J. S. BACH: Herr Gott, dich loben alle wir (BWV 130)

Beluister opnames van FritzWerner(1961), KarlRichter, Harnoncourt, All-of-Bach of Leusink
Bachs cantate Herr Gott, dich loben alle wir werd in 1878 door de Bach-Gesellschaft gepubliceerd als laatste in de dertiende bundel van tien cantates, en kreeg derhalve in 1950 het nummer 130 in Bachs Werke Verzeichnis (BWV). Bach schreef zijn BWV 130 voor vrijdag 29 september 1724, Michaelistag, het grote feest van de aartsengel Michael (Sint Michiel) dat door Luther op de liturgische kalender was gehandhaafd wegens zijn grote populariteit in Duitsland en in Leipzig het begin van de najaarsbeurs (Michaelismesse) betekende. Enkele dagen eerder was BWV 8 in première gegaan (zestiende zondag na Trinitatis, 24 september) en twee dagen later (zeventiende zondag na Trinitatis, 1 oktober) werd BWV 114 voor het eerst uitgevoerd. In later jaren zou Bach nog zeker drie keer cantates voor Michaelistag schrijven (BWV 19, 149, 50) en in alle geval zijn dat uitbundige en feestelijke stukken met toegankelijke muziek, voor de meest uitgebreide bezetting die Bach zich kon veroorloven: drie trompetten en pauken, drie hobo's, strijkers, continuo en eventueel nog een fagot of een traverso. Spectaculaire muziek die de kinderen op hun vrije dag kon boeien en de Messe-bezoekers kon epateren met wat Leipzig in huis had.
De epistellezing op Michaelistag is uit het boek Openbaringen (12: 7-12), het verhaal van een "oorlog in de hemel", de strijd van de aartsengel Michael en zijn engelen tegen de draak (Satan, duivel, slang) die in een overwinning eindigt.
Zoals alle cantates die Bach in de tweede helft van 1724 schrijft is BWV 130 een koraalcantate, gebaseerd op tekst en melodie van een bekend kerkgezang, in dit geval Paul Eber's (1554) lied Herr Gott, dich Loben alle wir dat gezongen werd op een melodie van Louis Bourgeois; Ebers lied is de vertaling van Philipp Melanchthons nog in het Latijn gestelde lofprijzing "Dicimus gratias tibi". Bachs tekstdichter heeft Ebers coupletten 2 - 10 herdicht tot teksten voor twee aria's en recitatieven, de eerste en laatste verzen gebruikt Bach ongewijzigd als tekst voor een openingskoor en een slotkoraal.
1. KOOR
Herr Gott, dich loben alle wir
Und sollen billig danken dir
Für dein Geschöpf der Engel schon,
Die um dich schwebn um deinen Thron.


In het luisterrijke openingskoor (1) zingt de sopraan zoals in koraalcantates gebruikelijk de koraalmelodie als cantus firmus in lange noten; de drie andere koorpartijen ondersteunen met drukke figuraties. De vier vocale passages liggen ingebed in een doorgaand en zelfstandig instrumentaal concert, waarin de drie driestemmige groepen (strijkers, houtblazers, trompetten en pauken) als drie zelfstandige instrumentale koren met elkaar wedijveren. Binnen de groepen gaan de drie stemmen veelal in akkoorden samen, het oude fauxbourdon-principe; onderling onderscheiden de groepen zich met contrasterende motieven, die echter gaandeweg worden uitgewisseld. Hoewel het muzikale materiaal nauwelijks een thema kent - we horen overwegend akkoordbrekingen en arpeggio's - en de beperkte voorraad aan natuurtonen van de trompetten ook geen harmonische gebeurtenissen toelaat, ontstaat toch een weelderig en pralend danklied dat doet denken aan de triomfantelijke intocht na een gewonnen veldslag. Met name de trompetten, de attributen van de hemel, krijgen in hun parelende fanfares gelegenheid hun hoge nivo van technische beheersing te etaleren. Zonder twijfel had Bach bij deze gelegenheid de beschikking over Leipzigs beroemdste Stadtpfeifer, Gotttfried Reiche.
2. RECITATIEF (A)
Ihr heller Glanz und hohe Weisheit zeigt,
Wie Gott sich zu uns Menschen neigt,
Der solche Helden, solche Waffen
Vor uns geschaffen.
Sie ruhen ihm zu Ehren nicht;
Ihr ganzer Fleiß ist nur dahin gericht',
Daß sie, Herr Christe, um dich sein
Und um dein armes Häufelein:
Wie nötig ist doch diese Wacht
Bei Satans Grimm und Macht?
Het slechts door continuo begeleide (secco) recitatief van de alt (2), parafrase van Ebers verzen 2 en 3, specificeert de rol van de engelen; die waren in Bachs tijd - anders dan sinds de Romantiek - nog martiale, strijdbare  figuren, eerder man dan vrouw.
3. ARIA (B)
Der alte Drache brennt vor Neid
Und dichtet stets auf neues Leid,
Daß er das kleine Häuflein trennet.
    Er tilgte gern, was Gottes ist,
    Bald braucht er List,
    Weil er nicht Rast noch Ruhe kennet.
Met zijn halfslot (op de dominant) wijst het recitatief vooruit naar basaria (3) waarin de engelen verwikkeld zijn in hun strijd met de draak. De bezetting van deze aria is hoogst uitzonderlijk: de bas wordt, in zijn energieke en vertoornde woedeuitbarsting, geacht zich staande te houden naast een ‘begeleiding' van drie trompetten en pauken, en uiteraard het continuo. Waren de trompetten in (1) nog herauten van de overwinning, hier schetsen ze een strijdtoneel vol krijgsgewoel en wapengekletter. De eerste trompet speelt tot 58 zestiende noten achtereen, de tweede trompet heeft twee maal een Bes te spelen, een notoir onzuivere natuurtoon die dan ook schril en onaangenaam klinkt, een passende illustratie van des duivels laatste stuiptrekkingen. Voor een latere uitvoering (Reiche was in 1734, daags na de openluchtuitvoering van Preise dein Glücke, gesegnetes Sachsen (BWV 215) overleden) verving Bach de trompetten door strijkers.
4. RECITATIEF (S, T)
Wohl aber uns, daß Tag und Nacht
Die Schar der Engel wacht,
Des Satans Anschlag zu zerstören!
Ein Daniel, so unter Löwen sitzt,
Erfährt, wie ihn die Hand des Engels schützt.
Wenn dort die Glut
In Babels Ofen keinen Schaden tut,
So lassen Gläubige ein Danklied hören,
So stellt sich in Gefahr
Noch itzt der Engel Hülfe dar.
Aan het nu volgende door strijkers begeleide (accompagnato) recitatief (4) valt meteen op dat het - hoogst ongewoon - is geschreven voor twee stemmen, de sopraan en de tenor. Nu eens gaan hun lijnen parallel, dan weer imiteren zij elkaar. De sfeer is volstrekt tegengesteld aan die van de voorgaande aria: rust, vrede, geborgenheid en dankbaarheid nadat de storm is gaan liggen. Ook worden we ruimschoots gecompenseerd voor het gebrek aan harmonische variatie dat inherent is aan natuurtoon-instrumenten; nu laat Bach ons alle hoeken van de harmonische ruimte zien: van e-klein via a, b en fis-klein naar D en G-groot. In de tekst passeren, conform Ebers lied, twee klassieke, oud-testamentische voorbeelden van engelenwacht: de bescherming die Daniel in de leeuwekuil genoot (Daniel 6: 16-26) en de drie mannen die ongedeerd uit de brandende vuuroven in Babel tevoorschijn kwamen (Daniel 3:1-30).
5. ARIA (T)
Laß, o Fürst der Cherubinen,
Dieser Helden hohe Schar Immerdar
Deine Gläubigen bedienen;
    Daß sie auf Elias Wagen
    Sie zu dir gen Himmel tragen.
Zoals bekend had Bach medio 1724 de beschikking gekregen over een zeer getalenteerde traversospeler, getuige de virtuose fluitpartijen die hij in deze periode schrijft. In de charmante aria (5) blijft deze virtuositeit beperkt opdat tenor en traverso gelijkwaardige rollen kunnen spelen in hun trio met het continuo. Het ritme is van een galante gavotte. De sfeer contrasteert met alle voorafgaande opwinding: luchtig en zorgeloos, meer vervuld van dankbaarheid dan - naar de letter van de tekst - gebed. Cherubijnen zijn engelen van een lagere orde, hulpengelen. De oud-testamentische profeet Elia voer op een met vurige paarden bespannen wagen ten hemel, een triomfale hemelvaart (2 Koningen 2:11).
6. KORAAL
Darum wir billig loben dich
Und danken dir, Gott, ewiglich,
Wie auch der lieben Engel Schar
Dich preisen heut und immerdar.

Und bitten dich, wollst allezeit
Dieselben heißen sein bereit,
Zu schützen deine kleine Herd,
So hält dein göttlichs Wort in Wert.
Er resteren twee coupletten van Ebers tekst voor het slotkoraal (6). Zoals gebruikelijk verdubbelen strijkers en houtblazers de zangstemmen. Alleen de koperblazers en pauken spelen een zelfstandige rol: ze besluiten elke regel met uitbundige fanfares.
omhoog


© Eduard van Hengel