde cantates, in 1830. Maarten ‘t Hart rekent hem tot de Top-Tien en - wat belangrijker is - Albert Schweitzer kwalificeert hem als een "monumentaal muziekdrama" terwijl zelfs de altijd wat gereserveerde Alfred Dürr, de belangrijkste Bach-researcher v/d afgelopen halve eeuw deze cantate rekent tot de großartigsten Seelenschilderungen barocker und christlicher Kunst.

Een cantate dient in te gaan op de voorgeschreven evangelielezing, en voor die 9e zondag na Trinitatis is dat de door Jezus uitgesproken parabel van de onrechtvaardige rentmeester, die wegens wanbeheer wordt ontslagen. Bachs tekstdichter omzeilt allerlei exegetisch getob over die parabel door zich te beperken tot het uitgangspunt: de plicht om verantwoording af te leggen. Ooit zullen mensen voor God rekenschap moeten afleggen voor hun handelen, en die eindafrekening valt zeer te vrezen. De librettist introduceert deze gedachte in het openingskoor met een Psalmtekst 143:2, Herr, gehe nicht ins Gericht mit deinem Knecht, dat zijn wij, de stervelingen, onderwerp ons niet aan uw oordeel, want tegenover u zal niemand zich kunnen vrijpleiten.
Maar in de loop van de cantate zal de bas uitleggen dat Christus met zijn kruisdood voor de falende mens in de bres is gesprongen en onze onbetaalde rekeningen heeft voldaan, zodat de cantate gerustgesteld kan eindigen met het slotkoraal dat u zojuist instudeerde: al wie glaubensvoll is zal niet verloren gaan.
Ik wil u graag attenderen op enkele middelen waarmee Bach zijn muzikale betoog voert.
1. KOOR
"Herr, gehe nicht ins Gericht mit deinem Knecht. Denn vor dir wird kein Lebendiger gerecht."





































































2. RECITATIEF (A)
Mein Gott, verwirf mich nicht,
Indem ich mich in Demut vor dir beuge,
Von deinem Angesicht.
Ich weiß, wie groß dein Zorn und mein Verbrechen ist,
Daß du zugleich ein schneller Zeuge
Und ein gerechter Richter bist.
Ich lege dir ein frei Bekenntnis dar
Und stürze mich nicht in Gefahr,
Die Fehler meiner Seelen
Zu leugnen, zu verhehlen!

3. ARIA (S)
Wie zittern und wanken
Der Sünder Gedanken,
Indem sie sich untereinander verklagen
Und wiederum sich zu entschuldigen wagen.
So wird ein geängstigt Gewissen
Durch eigene Folter zerrissen.









4. RECITATIEF (B)
Wohl aber dem, der seinen Bürgen weiß,
Der alle Schuld ersetzet,
So wird die Handschrift ausgetan,
Wenn Jesus sie mit Blute netzet.
Er heftet sie ans Kreuze selber an,
Er wird von deinen Gütern, Leib und Leben,
Wenn deine Sterbestunde schlägt,
Dem Vater selbst die Rechnung übergeben.
So mag man deinen Leib,
den man zum Grabe trägt,
Mit Sand und Staub beschütten,
Dein Heiland öffnet dir die ewgen Hütten.

5. ARIA (T)
Kann ich nur Jesum mir zum Freunde machen,
So gilt der Mammon nichts bei mir.
   Ich finde kein Vergnügen hier
   Bei dieser eitlen Welt und irdschen Sachen.






6. KORAAL
Nun, ich weiß, du wirst mir stillen
Mein Gewissen, das mich plagt.
Es wird deine Treu erfüllen,
Was du selber hast gesagt:
Daß auf dieser weiten Erden
Keiner soll verloren werden,
Sondern ewig leben soll,
Wenn er nur ist Glaubens voll.
De tweeregelige psalmtekst geeft Bach aanleiding tot een openingskoor (1) in twee contrasterende delen, die zich verhouden als een preludium & fuga: een modern, barok, in akkoorden opgebouwd preludium op de angstige smeekbede "Herr, gehe nicht ins Gericht
gevolgd door een polyfone fuga in ouderwetse a-cappellastijl met ondergeschikte rol voor het orkest op de pertinente tekst "geen levend wezen zal bij u vrijuit gaan"
Als decor voor het smeekgebed moet dus een dreigende, duistere, beklemmende sfeer worden opgeroepen. Hoe gaat dat?
Luistert u eerst naar de eerste noten die de eerste hobo, samen met viool en hoorn speelt

het gaat in kleine, halve toonstappen omhoog, langs de witte/zwarte toetsen op de piano, dus langs noten die niet in de toonladder passen, chromatiek, de musicus ziet dat aan extra kruizen en mollen, een moeizame gang omhoog, een geijkte manier om lijden, treurnis uit te drukken. Als je zoiets ook voor andere stemmen schrijft (de twee hobo's doen dit bijv. in canon) krijg je dus geen mooie open consonante welluidende akkoorden zoals in vrolijke muziek, maar schrijnende dissonanten en gewrongen harmonieën.
Hoor hoe de hobo vervolgt

telkens twee gebonden nootjes, even rust en dan opnieuw: het lijken kleine klagende zuchtjes of steunende snikjes, en de technische term is dan ook Seufzer, betekenis spreekt voor zich
Luistert u even naar wat de in diezelfde eerste maten de cello speelt

niet gewoon de relevante basnoten, maar hij doet dat met pulserend toonherhalingen, een kloppende bas, dat is altijd onheilspellend, als het al niet op de dood wijst. Die figuur komen we verderop nog tegen als beven, sidderen in (3) maar ook als Sterbeglocken, doodsklokken in (4).
Als Bach al deze ingrediënten combineert weet je, ook zonder deze toelichting, al na vier noten: hier is zwaar weer op komst.

Tegen dit instrumentle decor scanderen de koorstemmen achter elkaar, schijnbaar chaotisch hun dringende & smekende aanroepingen Herr, gehe nicht ins Gericht,
Drie zulke passages, gescheiden door instrumentaal intermezzo.
Voor de tweede zin volgt dan een vitale en gedecideerde koorfuga in oude traditie:
"tegenover u zal geen levend wezen zich kunnen rechtvaardigen"
Koorfuga betekent: a-cappella, aanvankelijk alleen continuo, later wel instrumenten maar zonder eigen partijen, alleen verdubbeling van koorstemmen.
Dit is een bijzonder strenge, super-strakke en schematisch soort fuga:
wanneer tweede stem het fuga thema inzet, zingt de eerste daartegen in een tegenstem, een contrapunt, niet ongebruikelijk. En als derde stem inzet, zingt de tweede natuurlijk die tegenstem, maar wat doet dan de eerste? Een tweede contrapunt! En als de vierde en laatste stem inzet begint de eerste aan een derde contrapunt. Zo cirkelen er dus permanent vier thema's om elkaar heen, allemaal op dezelfde tekst. De organist laat het u even horen

Dat is dus het thema, een opmerkelijk levendig thema, onmiskenbaar illustratie van het woord lebendiger, ook al zegt de tekst "kein Lebendiger": muziek kan alleen een begrip illustreren maar niet zijn tegendeel, ontkenning, weerlegging.  Maar hier heeft Bach een tweede kans. In het eerste contrapunt verbeeldt hij muzikaal het tegendeel, "kein Lebendiger", luister goed hoe hier niks gebeurt

en dan zijn er nog een 2e contrapunt  

en een 3e contrapunt.

Al die over elkaar heen buitelende thema's: dat heet een permutatiefuga; als je die vier thema's rood, wit, blauw, oranje kleurt en de koorleden uitrust met vlaggetjes zou je dus voortdurend ergens elke kleur ontwaren.

In recitatief (2) bekent de alt haar zonden en vraagt clementie. Als ze het woord Fehler uitspreekt onderstreept Bach dat - bijna voorspelbaar - met een "verminderd-septiemakkoord", het meest dissonante akkoord waarover hij beschikte, het "Barabbam-akkoord" dat hij voor allerlei negativa inzet, bestaande uit drie gestapelde kleine tertsen.

Aria (3) van de sopraan getuigt van de innerlijke verscheurdheid van de zondaar, en hoe het vooruitzicht op een laatste oordeel haar angst inboezemt. Het primaire affekt is dus:
angst, uitgedrukt sidderende toonherhalingen van de strijkers

En voorts het ontbreken van continuo, illustratie van gebrek houvast, zekerheid, basis, geen vaste grond onder voeten, bodemloos.
Daarboven horen we hobo en sopraan elkaars angstige sprongen imiteren, als de elkaar beschuldigende en verontschuldigende gedachten van de verwarde zondaar.
Recitatief (4) van de bas vormt het keerpunt in de cantate, met de hoopvolle, bevrijdende boodschap: Jezus heeft de rekening al voldaan, men mag dan uw lichaam begraven, uw ziel heeft eeuwig leven.
Er is een uitgebreide strijkersbegeleiding die twee dingen uitdrukt
(a) opgewekt figuurtje van hoge strijkers, eerst fragmentarisch maar steeds meer continu
(b) pizzicato van de cello

een imitatie van Sterbeglocken, doodsklokken, één van de middelen waarmee Bach stervensuur, wenn deine Sterbestunde schlägt aangeeft.
De combinatie van die twee motieven zegt dus: u kunt uw stervensuur ontspannen tegemoet zien.

En nu kan er dus een onbezorgde, opgewekte tenoraria volgen (5) waarin de Mammon wordt afgezworen, de nihilistische geldzucht waarover de evangelietekst sprak.
Elke harmonische complexiteit v/h beginkoor is hier verdwenen, en er klinkt een extravert, positief zelfverzekerd thema, aanvankelijkvan hoorn & viool unisono, maar al gauw gaan de violen daar omheen fietsen met luchtige arabesken en vrolijke tierelantijnen, rond de onverstoorbare hoorn die maar niet uit de plooi raakt. Misschien belichaamt de wufte viool wel de pronkzuchtige, zelfingenomen eitle Welt, en irdische Sachen,

Het slotkoraal (6) heeft, behalve de vier stemmen die u net instudeerde een zelfstandige driestemmige strijkersbegeleiding. Aanvankelijk met dezelfde repeterende akkoorden die de angst en beven van de sopraan verbeeldden. Maar bij de 3e regel vertraagt het tempo van dat beven, bij de 5e gaat het nog langzamer, bij de 7e ontstaat er zelfs een dansend ritme,
ze laten u dat even horen

Na de laatste regel, uw slotakkoord, volgt er nog een kort naspel, door dezelfde drie hoge strijkersgroepen die de angstige sopraan begeleidden, zonder continuobas, maar nu is de siddering geheel verdwenen, het bonzend hart is tot rust gekomen, maar je hoort wel nog dezelfde dissonante harmonieën van het openingskoor: het leven blijft een lijdensweg maar de angst voor een slechte afloop is eruit.
omhoog


© Eduard van Hengel