(De Swaen,
24-25/1/2009)
Cantate 111 behoort tot de door Bach
gedurende zijn tweede seizoen in Leipzig (1724/'25) gecomponeerde reeks
zogeheten ‘koraalcantates'. Hij werd geschreven voor de derde zondag na
Epifanie, 21 januari 1725. In de evangelielezing voor deze dag
(Mattheus 8:1 - 13) vragen een leproze en een officier Jezus om
genezing, daarbij blijk gevend van een diep vertrouwen dat Jezus dat
kan als God het wil. Daarbij past het koraal Was mein Gott will, das g'scheh allzeit
dat Bach verwerkt tot deze koraalcantate. Het koraal werd in 1547, na
de dood van zijn vrouw, gepubliceerd door Hertog Albrecht van Pruissen
(1490- 1568), de eerste Duitse prins die tot het protestantisme
overging en zijn hertogdom tot een seculiere staat omvormde. Als
melodie koos hij een Frans chanson (Claudin de Sermisy, 1528), een
melodie die later ook voor andere koralen werd gebruikt zodat het kon
gebeuren dat Bach een week later, een cantate (BWV 92) componerend over
een koraal van Paul Gerhardt, dezelfde melodie moest verwerken. Van het
achtregelige koraal worden - als zo vaak - de eerste twee regels (Stollen) herhaald, maar in dit
geval zijn ook de laatste twee regels, de tweede helft van het Abgesang, weer identiek aan de
eerste (A-A-B-A). Doordat Albrechts koraal, inclusief een later
toegevoegd couplet, nog slechts vier verzen omvat, en het eerste en
laatste couplet in koraalcantates ongewijzigd tot tekst dienen voor een
openings- en een slotkoor, beschikt Bachs tekstdichter dus slechts over
twee coupletten, 16 regels tekst, voor twee aria's en recitatieven; hij
heeft er dus het één en ander bijbedacht.
De genoemde AABA-struktuur blijft gehandhaafd in de imposante
koraalfantasie (1) waarmee ook
deze koraalcantate begint. In het orkest horen we naast strijkers en
continuo twee hobo's die, zonder aan de koraalmelodie te refereren, in
hun energieke instrumentale inleiding een sfeer oproepen van onwrikbaar
godsvertrouwen, voortdurend gelardeerd met het bekende pa-pa-pam,
pa-pa-pam ritme (figura corta)
dat altijd vreugde symboliseert. Gewoontegetrouw zingt de sopraan regel
voor regel de koraalmelodie als cantus
firmus in lange noten, de begeleidende stemmen ondersteunen dat
op de wijze van een motet: elkaar imiterend met aan de koraalmelodie
ontleende motieven. Opmerkelijk aan de koorpassages in deze
koraalbewerking is dat regelmatig tijdens de lange slotnoot van de
sopraan de begeleidende stemmen de bewuste regel nog eens kort
herhalen, eenvoudig geharmoniseerd en met de melodie beurtelings in bas
of alt. Meer dan in andere koraalfantasieën van dit type
onderscheiden vocale en instrumentale passages zich van elkaar: de
karakteristieke motieven van het instrumentale ritornel die telkens
tussen de regels weer terugkeren, ontbreken tijdens de koorzang; de
hobo's zwijgen daarbij geheel en de strijkers spelen vluchtige op- en
neergaande loopjes die elders niet voorkomen.
Basaria (2) klinkt als een
intieme, ernstige vermaning. Dat wordt onderstreept door de welhaast
ascetische begeleiding die uitsluitend van het continuo komt dat een
quasi-ostinaat motief voortdurend herhaalt. Steeds na de schrikachtige
sextsprong op Entsetze valt
een frappante pauze, alsof de zanger zelf terugschrikt voor het
vervolg. De tweede regel van de aria citeert ongewijzigd de eerste
regel van koraalvers 2, Gott ist
dein Trost und Zuversicht, en daarbij horen we ook in de noten
van de bas, licht gevarieerd, de koraalmelodie terug. Na het middendeel
worden de eerste regels engszins gewijzigd herhaald (da-capo).
Terwijl de oorspronkelijke koraaltekst steeds het affirmatieve karakter
van een positieve geloofsbelijdenis heeft, krijgt ook het
alt-recitatief (3) van Bachs
librettist een vermanende strekking. Hij haalt er de oudtestamentische
profeet Jona c.q. Jonas bij die vergeefs voor God trachtte te vluchten
(vijf dalende tertsen!) maar uiteindelijk door hem uit de buik van een
walvis werd gered.
Strijkers en continuo begeleiden alt en tenor in hun duet (4). Op het ritme van een
gepunkteerde driekwartsmaat stappen zij waardig voort, met beherzte (kordate) schreden, de
één de ander in canon voorgaand maar hand in hand
(parallel zingend) wanneer God hen zum
Grabe f:ührt. Luchtige arpeggio's van de soloviool
illustreren dat de laatste gang hen niet zwaar valt.
Een vergelijkbaar berustend en aanvaardend affekt beheerst het accompagnato recitatief (5) van de sopraan, die daarin
wordt gesteund door lange noten van de twee hobo's; zij onderstrepen
haar "Adagio" conclusie met
expressieve figuraties. Andere commentatoren beoordelen deze sfeer als
somber en wanhopig. Tja.
Een levendige vierstemmige harmonisering van het laatste couplet (6) besluit de cantate. Bach
verduidelijkt de bovengeschetste AABA-struktuur door de laatste regels
te harmoniseren als de eerste; het brede Amen werpt daarom zijn schaduw
vooruit op de woorden versagen
en verzagen.