Op 7 juni 2005 verrijkte de Duitse
muziekwetenschapper
Michael
Maul van het Bach-Institut Leipzig de wereld met een nieuwe,
toevallig opgedoken compositie van J.S.Bach, die even toevallig zojuist
gespaard was gebleven uit de vernietigende brand in de Anna-Amalia
Bibliotheek te Weimar omdat de boekenrestaurateur geïnteresseerd
was in de kostbare brokaatpapieren band ervan. Deze band die
driehonderd jaar onaangeroerd had berust in de nalatenschap van Bachs
werkgever te Weimar, graaf Wilhelm Ernst van Saksen-Weimar, behelsde
een
lofdicht, voor de 52-ste verjaardag van de graaf (30 oktober 1713),
geschreven door Johann Anton Mylius, een predikant uit de buurt van
Weimar. Op twee blanco gebleven laatste pagina's stond muziek voor deze
tekst genoteerd, een
Aria Soprano
Solo è Ritornello, anoniem, maar in het onmiskenbare
handschrift van J.S.Bach.
Dat Mylius' poëtische pluimstrijkerij uit twaalf coupletten
bestaat plaatste de 28-jarige Bach wel voor een muzikaal vormprobleem.
(Herinner u hoe hij in Cantate 198 van vorige maand de strofische
struktuur van Gottscheds Trauerode verkoos te negeren.) Bach schrijft
in eerste aanleg een lied voor sopraan en basso continuo (dat dus
gewoon twaalf maal herhaald kan worden) maar voegt er een instrumentaal
voorspel aan toe, en een leuk tussenspel (
ritornel) waaraan ook nog twee
violen en een altviool te pas komen die het hoofdthema imitatief
verwerken. Het resultaat wordt een ‘strofische aria' genoemd, een
verder in Bachs oeuvre non-existent genre. Zelfs Bach-specialisten
vroegen zich openlijk af of de graaf de ogen had weten open te houden
gedurende dit 12 x 4 = 48 minuten durende gelegenheidswerkje, en de -
door Gardiner en Koopman - haastig geplande opnamen van deze eerste
vocale Bach-ontdekking sinds 70 jaar beperkten zich dan ook tot een
willekeurige drie
à vier coupletten. Toch vormen de twaalf coupletten wel degelijk
één geheel, het hadden er geen 8 of dertien kunnen zijn,
althans in de tekst niet. In de tweede (en zevende) regel van elk der
twaalf coupletten wordt graaf Wilhelm Ernst namelijk een nieuw type
zegen toegedacht en de beginletters van al die zegeningen vormen een
acrostichon op zijn naam:
Wundersegen,
Jesus' Segen,
Landessegen,
Himmelssegen etc.
De titel van het ‘lied', die in alle eerste en achtste regels wordt
herhaald,
Alles mit Gott und
nichts ohn' ihn is de Duitse vertaling van de lijfspreuk van de
graaf
"Omnia cum Deo et nihil sine eo". Bach wilde bij al deze
dichterlijke symboliek niet achterblijven. Hij accentueert de
acrostichon-woorden door bij eerste weergave het tweede en derde woord
van 2e en 7e regel te verwisselen, en schrijft een instrumentale
inleiding van 52 noten, het aantal kaarsjes op des graven
verjaardagstaart.
De Swaen wil recht doen aan het acrostichon-karakter van de tekst, maar
toch ook uw uithoudingsvermogen niet te zeer op de proef stellen.
Daarom beperken wij ons tot de initialen W. en E., en voeren derhalve
de coupletten 1 en 8 uit.
