J.S.Bach: Mit Fried und Freud ich fahr dahin (BWV 125)

Beluister deze Bachcantate alvast
in de uitvoering door Leusink en
zijn Holland Boys Choir

Niet-uitgesproken inleiding Utrechtse Bach-Cantatediensten, Geertekerk, 5 februari 2006

Het zal u niet zijn ontgaan dat er de laatste twintig, dertig jaar ijverig wordt geprobeerd de oude klank van de barokmuziek weer terug te krijgen: koren van 4 of 8 zangers, strijkinstrumenten met darmsnaren, celli zonder punt, fluiten en hobo's zonder kleppen, hoorns zonder ventielen, zelfs orgels die met de hand of een balgentreder van wind worden voorzien, en alles een halve toon lager gestemd of nog anders, en zeker niet gelijkzwevend. Daar hebt u hier niet veel last van, wij roeien met de riemen die we hebben, dat deed Bach tenslotte ook, maar wij doen wel wat anders.
Bij al die historische reconstructie wordt wel eens vergeten dat één ding gedurende de afgelopen eeuwen reddeloos is verloren gegaan, te weten: de toehoorders, met hun oren van drie eeuwen geleden, hun kennis en hun verwachtingen. Daar leveren wij onze bijdrage.
Wie hier staat krijgt tien minuten de tijd om u bij te praten, over die kloof van drie eeuwen. Bachs publiek had weliswaar nog nooit van Wagner, Mendelssohn of Strawinsky gehoord, maar ze wisten en kenden wel allerlei andere dingen, waarop de componist Bach kon inspelen en waardoor zijn publiek dingen herkende, opmerkte of verrast kon worden, anders dan  u.
U hebt daarin op één punt inmiddels nuttige vooruitgang geboekt door het slotkoraal in te studeren; nuttig in het bijzonder omdat de cantate van vandaag een zogenaamde koraal-cantate is, in zijn geheel gebouwd op de melodie en de vier coupletten van Luthers koraal Mit Fried und Freud ich fahr dahin (1524), waarvan u het laatste zojuist hebt gezongen.
U weet dat Bach het zich na zijn aantreden in Leipzig (1723) niet makkelijk maakte: hij verplichtte zich elke week een nieuwe, eigen cantate te schrijven. Na de eerste jaargang deed hij er nog een schepje bovenop, door zich een nieuwe beperking op te leggen: hij zou voor elke zondag v/h kerkelijk jaar (feestdagen incluis 65 in getal) een cantate schrijven op basis van tekst en melodie van één van de bekende koralen uit het kerkelijk liedboek. Nu kon hij niet meer - zoals in het eerste jaar - wel eens terugvallen op stukken die hij al eerder in Weimar had gebruikt. Voor eind januari 1725 betekende dit dat op zondag 28 januari koraalcantate 92 in première ging, de zondag erna (4 febr.) cantate 126, maar dat hij tussendoor op vrijdag 2 februari ook nog de cantate van vandaag afleverde, want 2 februari (40 dagen na Kerstmis) was een vaste feestdag, het feest van Maria Reiniging of Maria Lichtmis.
De katholieke Lichtmis (Candlemas), waarop kaarsen worden gezegend, verwijst naar de voor-christelijke lichtfeesten die de lange winternacht begrenzen en ten onzent op de Vrije Scholen nog wel gevierd worden: 40 dagen vóór midwinter, op St Maarten (11 november) gaan de kaarsen aan, 2x40 dagen later, op 2 februari, is het weer zo licht dat ze uit kunnen.
Voor een begrip van onze cantate moeten we echter te rade bij de joodse traditie die in de bijbel aan het woord komt. Die traditie, de wetten van Mozes, beschouwt de vrouw die een zoon gebaard heeft (i.c. Maria, de moeder van Jezus) als 40 dagen onrein, waarna ze zich in de tempel moet vervoegen om een rituele reiniging te ondergaan en schrijft bovendien voor dat elke eerstgeboren zoon a/d priesters wordt voorgesteld. Bij die gelegenheid, zo verhaalt het evangelie dat op deze dag wordt gelezen (Lucas 2:22-32) wordt de kleine Jezus door een aanwezige oude man, Simeon, herkend als de door God beloofde Heiland. Simeon - aan wie beloofd was dat hij pas zou sterven als hij de Heiland had gezien - uit zijn vreugde daarover in het zogenaamde ‘loflied van Simeon' (Canticum Simeonis), één van de drie nieuw-testamentische lofzangen (naast die van Zacharias (Benedictus) en het Magnificat van Maria) die veelvuldig op muziek zijn gezet.
De tekst daarvan, die aan de cantate van vandaag ten grondslag ligt, beslaat in de bijbel vier verzen, kort samengevat:
1. ik kan nu getroost sterven
2. want ik heb de verlosser gezien
3. die God voor alle volkeren heeft gezonden,
4. als een licht voor alle ongelovigen, en tot vreugde van het volk Israel.
woorden die naar allerlei oud-testamentische voorspellingen verwijzen.

In Luthers bijbelvertaling begint deze tekst met de woorden HERR, nun läßt du deinen Diener in Frieden fahren, woorden waarop o.m. Schütz, Mendelssohn en Brahms composities baseerden. In het Latijn luidt dit ‘Laat mij nu maar gaan' Nunc dimittis servum tuum, Domine wat in het romeinse missaal opduikt a/h eind van de completen, en als zodanig ook vaak is getoonzet.

Luther bewerkte in 1524 Simeons vierregelige lofzang tot een lied van vier coupletten, beginnende met de woorden Mit Fried und Freud ich fahr dahin, en met de melodie die u zojuist hebt gezongen. Zoals in zijn meeste koraalcantates volgt Bach ook in BWV 125 Luthers koraaltekst op de voet. Op uw tekstblad is dat zichtbaar gemaakt: couplet 1 vormt de tekst van het openingskoor. De bas zingt in het recitatief nr.3 de letterlijke tekst van couplet 2, en ook op de koraalmelodie, maar deze tekst is doorschoten met vrij gedichte, commentariërende zinsneden. De teksten van aria (4) en recitatief (5) zijn vrije bewerkingen van couplet 3.

Het openingskoor is een grote koraalbewerking, van een veel voorkomend type: de sopranen zingen in lange noten de koraalmelodie (vandaag ondersteund door de hoorn), en de andere, vocale en instrumentale stemmen spelen daar vrije figuraties omheen. Ook volgende maand hoort u hier een dergelijke koraalbewerking wanneer het slotkoor van het 1e deel van de Matthäus-Passion wordt uitgevoerd. De koraalmelodie kent u inmiddels, daarom wilde ik u even attenderen op die ‘vrije' melodietjes eromheen. Die zijn in zulke koraalbewerkingen eigenlijk nooit zo vrij gekozen als je wel denkt, maar altijd op een of andere manier afgeleid van de koraalmelodie zelf. Vandaag bijvoorbeeld begint die koraalmelodie met een opvallende kwintsprong (waarop u zojuist Er ist zong), en het melodietje wat daar in nr.1 voortdurend tegenover wordt gezet is eigenlijk diezelfde kwintsprong, maar dan opgevuld met wat versieringen.
Ik laat u dat even horen door de fluit te vragen zijn eerste zes noten even te spelen.

Enige tijd later stapelt de fluit zelfs twee van zulke versierde kwintsprongen op elkaar (m.39):

Dat figuurtje ligt dus, in alle toonaarden aan de omspelingen van de koraalmelodie ten grondslag. En u hoort ook al direct het wiegende, wat pastorale, rustgevende 12/8 ritme, het dahinfahren lijkt fladderend of klapwiekend te geschieden.
Interessant is trouwens dat deze beweging tweemaal stagneert in het koor: bij de wat intiemere 4e regel (sanft und stille) en de laatste regel (Der Tod ist mein Schlaf worden) waar er een heel ingewikkelde harmonische wending voor in de plaats komt, die helaas niet herhaald wordt, u bent gewaarschuwd. Die regels krijgen daardoor nadrukkelijk een introverter, ingetogen en verstild karakter.

Iets dergelijks gebeurt verderop in de cantate nog een paar keer.
*    In de galante, wat Frans aandoende aria nr.2 maakt de alt, zoals gewoonlijk de prototypische gelovige, zich de woorden van Simeon eigen, en illustreert het moment dat haar ogen zullen breken met een voortdurend gebroken vocale lijn, maar die beweeglijke zang komt bij herhaling ongeveer tot stilstand op de zeer lage noten van Sterben.
*    Het dramatisch bas-recitatief (3) .wordt doorschoten met de rustgevende tekst en melodie van koraalvers 2. En weer wijkt aan het eind, bij Tod und Sterben het snelle, verwondering uitdrukkende strijkersmotiefje voor een moeizame harmonische gang.

Na drie donkere, langzame en introverte delen breekt stralend licht door in de duisternis.met het uitgelaten tenor/bas-duet (4), begeleid door een briljant violenpaar. Het Es schallet echoot van de een naar de ander.
In het secco-recitatief (5) van de alt maakt deze zich opnieuw, namens uns Menschen de implikaties bewust van de koraaltekst voor ieders glaubige Gemùthe. De cantate eindigt (6) met een eenvoudig vierstemmige harmonisering van het vierde en laatste vers van Luthers koraal

Mit Fried und Freud und Freud ich fahr dahin: het lijkt of we, nauwelijks zes weken na Kerstmis al weer zijn terechtgekomen in dat typisch 18e eeuwse Lutherse doodsverlangen: sterven als de snelste route naar Jezus.
Maar misschien gaat deze tekst toch wel meer over het leven dan over de dood.
Ik heb daarvoor twee aanwijzingen.
In de eerste plaats: Simeon wordt altijd voorgesteld als een oude man, een grijsaard wie niets anders meer rest dan te sterven. Maar dat staat eigenlijk nergens. Misschien was hij wel een man in de kracht van zijn leven die, constaterend dat God zijn woord houdt, verklaart dat hij nu vol vertrouwen zijn leven aan kan.
In de tweede plaats: de wens "Gaat dan heen in vrede" is niet specifiek een vaarwel jegens een stervende, het is een bemoedigende groet die wekelijks door predikanten en pastores aan het slot van een eredienst wordt uitgesproken, zonder de restrictie "voor het geval u binnenkort overlijdt".
Daarom ben ik geneigd Bachs rustgevende en troostende muziek te interpreteren als een nuchtere, vanzelfsprekende erkenning van de eindigheid van het leven, de dood is onschuldig als de slaap, dat is geen berustende constatering maar een activerende.
Erkenning v/d eindigheid van het bestaan impliceert dat de ons ter beschikking staande tijd beperkt is. In 70, 80 jaar moet ‘t wel gedaan zijn. Er kan dus tijd vermorst worden, het doen van de dingen waar het in het leven werkelijk om gaat kan niet straffeloos tot morgen worden uitgesteld.Wie wil deelhebben aan de eeuwigheid, d.w.z. deelnemen aan wat reeds voor onze geboorte in gang was en na onze dood zal voortgaan, het ‘projekt mensheid' dat de levens van elk van ons afzonderlijk overstijgt, hij moet de daad bij het woord voegen. Mit Fried und Freud ertegenaan.