J. S. Bach:  Weinen, Klagen, Sorgen, Zagen (BWV 12)

Beluister deze cantate alvast
in de uitvoering door Leusink
en zijn Holland Boys Choir

(spreektekst Utrecht, 3/5/2009)

Weinen, Klagen, Sorgen, Zagen,
    Angst und Not sind der Christen Tränenbrot
    mag het niet een onsje minder zijn?
    Of u had de titel over ‘t hoofd gezien,
    of u wist dat droevige muziek de mooiste is.
Hoe is het mogelijk dat we,
midden tussen de feestdagen Pasen en Pinksteren
al weer zover in de droefenis zitten.
met een cantate voor de 3e zondag na Pasen
die NB in het Lutherse kerkelijk jaar wordt aangeduid als Zondag Jubilate.
Toch is dat geen toeval; of vergissing
Bach componeerde voor deze zondag later nog twee andere cantates,
en die heten resp Ihr werdet weinen und heulen (1725, BWV 103) en
Wir müssen durch viel Trübsal in das Reich Gottes eingehen (1728, BWV 146),
een titel identiek aan de totale tekst van het alt-recitatief nr.3.

De verklaring voor al deze droefenis geeft
de voor deze zondag voorgeschreven evangelietekst Johannes (16:16-23):
een afscheidsrede die Jezus tot zijn discipelen zou hebben gehouden
(en die aan de andere drie evangelisten blijkbaar is ontgaan)
waarin hij aankondigt een korte tijd afwezig te zullen zijn, maar te zullen terugkeren.
    "Nog een kleine tijd en je aanschouwt mij niet meer,
    en weer een kleine tijd en je zult mij zien."
Afwezig, dat betekent dus: gekruisigd, gestorven en begraven,
daar willen die discipelen nog maar moeilijk in geloven,
maar het wordt - zo legt Jezus uit - in elk geval een periode van
Weinen & Heulen, Klagen en Sorgen,
de wereld zal je uitlachen en bespotten,
Jezus' discipelen kunnen rekenen op vijandschap & vervolging,
maar - aldus Jezus - na een korte tijd zullen jullie me weer zien,
en je droefheid zal in blijdschap verkeren
Met die korte afwezigheid lijken de Lutheranen
de periode tussen Hemelvaart & Pinksteren te bedoelen;
terwijl de evangelist Johannes (die geen Pinksteren kent)
waarschijnlijk de periode tussen kruisiging & opstanding beoogde.
Dan is er ook nog de tekst van het alt-recitatief van vandaag (Hand.14:22),
die veel Trübsal (ellende, beproevingen, verdrukkingen maar ook droefenis)
belooft voordat de gelovige het Rijk Gods kan betreden,
dan wordt dus het heden bedoeld,
de periode vóór de wederkomst van Christus aan het einde der tijden.
Dat verschil over periodes wijst trouwens niet op verwarring
die maar eens opgelost moet worden,
want theologisch blijken deze drie perioden elkaars metaforen te zijn.
Maar - hoe dan ook - de periode van verlatenheid en treurnis zal "kort"  zijn,
en dat geldt ook voor alle drie cantates voor Zondag Jubilate:
ze eindigen steeds juichend, in Freude en blijdschap.

De cantate van vandaag is een hele vroege, dat kunt u zien & horen
aan het feit dat er nog twee alt-viool partijen zijn, heel ouderwets.
Deze cantate is nl de tweede die Bach componeerde nadat hij in 1714
aan het hof van Weimar tot concertmeester was gepromoveerd,
en maandelijks een cantate moest / mocht componeren.
Ik zou zeggen "mocht" want we zien hier hoe Bach
met een overrompelende verbeeldingskracht aan het werk gaat,
er lijkt een stuwmeer van opgekropte creativiteit opengebarsten,
een frisse jonge en avontuurlijke Bach, nog geen 30, de energie spat ervan af,
de verrassingen buitelen over elkaar, het kan niet op.

De centrale tekst en het scharnierpunt in deze cantate is
het al genoemde alt-recitatief nr.3 met die korte tekst uit het boek Handelingen
die de Johannes-tekst samenvat: eerst Trübsal,
maar dan eingehen in das Reich Gottes, een reden tot grote vreugde.
Die tegenstelling komen we op alle nivo's tegen,
om te beginnen natuurlijk in de antithetische Lutherse theologia crucis:
Jezus' kruis, pijn en lijden zijn voor de christenen een grote vreugde
omdat die hen verlost van de drukkende schuld aan hun falen en tekortkomingen.

De alt legt dat dialektische dogma nog eens uit in haar aria (4)
Kreuz und Krone sind verbunden:  het kruis, Jezus' lijden,
en het uitzicht van de gelovige op eeuwig leven, vormen twee zijden van eenzelfde medaille.
Die dialektiek van bij elkaar behorende, naar elkaar verwijzende tegendelen
is natuurlijk een kolfje naar de hand van barokke componisten
die kicken op dramatische contrasten, Bach niet uitgezonderd..
Het begint al in het recitatief nr.3, dat door strijkers wordt begeleid:
terwijl de alt tot vier maal toe de nadruk legt op Trübsal,
stijgen de 1e violen langzaam maar gestaag ten hemel,
een heel oktaaf omhoog langs een optimistische C-groot toonladder (Freude),
terwijl de continuobas tegelijkertijd maar iets minder gestaag
een octaaf daalt langs de droevige c-klein ladder (Trübsal).

Maar ook over de gehele cantate ligt deze spanningsboog:
we beginnen met een sinfonia voor een klaaglijke hobo,
en eindigen met een jubelende trompet.

Het alt-recitatief is niet alleen thematisch centraal,
maar ook het strukturele middelpunt van de cantate.
Dat zie je niet meteen omdat er drie aria's op volgen
en slechts één koor aan voorafgaat, maar dat koor is zelf driedelig:
de laatste regel, die das Zeichen Jesu tragen, is een zelfstandig stuk,
waarna het eerste deel wordt herhaald.
Dat middendeel van koor (1) derhalve,
kontrasteert op zichzelf weer scherp
met de Weinende en Klagende koordelen die het omlijsten:
het is sneller, vrolijker,  geschreven in de oude motetstijl: a-cappella,
d.w.z. slechts de vocale partijen zijn uitgeschreven
maar instrumentalisten verdubbelen deze partijen colla parte.

Over dat Weinende en Klagende hoofddeel valt veel te zeggen.
Het is een beroemd stuk dat u wellicht ook snel herkent
omdat Bach de muziek hergebruikte voor het Crucifixus van zijn Hohe Messe,
d.w.z. dat hij het 35 jaar later nog een zo geslaagd stuk vond,
dat hij het recycelde tot het centrale deel van het Credo.
Qua vorm is het een chaconne of passacaglia:
een statige hofdans in langzame driekwartsmaat,
bestaande uit een reeks variaties
op een telkens weerkerende (ostinate) basfiguur van vier maten.
De cellist laat het u even horen.
Die basfiguur is niet door Bach zelf bedacht,
het is de beroemde, veelvuldig getoonzette lamento-bas, treur-bas
die in halve-toons stappen (chromatisch, "over de witte en zwarte toetsen")
een kwart naar beneden loopt,
een muzikaal-rhetorische figuur die met zijn schrijnende halve-toons afstanden
uitdrukking geeft aan smart en pijn (Angst und Not);
hij werd o.m. gebruikt door Purcell in zijn lamento van Dido
en door Monteverdi in zijn Lamento di Arianna.

Dat motief hoort u dus 12 keer,
daarboven verzorgen strijkers de harmonieën en declameert het koor de tekst.

Na de genoemde, centrale,
min of meer leerstellige uiteenzettingen van de alt, in aria en recitatief,
toont de bas in aria nr.5 dat hij heeft het begrepen
hij is de exemplarische gelovige,:
"Ich folge Jesu nach" en die Nachfolgung wordt prachtig verbeeld
door vier canonisch achter elkaar aanjagende stemmen: twee violen, continuo en de bassolist.
Ik heb de eerste drie, instrumentalisten gevraagd
om u eerst afzonderlijk hun eerste zes noten te laten horen,
en dat vervolgens een keer in canon te doen,
en ik nodig u uit om in dat melodietje iets te herkennen, namelijk:
de parmantige, zelfverzekerde eerste noten van het slotkoraal dat u zojuist hebt ingestudeerd.
    1e viool, de tweede, continuo, samen;
    en straks zingt de bas daar nog bij Ich folge Jesu nach.

De derde en laatste aria (nr.6, voor de tenor) oogt bescheiden:
de, bij tijd en wijle hoogst virtuoze tenor wordt slechts door continuo begeleid.
De verrassing die het stuk herbergt is
dat zich in dat duet plotseling de trompet meldt,
die er iets doorheen blaast dat een licht gevarieerde vorm is
van de koraalmelodie Jesu, meine Freude.
Het speciale effekt daarvan berust natuurlijk op het feit
dat Bachs kerkgangers bij die hun bekende melodie
terstond de woorden bedachten, wat - voor ons - een reden zou zijn geweest
om juist die woorden die u niet hoort maar wel meeklinken
in het programma af te drukken.
Jesu, meine Freude, / meines Herzens Weide, / Jesu, meine Zier,
ach wie lang, ach lange / ist dem Herzen bange / und verlangt nach dir!
Gottes Lamm, mein Bräutigam, / außer dir soll mir auf Erden / nichts sonst Liebers werden.

Terwijl de tenor uitlegt dat die navolging een vereenzelviging betekent met smaad & kruis,
verkondigt de trompet het tegenovergestelde.
Bach lijkt hier een postmoderne collagetechniek te beproeven.
In elk geval is duidelijk dat de cantate intussen in de fase "vreugde" is beland;
daarmee correspondeert de laatste verrassing
die de trompet voor u in petto heeft tijdens het slotkoraal; u hoort ‘t wel.

Weinen, Klagen, Sorgen, Zagen: Welkom in de hoogbarok.
omhoog