J. S. BACH: Mit Fried und Freud ich fahr dahin (BWV 125)

Beluister deze cantate alvast
in de uitvoering door Leusink
en zijn Holland Boys Choir
BWV 125 is een zogeheten koraal-cantate, in zijn geheel gebouwd op de melodie en de vier coupletten van Luthers koraal Mit Fried und Freud ich fahr dahin (1524). Hij werd geschreven voor vrijdag 2 februari, 40 dagen na Kerstmis,  het feest van Maria Reiniging of Maria Lichtmis.
De katholieke Lichtmis (Candlemas), waarop kaarsen worden gezegend, verwijst naar de voor-christelijke lichtfeesten die de lange winternacht begrenzen en ten onzent op de Vrije Scholen nog wel gevierd worden: 40 dagen vóór midwinter, op St Maarten (11 november) gaan de kaarsen aan, 2x40 dagen later, op 2 februari, is het weer zo licht dat ze uit kunnen.
Voor een begrip van de cantate moeten we echter te rade bij de joodse traditie die in de bijbel aan het woord komt. Die traditie, de wetten van Mozes, beschouwt de vrouw die een zoon gebaard heeft (i.c. Maria, de moeder van Jezus) als 40 dagen onrein, waarna ze zich in de tempel moet vervoegen om een rituele reiniging te ondergaan en bovendien een eerstgeboren zoon aan de priesters voor te stellen. Bij die gelegenheid, zo verhaalt het evangelie dat op deze dag wordt gelezen (Lucas 2:22-32) wordt de kleine Jezus door een aanwezige oude man, Simeon, herkend als de door God beloofde Heiland. Simeon - aan wie beloofd was dat hij pas zou sterven als hij de Heiland had gezien - uit zijn vreugde daarover in het zogenaamde ‘loflied van Simeon' (Canticum Simeonis), één van de drie nieuw-testamentische lofzangen (naast die van Zacharias (Benedictus) en het Magnificat van Maria) die veelvuldig op muziek zijn gezet.
De tekst daarvan, die aan de cantate van vandaag ten grondslag ligt, beslaat in de bijbel vier verzen, kort samengevat:
1. ik kan nu getroost sterven
2. want ik heb de verlosser gezien
3. die God voor alle volkeren heeft gezonden,
4. als een licht voor alle ongelovigen, en tot vreugde van het volk Israel,
woorden die naar allerlei oud-testamentische voorspellingen verwijzen.

In Luthers bijbelvertaling begint deze tekst met de woorden HERR, nun läßt du deinen Diener in Frieden fahren, woorden waarop o.m. Schütz, Mendelssohn en Brahms composities baseerden. In het Latijn luidt dit ‘Laat mij nu maar gaan' Nunc dimittis servum tuum, Domine wat in het romeinse missaal opduikt aan het eind van de completen, en als zodanig ook vaak is getoonzet.

Luther bewerkte in 1524 Simeons vierregelige lofzang tot een lied van vier coupletten, beginnende met de woorden Mit Fried und Freud ich fahr dahin. Zoals in zijn meeste koraalcantates volgt Bach ook in BWV 125 Luthers koraaltekst op de voet: couplet 1 vormt de tekst van het openingskoor. De bas zingt in het recitatief nr.3 de letterlijke tekst van couplet 2, en ook op de koraalmelodie, maar deze tekst is doorschoten met vrij gedichte, commentariërende zinsneden. De teksten van aria (4) en recitatief (5) zijn vrije bewerkingen van couplet 3.
1. KOOR
Mit Fried und Freud ich fahr dahin
In Gottes Willen;
Getrost ist mir mein Herz und Sinn,
Sanft und stille;
Wie Gott mir verheißen hat,
Der Tod ist mein Schlaf worden.

2. ARIA (A)

Ich will auch mit gebrochnen Augen
Nach dir, mein treuer Heiland, sehn.
   Wenngleich des Leibes Bau zerbricht/[fällt],
   Doch fällt mein Herz und Hoffen nicht.
   Mein Jesus sieht auf mich im Sterben
   Und lässet mir kein Leid geschehn.

3. RECITATIEF; KORAAL (B)
O Wunder, daß ein Herz
Vor der dem Fleisch verhaßten Gruft und gar des Todes Schmerz
Sich nicht entsetzet!
Das macht Christus, wahr' Gottes Sohn,
Der treue Heiland,

Der auf dem Sterbebette schon
Mit Himmelssüßigkeit den Geist ergötzet,
Den du mich, Herr, hast sehen lahn,
Da in erfüllter Zeit ein Glaubensarm das Heil des Herrn umfinge;
Und machst bekannt
Von dem erhabnen Gott,
dem Schöpfer aller Dinge
Daß er sei das Leben und Heil,
Der Menschen Trost und Teil,
Ihr Retter vom Verderben
Im Tod und auch im Sterben.

4. ARIA (T, B)
Ein unbegreiflich Licht erfüllt
Den ganzen Kreis der Erden.
   Es schallet kräftig fort und fort
   Ein höchst erwünscht Verheißungswort:
   Wer glaubt, soll selig werden.

5. RECITATIEF (A)
O unerschöpfter Schatz der Güte,
So sich uns Menschen aufgetan:
Es wird der Welt,
So Zorn und Fluch auf sich geladen,
Ein Stuhl der Gnaden
Und Siegeszeichen aufgestellt,
Und jedes gläubige Gemüte
Wird in sein Gnadenreich geladen.

6. KORAAL
Er ist das Heil und selig Licht
Für die Heiden,
Zu erleuchten, die dich kennen nicht,
Und zu weiden.
Er ist deins Volks Israel
Der Preis, Ehr, Freud und Wonne.
Het openingskoor is een grote koraalbewerking, van een veel voorkomend type: de sopraan zingt in lange noten de koraalmelodie (ondersteund door de hoorn), en de andere, vocale en instrumentale stemmen spelen daar vrije figuraties omheen. Die ‘vrije' melodietjes zijn in zulke koraalbewerkingen nooit zo vrij gekozen als je wel denkt, maar altijd op een of andere manier afgeleid van de koraalmelodie zelf. Vandaag bijvoorbeeld begint die koraalmelodie met een opvallende kwintsprong, en het melodietje wat daar in (1) voortdurend tegenover wordt gezet is eigenlijk diezelfde kwintsprong, maar dan opgevuld met wat versieringen.
Enige tijd later stapelt de fluit zelfs twee van zulke versierde kwintsprongen op elkaar (m.39):
Dat figuurtje ligt dus, in alle toonaarden aan de omspelingen van de koraalmelodie ten grondslag. En u hoort ook al direct het wiegende, wat pastorale, rustgevende 12/8 ritme, het dahinfahren lijkt fladderend of klapwiekend te geschieden.
Interessant is trouwens dat deze beweging tweemaal stagneert in het koor: bij de wat intiemere 4e regel (sanft und stille) en de laatste regel (Der Tod ist mein Schlaf worden) waar er een heel ingewikkelde harmonische wending voor in de plaats komt, die helaas niet herhaald wordt, u bent gewaarschuwd. Die regels krijgen daardoor nadrukkelijk een introverter, ingetogen en verstild karakter.

Iets dergelijks gebeurt verderop in de cantate nog een paar keer.
*    In de galante, wat Frans aandoende aria (2) maakt de alt, zoals gewoonlijk de prototypische gelovige, zich de woorden van Simeon eigen, en illustreert het moment dat haar ogen zullen breken met een voortdurend gebroken vocale lijn, maar die beweeglijke zang komt bij herhaling ongeveer tot stilstand op de zeer lage noten van Sterben.
*    Het dramatisch bas-recitatief (3) .wordt doorschoten met de rustgevende tekst en melodie van koraalvers 2. En weer wijkt aan het eind, bij Tod und Sterben het snelle, verwondering uitdrukkende strijkersmotiefje voor een moeizame harmonische gang.

Na drie donkere, langzame en introverte delen breekt stralend licht door in de duisternis.met het uitgelaten tenor/bas-duet (4), begeleid door een briljant violenpaar. Het Es schallet echoot van de een naar de ander.
In het secco-recitatief (5) van de alt maakt deze zich opnieuw, namens uns Menschen de implikaties bewust van de koraaltekst voor ieders glaubige Gemüthe. De cantate eindigt (6) met een eenvoudig vierstemmige harmonisering van het vierde en laatste vers van Luthers koraal.
omhoog


© Eduard van Hengel