De Bach-cantates die
De Swaen
dit seizoen uitvoert
behoren allen tot Bachs tweede Leipziger jaargang, een reeks cantates
die Bach volgens eenzelfde stramien wilde componeren: aan elke cantate
liggen tekst en melodie ten grondslag van één van de
kerkliederen uit de toenmalige Lutherse gezangenbundel.
Wanneer wij met BWV 114, een cantate voor de 17e zondag na Trinitatis
(1 oktober 1724), instappen in deze reeks heeft Bach er reeds 16
afgeleverd. Met zijn - anonieme - tekstdichter sprak hij af dat de
teksten van het eerste en laatste koraal-couplet onveranderd zouden
worden gebruikt voor een openingskoor en een vierstemmig slotkoraal, de
tussenliggende coupletten zouden, afhankelijk van hun aantal
gecomprimeerd of geëxpandeerd, worden omgedicht tot aria- en
recitatiefteksten.
Het koraal
Ach, lieben Christen,
seid getrost (Joh. Gigas, 1651), grondslag en dus titel van BWV
114, werd gezongen op dezelfde melodie als Telemanns slotkoraal, een
melodie die ‘eigenlijk' toebehoort aan nog weer een derde koraal, het
oudste, uit 1524 daterende
Wo Gott
der Herr nicht bei uns hält; Bach gebruikte dit lied negen
weken eerder voor een andere koraalcantate; de melodie klinkt in drie
delen van deze cantate. De tekst van het lied dat meestal als boete-
en/of troostlied werd gezongen heeft geen duidelijke relatie met het
evangelie van de dag. De instrumentale basisbezetting (2 hobo's, 2
violen, altviool en continuo) wordt in drie delen uitgebreid met een
hoorn c.q. een traverso, die in Bachs uitvoering waarschijnlijk door
dezelfde persoon werden bespeeld.
De tekst van het openingskoor
(1)
is een schuldbekentenis en een oproep
tot aanvaarding van het lijden als straf voor de zonde. De terts- en
kwintsprong waarmee het levendige instrumentale voorspel begint
verwijzen naar de sprongen in de koraalmelodie, die vervolgens als
cantus firmus regel voor regel in
lange noten wordt gezongen door (zoals meestal) de sopraan, gesteund
door een hoorn. De sterk ritmisch geprofileerde orkestbegeleiding
handhaaft zich voortdurend als een geagiteerde achtergrond die
kontrasteert met de troostvolle muziek van het koor: de opwinding en
onrust van het dagelijks leven als achtergrond voor rustgevende
geloofszekerheid.
Terwijl de sopraan en het orkest de muziek van de eerste twee regels,
inclusief het instrumentale voorspel, ongewijzigd herhalen zingen de
begeleidende koorstemmen andere noten, eerst ter illustratie van de
woorden
lieben,
getrost en
verzagen (= wanhopen), en daarna
van
heimsuchen (= kwellen) en
tenslotte akkoordisch
von Herzen,
als één man/vrouw.
Reeds voor de tenor in aria
(2)
een woord heeft gezongen heeft de
virtuoze traversopartij al in lange, zoekende melisma's de
uitzichtloosheid geschetst van het aardse
Jammerthal. Het kontrasterende,
optimistische middendeel,
vivace
en in majeur toonsoorten, geeft het antwoord, maar met
sonst weiß ich aus noch ein
keert het begin onverkort weer terug, en niet alleen omdat Bach zich -
sinds kort - verplicht voelt het da-capoprincipe streng te volgen. De
veeleisende fluitpartij illustreert dat Bach sinds medio ‘24 over een
bekwame traverso-speler beschikt, zoals daarentegen koraal
(4) en
naburige cantates uit deze periode tonen dat hij van zijn sopraansolist
nog niet veel meer dan een koraalmelodie kan vergen.
Het recitatief
(3)
parafraseert geen koraalvers maar de evangelielezing
van de dag: Lucas 14: 1-11, de genezing van een aan ‘waterzucht'
(oedeem) lijdende man en een pleidooi voor nederigheid, en de bas
fungeert, zoals vaak, als
Vox Christi
die hier de gelovige zondaar (
"du")
toespreekt die zich verschuilt achter
schwülstige
(pathetische, hooghartige) gebaren.
Het
seccorecitatief verdicht
zich tot
arioso ter
onderstreping van het woord
erniedrigt.
Koraalvers 3 dient ongewijzigd als tekst voor deel
(4), het centrum en
inhoudelijk scharnierpunt van de cantate dat evenwel muzikaal nederig,
om niet te zeggen ‘schraal' van vorm is. De sopraan zingt, in zijn/haar
vertrouwde rol als hooggestemde ‘gläubige Seele'(
Anima), nauwelijks versierd,
dezelfde koraalmelodie als in de delen 1 en 7; de wat korrelige
continuo-begeleiding maakt zaaiende gebaren maar komt niet tot bloei.
Begeleid door een solo-hobo, strijkers en continuo stapt de alt
(5) als
eenvoudige aardse gelovige gerustgesteld voort in ongecompliceerde
harmonieën, onwankelbaar en zelfverzekerd. Bij
Es muß ja so einmal gestorben sein
(de librettist kwam blijkbaar wat lettergrepen tekort) wijkt het
overheersende Bes-groot kortstondig voor wat duisterder
mineur-toonsoorten.
Een slechts door continuo begeleid (‘
secco')
recitatief van de tenor
(6) voert
naar het slotkoraal
(7)
waarvan de
harmonisering de bas gelegenheid geeft om in een over anderhalf oktaaf
stijgende lijn de onvermijdelijke komst van de dood nog eens te
schetsen.
(De Swaen,23-24/9/2006)
