J. S. BACH: Der Herr ist mein getreuer Hirt (BWV 112)

Beluister deze cantate alvast
in de uitvoering door Leusink
en zijn Holland Boys Choir
Na één jaar in Leipzig te zijn werkzaam geweest als Thomaskantor en cantatecomponist, besloot Bach zijn meer dan wekelijkse cantateproduktie voort te zetten onder een extra beperking: alle cantates van zijn tweede jaargang zou hij baseren op een koraal, één van de algemeen bekende liederen uit de kerkelijke gezangenbundels. Helaas strandt dit na Pinksteren 1724 begonnen koraalcantateprojekt rond Pasen 1725, waarschijnlijk omdat de tekstdichter is overleden die Bach voorzag van op de koralen gebaseerde recitatief- en ariateksten. Om de lacunes in zijn koraalcantatejaargang op te vullen componeert Bach in latere jaren nog een tiental koraalcantates; daartoe behoort cantate 112.
Hij werd in 1731 gecomponeerd, voor de tweede zondag na Pasen (8 april), de zondag Misericordias Domini die ook wel Goede-Herderzondag werd genoemd naar de evangelielezing uit Johannes 10:12-16 waar Jezus zichzelf omschrijft als een goede herder die, anders dan een loonwerker, zijn schapen c.q. volgelingen, kent en beschermt tegen boze wolven. Na twee eerdere Goede-Herdercantates (BWV 85 en 104) baseert Bach zich nu op het koraal Der Herr ist mein getreuer Hirt dat Wolfgang Meuslin (1497-1563) in de begintijd van de Reformatie (1530) schreef als parafrase van Psalm 23; het lied werd destijds in Leipzig blijkbaar gezongen op de melodie van het Allein Gott in der Höh sei Ehr van Nikolaus Decius (1522). Zoals in zijn koraalcantates gebruikelijk vormen het eerste en laatste koraalcouplet de tekst voor een openingskoor en een slotkoraal, maar nu Bach niet meer kan beschikken over de librettist die de ‘binnencoupletten' voor hem omdicht tot recitatieven en aria's gebruikt hij ook daarvoor de oorspronkelijke koraalteksten van Meuslin; zo ontstaat een koraalcantate volgens het ouderwetse per-omnes-versus-principe waaraan geen tekstdichter te pas komt, en die dus evenveel delen heeft als het koraal verzen bevat: vijf.
Een gevolg daarvan is dat de struktuur van het koraal zich opdringt aan alle cantate delen. Het koraal heeft, zoals zovele koralen, een middeleeuwse versvorm, de Bar-vorm (onvertaalbaar): de muziek van de beide eerste regels (Stollen) wordt herhaald in de twee volgende regels; de twee Stollen, tesamen het Aufgesang vormend, worden gevolgd door een Abgesang. Samengevat: een A-A-B-struktuur. Op zo'n struktuur valt dus nooit een da-capo-aria (ABA) te baseren, en ook in een openingskoor zullen twee grote identieke gedeelten (AA) voorkomen.
1. (Vs 1) KOOR
Der Herr ist mein getreuer Hirt,
hält mich in seiner Hute,
darin mir gar nichts mangeln wird
irgend an einem Gute.
Er weidet mich ohn Unterlaß,
darauf wächst das wohlschmeckend Gras
seines heilsamen Wortes.

2.
(Vs 2) ARIA (A)
Zum reinen Wasser er mich weist,
das mich erquicken tue.
Das ist sein fronheiliger Geist,
der macht mich wohlgemute.
Er führet mich auf rechter Straß
seiner Geboten ohn Ablaß
von wegen seines Namens willen.

3.
(Vs 3) RECITATIEF (B)
Und ob ich wandert im finstern Tal,
fürcht ich kein Ungelücke
in Verfolgung, Leiden, Trübsal
und dieser Welte Tücke:
denn du bist bei mir stetiglich,
dein Stab und Stecken trösten mich,
auf dein Wort ich mich lasse.

4.
(Vs 4) ARIA / DUET (S, T)
Du bereitest für mir einen Tisch
für mein’ Feinden allenthalben,
machst mein Herze unverzagt und frisch,
mein Haupt tust du mir salben
mit deinem Geist, der Freuden Öl,
und schenkest voll ein meiner Seel
deiner geistlichen Freuden.

5.
(Versus ultimus) KORAAL
Gutes und die Barmherzigkeit
folgen mir nach im Leben,
und ich werd bleiben allezeit
im Haus des Herren eben,
auf Erd in christlicher Gemein,
und nach dem Tod da werd ich sein
bei Christo, meinem Herren.

Zoals in koraalcantates gebruikelijk is het openingskoor (1) een koraalfantasie waarin de sopraan de zeven regels tekst en melodie van het koraal achtereenvolgens in lange noten zingt, in zeven passages die worden ingeleid, verbonden en afgesloten met een concertant instrumentaal ritornel. In het instrumentarium representeren de twee hoorns het HEER-lijke en de hobo's het pastoraal, HERDER-lijke. De eerste vijf stijgende noten van de koraalmelodie domineren de muziek, zowel de instrumentale begeleiding als de motieven waarmee de begeleidende zangstemmen, elkaar imiterend, de sopraan ondersteunen. Het hele stuk is opmerkelijk compact: geen tekstherhaling in de zangstemmen, de begeleidende stemmen volgen de sopraan en gaan nooit voorop, de instrumentale tussenspelen zijn kort, het volledige ritornel klinkt slechts aan het begin, aan het eind en tussen de twee Stollen. Het openingskoor blijft daardoor in verhouding tot de cantate als geheel, die immers slechts vijf delen omvat en minder dan een kwartier duurt. (In 1725 componeerde Bach al een koraalfantasie op dezelfde melodie, voor het openingskoor van BWV 128.)
Aria (2), Zum reinen Wasser er mich weist, handhaaft de pastorale sfeer. Een solo van de hobo d'amore, als was het een herder met zijn schalmei, attendeert de Seele (alt) liefdevol op koel stromend water. Omdat de tekstdichter (Meuslin) in zijn bewerking van de joods-hebreeuwse tekst de - daaraan vreemde, want christelijk, nieuw-testamentische - Heilige Geest (Geist, fronheilig = van de heilige Heer) introduceert wordt het water symbool voor de Geest. Onophoudelijk stromen de zestienden in de hobo, als een murmelende beek. Door thematische bijdragen van het continuo is het stuk veeleer een trio dan een duet.
Het derde koraalvers zet Bach als een recitatief (3) voor de bas; de cesuur tussen 1e en 2e Stollen vinden we terug in de overgang van een eerste, slechts door continuo (secco) begeleid arioso gedeelte naar een vrij gereciteerd maar door strijkers begeleid tweede deel. Het ritmische arioso-gedeelte wordt gekenmerkt door een zelfverzekerd wandelend motief dat het continuo vijfmaal herhaalt, maar dat bij de bassolist (die het motief driemaal zingt) wordt gevolgd door een droeve, overmatige sextsprong im finstern Tal, het duistere dal in. In het tweede, accompagnato gedeelte kleuren strijkers-akkoorden aanvankelijk de woorden Verfolgung, Leiden en Trübsal met sombere harmonieën maar ze onderstrepen vervolgens evenzeer de vertroosting door Gods betrouwbaar woord met meer majeure klanken.
Dankbaarheid voor de zorg van hun Heer tekent het duet (4) van sopraan en tenor. Het syncopisch thema dat het volledige strijkorkest introduceert klinkt unversagt und frisch; de noten verwijzen weer naar het begin van de koraalmelodie. Sopraan en tenor imiteren elkaar in een vereenvoudigde versie van het thema dat de strijkers hen aanreiken. Het vlotte, dansante tempo is de 2/2 maat van een bourrée, en ook de periodische, uit eenheden van 18 maten opgebouwde struktuur is die van een dans. Een samengaan van twee hoge stemmen, sopraan en tenor, is bij Bach de minst gebruikelijke duet-combinatie die hier echter een rolwisseling tussen beide solisten mogelijk maakt in de tweede Stollen die verder muzikaal identiek is aan de eerste.
De cantate besluit met een, als altijd weer verrassende, vierstemmige harmonisering van het vijfde en laatste koraalvers (5), waarin de tekstdichter opnieuw het oud-testamentische Haus des Herren herinterpreteert tot nieuw-testamentische christliche Gemeinde. Terwijl de eerste hoorn de sopraan volgt, krijgt de tweede hoorn een zelfstandige partij omdat zijn beperkte notenvoorraad hem, in tegenstelling tot de tweede viool en de tweede hobo, niet toestaat de altpartij te volgen. Merk op hoe we bij und nach dem Tod ook harmonisch in een andere wereld terecht komen.
omhoog


© Eduard van Hengel