Bach begon zijn jaargang ‘koraalcantates' met Trinitatis
(Drievuldigheidszondag) 1724, de
zondag na Pinksteren. Uit het feit dat hij na Pasen 1725 geen
koraalcantates meer schrijft zoals hij er tot aan de vastentijd veertig
produceerde, hebben wij moeten concluderen dat hem eind januari
waarschijnlijk onverwacht de tekstschrijver ontvallen is op wiens
medewerking hij in dit projekt was aangewezen. Vanaf Pasen 1725
schrijft hij negen cantates op teksten van zijn toen dertig jaar oude
stadgenote Christiane Mariane von Ziegler, dochter van Leipzigs
voormalige burgemeester Romanus. Maar haar teksten vloeiden niet voort
uit enige samenwerking met Bach, en wanneer twee ervan (waaronder die
van vandaag) toevallig verband houden met een koraal doen ze dat niet
op de manier die Bach bij zijn koraalcantates voor ogen stond.
BWV 128,
Auf Christi Himmelfahrt
allein schreef Bach voor Hemelvaart (10 mei) 1725 en hoewel
deze cantate nog wel opent met een koraalfantasie van het uit de
koraalcantates vertrouwde type, is de cantate als geheel geen
´echte´ koraalcantate: het slot is een vers van een
ànder koraal, en de aria- en recitatiefteksten zijn geen
herdichtingen van de binnen-coupletten van enig koraal. Toch rekende
Bach BWV 128 wel tot zijn koraalcantatejaargang, evenals latere
cantates waarmee hij lacunes daarin opvulde zonder dat het ideaaltype
dat hij veertig cantates lang volgde ooit nog terugkeerde.
Doordat Von Ziegler haar teksten in 1728 zelfstandig in een
verzamelbundel publiceerde kunnen we nu een keer over de schouder van
de componist meekijken naar Bachs weinig zachtzinnige ingrepen in haar
tekst en begrijpen waarom hij dat doet. (zie onderstaande
tekstvergelijking.)
Het juichende openingskoor
(1)
is een grote koraalfantasie op het eerste vers van het koraal
Auf Christi Himmelfahrt allein dat
Ernst Sonnemann in 1661 schreef op de veel oudere melodie die
Nikolaus Decius in 1524 componeerde voor het
Allein Gott in der Höh' sei Ehr,
het
Gloria van Luthers
Deutsche Messe.
De structuur is zoals gebruikelijk: het orkest - naast strijkers
feestelijk bezet met twee hoorns
en drie hobo's - speelt een doorgaande concertante partij waarin voor
de zeven regels van het koraal zeven vocale
passages zijn gehangen waarin de sopraan in lange noten (
cantus firmus) de koraalmelodie
zingt terwijl de overige drie stemmen dat, elkaar motetachtig
imiterend, ondersteunen.

In dit stralende stuk zijn vrijwel alle, voortdurend opgaande motiefjes
gebaseerd op de eerste vijf noten van de koraalmelodie (g, a, b, c, d;
Vb.1),
een
opgevulde kwint (
pentachord)
die als naar boven, naar de hemel wijzend gebaar ongetwijfeld
Sonnemanns melodiekeuze voor zijn hemelvaartslied bepaalde. Eerst horen
we dit
pentachord in het
snelle begeleidende motiefje waarmee de feestelijke instrumentale
inleiding begint en dat voortdurend aan de orde zal blijven (Vb.2);
vervolgens
bepaalt het ook de hoofdnoten van het fugathema dat het instrumentale
ritornel domineert; het verschijnt achtereenvolgens in de 1e en 2e
violen, de altviool, het continuo en de hoorn en keert vervolgens nu en
dan terug in de instrumentale tussenspelen.. En ten
slotte
bepaalt het ook de canonische contrapunten waarmee de drie lage stemmen
de sopraan begeleiden;
alleen in de laatste regel is de richting daarvan omgekeerd: van de
hemel naar de navolging hier op aarde.
Het tenor-recitatief
(2) belicht de ambivalentie van de
Hemelvaart, die immers de apostelen achterliet met de zekerheid dat
Jezus' incidentele verschijningen na zijn opstanding (Emmaüs,
achter gesloten deuren van een huiskamer) definitief voorbij zijn (
Jammer, Angst, Pein).
Na dit recitatief volgen, zeer ongebruikelijk, twee aria's op rij, maar
dat is slechts schijn. Mariane von Zieglers tekst vermeldt tussen de
basaria (3) en het duet (4) keurig een recitatief dat Bach echter in de
aria heeft ingebouwd door invoeging van de nergens op rijmende regel
wo mein Erlöser lebt. Hij
bereikt daarmee dat ná het recitatief nog als da-capo de
instrumentale inleiding van de aria kan volgen, waardoor de
contrasterende karakters van aria en duet directer tegenover elkaar
staan. Ook de laatste twee, evenmin rijmende, regels van het recitatief
zijn toevoegingen van Bachs hand: door met het woord
ergründen vooruit te grijpen
op de tekst van duet (4) versterkt hij de samenhang der contrasterende
delen.
Na alle ten hemel wijzende motieven verschijnt in de heroïsche
basaria
(3) het bij uitstek
hemelse en koninklijke instrument, de trompet, in een virtuoze solorol,
begeleid door fanfareachtige motiefjes van de strijkers. In het korte
middendeel van de eigenlijke ariatekst (
Wer sucht mich anzufechten?)
wisselen viool en trompet van rol, alvorens de bas bij
Ist er von mir genommen geheel in
de steek te laten, tot op een laddertje omhoog van de eerste viool. Het
(ingebouwde) door strijkers begeleide recitatief benadrukt weer
de keerzijde van de hemelvaart, de verlatenheid door Christus, die het
onmogelijk maakt nog ergens in zijn nabijheid een tentje (
Hütte) op te zetten, zoals de
discipelen destijds voorstelden bij Jezus' verheerlijking op de berg
(Matthäus 17:5).
Na de uitgelaten vreugde van de basaria geeft het ingetogen duet
(4) uitdrukking aan berusting en
tevredenheid met het verre uitzicht op Christus in zijn hooggeplaatste
zetel. In een lange, onverkorte da-capovorm speelt de liefdeshobo (
oboe d'amore) in een wiegend
6/8-ritme een bekoorlijk kwartet met het continuo en het vocalistenduo
alt/tenor. Motivisch illustreert de telkens terugkerende dalende
kwintsprong het
ergründen,
doorgronden. Het instrumentale thema gebruikte de eigenzinnige
Bach-adept Max Reger in 1904 voor zijn
Variaties en fuga op een thema van J.S.Bach
(Op.81).
Als slotkoraal
(5) fungeert de
vierde strofe van Matthäus Avenarius'
O Jesu, meine Lust uit 1673. Twee
zelfstandige hoornpartijen geven een feestelijk tintje aan de overigens
eenvoudig vierstemmige harmonisering, waarin de andere
instrumentalisten
colla parte
meespelen.
(De Swaen, 28-29/4/2007)
t e k s t v e r g e l ij k i n g
|
BACH
1. Auf Christi Himmelfahrt allein
Ich meine Nachfahrt gründe
Und allen Zweifel, Angst und Pein
Hiermit stets überwinde;
Denn weil das Haupt im Himmel
ist,
Wird seine Glieder Jesus Christ
Zu rechter Zeit nachholen.
2. Ich bin bereit, komm, hole mich!
Hier in der Welt
Ist Jammer, Angst und Pein;
Hingegen dort, in Salems Zelt,
Werd ich verkläret sein.
Da seh ich Gott
von Angesicht zu Angesicht,
Wie mir sein heilig Wort verspricht.
3. Auf, auf, mit hellem Schall
Verkündigt überall:
Mein Jesus sitzt zur Rechten!
Wer sucht mich anzufechten?
Ist er von mir genommen,
Ich werd einst dahin kommen,
Wo mein Erlöser lebt.
Mein Augen werden ihn
in größter Klarheit schauen.
O könnt ich im voraus
mir eine Hütte bauen!
Wohin? Vergebner Wunsch!
Er wohnet nicht auf Berg und Tal,
Sein Allmacht zeigt sich überall;
So schweig, verwegner Mund,
Und suche nicht dieselbe zu ergründen!
4. Sein Allmacht zu ergründen,
Wird sich kein Mensche finden,
Mein Mund verstummt und schweigt.
Ich sehe durch die Sterne,
Dass er sich schon von ferne
Zur Rechten Gottes zeigt.
5. Alsdenn so wirst du mich
Zu deiner Rechten stellen
Und mir als deinem Kind
Ein gnädig Urteil
fällen,
Mich bringen zu der Lust,
Wo deine Herrlichkeit
Ich werde schauen an
In alle Ewigkeit.
|
Mariane von Ziegler
1. Auf Christi Himmelfarth allein
ich meine Nachfarth gründe
und allen Zweifel, Angst und
Pein,
hiermit stets überwinde:
Denn weil das Haupt im Himmel
ist,
wird seine Glieder JEsus Christ
zu rechter Zeit nachhohlen.
2. Ich bin bereit, komm hohle mich.
Hier in der Welt
Ist nicht, als
Jammer, Angst und Pein;
Hingegen dort in Salems Zelt
Wird ich verklähret seyn.
Da seh ich dich
von Angesicht,
Wie mir dein heilges Wort verspricht.
3. Auf! Jubiliert mit
hellen Schall,
Verkündiget nun
überall,
Mein JEsus sitzt zur Rechten,
Wer sucht mich anzufechten?
Wird er mir gleich
weggenommen,
Wird ich doch dahin
auch kommen.
...............................................
Mein Auge wird ihn einst
in gröster Klarheit schauen.
O! könt ich schon allda
mir eine Hütte bauen;
Jedoch vergebner
Wunsch,
Er wohnet nicht auf Berg und Thal.
Sein Allmacht zeigt sich überall.
........................................................
..........................................................
4. Dein Allmacht zu
ergründen,
Wird sich kein Mensche finden,
Mein Mund verstummt und schweigt
Ich sehe durch die Sterne,
daß er sich schon von ferne
Zur Rechten seines Vaters zeigt.
5. Alsdenn so wirst du mich
zu deiner Rechten stellen,
und mir als deinen Kind
ein gnädig Urtheil
fällen,
mich bringen zu der Lust,
wo deine Herrlichkeit
ich werde schauen an
in alle Ewigkeit.
|
