|
|
|
|
|
|
J. S. BACH: Herr Gott, dich loben alle wir (BWV 130) |
Beluister
deze
cantate alvast in de uitvoering door Leusink en zijn Holland Boys Choir |
||||
| Bachs cantate Herr Gott, dich loben alle
wir werd in 1878 door de Bach-Gesellschaft
gepubliceerd als laatste in de dertiende bundel van tien
cantates, en kreeg derhalve in 1950 het nummer 130 in Bachs Werke Verzeichnis
(BWV). Bach schreef zijn BWV 130 voor vrijdag 29 september
1724, Michaelistag,
het grote feest van de aartsengel Michael (Sint Michiel)
dat door Luther op de liturgische kalender was gehandhaafd
wegens zijn grote populariteit in Duitsland en in Leipzig
het begin van de najaarsbeurs (Michaelismesse) betekende.
Enkele dagen eerder was BWV 8 in première gegaan
(zestiende zondag na Trinitatis, 24 september) en twee
dagen later (zeventiende zondag na Trinitatis, 1 oktober)
werd BWV 114 voor het eerst uitgevoerd. In later jaren zou
Bach nog zeker drie keer cantates voor Michaelistag schrijven
(BWV 19, 149, 50) en in alle geval zijn dat uitbundige en
feestelijke stukken met toegankelijke muziek, voor de
meest uitgebreide bezetting die Bach zich kon veroorloven:
drie trompetten en pauken, drie hobo's, strijkers,
continuo en eventueel nog een fagot of een traverso.
Spectaculaire muziek die de kinderen op hun vrije dag kon
boeien en de Messe-bezoekers kon epateren met wat Leipzig
in huis had. De epistellezing op Michaelistag is uit het boek Openbaringen (12: 7-12), het verhaal van een "oorlog in de hemel", de strijd van de aartsengel Michael en zijn engelen tegen de draak (Satan, duivel, slang) die in een overwinning eindigt. Zoals alle cantates die Bach in de tweede helft van 1724 schrijft is BWV 130 een koraalcantate, gebaseerd op tekst en melodie van een bekend kerkgezang, in dit geval Paul Eber's (1554) lied Herr Gott, dich Loben alle wir dat gezongen werd op een melodie van Louis Bourgeois; Ebers lied is de vertaling van Philipp Melanchthons nog in het Latijn gestelde lofprijzing "Dicimus gratias tibi". Bachs tekstdichter heeft Ebers coupletten 2 - 10 herdicht tot teksten voor twee aria's en recitatieven, de eerste en laatste verzen gebruikt Bach ongewijzigd als tekst voor een openingskoor en een slotkoraal. |
|||||
| 1. Herr Gott, dich
loben alle wir Und sollen billig danken dir Für dein Geschöpf der Engel schon, Die um dich schwebn um deinen Thron. 2. Ihr heller Glanz und hohe Weisheit zeigt, Wie Gott sich zu uns Menschen neigt, Der solche Helden, solche Waffen Vor uns geschaffen. Sie ruhen ihm zu Ehren nicht; Ihr ganzer Fleiß ist nur dahin gericht', Daß sie, Herr Christe, um dich sein Und um dein armes Häufelein: Wie nötig ist doch diese Wacht Bei Satans Grimm und Macht? 3. Der alte Drache brennt vor Neid Und dichtet stets auf neues Leid, Daß er das kleine Häuflein trennet. Er tilgte gern, was Gottes ist, Bald braucht er List, Weil er nicht Rast noch Ruhe kennet. 4. Wohl aber uns, daß Tag und Nacht Die Schar der Engel wacht, Des Satans Anschlag zu zerstören! Ein Daniel, so unter Löwen sitzt, Erfährt, wie ihn die Hand des Engels schützt. Wenn dort die Glut In Babels Ofen keinen Schaden tut, So lassen Gläubige ein Danklied hören, So stellt sich in Gefahr Noch itzt der Engel Hülfe dar. 5. Laß, o Fürst der Cherubinen, Dieser Helden hohe Schar Immerdar Deine Gläubigen bedienen; Daß sie auf Elias Wagen Sie zu dir gen Himmel tragen. 6. Darum wir billig loben dich Und danken dir, Gott, ewiglich, Wie auch der lieben Engel Schar Dich preisen heut und immerdar. Und bitten dich, wollst allezeit |
In het
luisterrijke openingskoor (1) zingt de sopraan zoals in
koraalcantates gebruikelijk de koraalmelodie als cantus firmus in
lange noten; de drie andere koorpartijen ondersteunen met
drukke figuraties. De vier vocale passages liggen ingebed
in een doorgaand en zelfstandig instrumentaal concert,
waarin de drie driestemmige groepen (strijkers,
houtblazers, trompetten en pauken) als drie zelfstandige
instrumentale koren met elkaar wedijveren. Binnen de
groepen gaan de drie stemmen veelal in akkoorden samen,
het oude fauxbourdon-principe;
onderling onderscheiden de groepen zich met contrasterende
motieven, die echter gaandeweg worden uitgewisseld. Hoewel
het muzikale materiaal nauwelijks een thema kent - we
horen overwegend akkoordbrekingen en arpeggio's - en de
beperkte voorraad aan natuurtonen van de trompetten ook
geen harmonische gebeurtenissen toelaat, ontstaat toch een
weelderig en pralend danklied dat doet denken aan de
triomfantelijke intocht na een gewonnen veldslag. Met name
de trompetten, de attributen van de hemel, krijgen in hun
parelende fanfares gelegenheid hun hoge nivo van
technische beheersing te etaleren. Zonder twijfel had Bach
bij deze gelegenheid de beschikking over Leipzigs
beroemdste Stadtpfeifer,
Gotttfried Reiche. Het slechts door continuo begeleide (secco) recitatief van de alt (2), parafrase van Ebers verzen 2 en 3, specificeert de rol van de engelen; die waren in Bachs tijd - anders dan sinds de Romantiek - nog martiale, strijdbare figuren, eerder man dan vrouw. Met zijn halfslot (op de dominant) wijst het recitatief vooruit naar basaria (3) waarin de engelen verwikkeld zijn in hun strijd met de draak. De bezetting van deze aria is hoogst uitzonderlijk: de bas wordt, in zijn energieke en vertoornde woedeuitbarsting, geacht zich staande te houden naast een ‘begeleiding' van drie trompetten en pauken, en uiteraard het continuo. Waren de trompetten in (1) nog herauten van de overwinning, hier schetsen ze een strijdtoneel vol krijgsgewoel en wapengekletter. De eerste trompet speelt tot 58 zestiende noten achtereen, de tweede trompet heeft twee maal een Bes te spelen, een notoir onzuivere natuurtoon die dan ook schril en onaangenaam klinkt, een passende illustratie van des duivels laatste stuiptrekkingen. Voor een latere uitvoering (Reiche was in 1734, daags na de openluchtuitvoering van Preise dein Glücke, gesegnetes Sachsen (BWV 215) overleden) verving Bach de trompetten door strijkers. Aan het nu volgende door strijkers begeleide (accompagnato) recitatief (4) valt meteen op dat het - hoogst ongewoon - is geschreven voor twee stemmen, de sopraan en de tenor. Nu eens gaan hun lijnen parallel, dan weer imiteren zij elkaar. De sfeer is volstrekt tegengesteld aan die van de voorgaande aria: rust, vrede, geborgenheid en dankbaarheid nadat de storm is gaan liggen. Ook worden we ruimschoots gecompenseerd voor het gebrek aan harmonische variatie dat inherent is aan natuurtoon-instrumenten; nu laat Bach ons alle hoeken van de harmonische ruimte zien: van e-klein via a, b en fis-klein naar D en G-groot. In de tekst passeren, conform Ebers lied, twee klassieke, oud-testamentische voorbeelden van engelenwacht: de bescherming die Daniel in de leeuwekuil genoot (Daniel 6: 16-26) en de drie mannen die ongedeerd uit de brandende vuuroven in Babel tevoorschijn kwamen (Daniel 3:1-30). Zoals bekend had Bach medio 1724 de beschikking gekregen over een zeer getalenteerde traversospeler, getuige de virtuose fluitpartijen die hij in deze periode schrijft. In de charmante aria (5) blijft deze virtuositeit beperkt opdat tenor en traverso gelijkwaardige rollen kunnen spelen in hun trio met het continuo. Het ritme is van een galante gavotte. De sfeer contrasteert met alle voorafgaande opwinding: luchtig en zorgeloos, meer vervuld van dankbaarheid dan - naar de letter van de tekst - gebed. Cherubijnen zijn engelen van een lagere orde, hulpengelen. De oud-testamentische profeet Elia voer op een met vurige paarden bespannen wagen ten hemel, een triomfale hemelvaart (2 Koningen 2:11). Er resteren twee coupletten van Ebers tekst voor het slotkoraal (6). Zoals gebruikelijk verdubbelen strijkers en houtblazers de zangstemmen. Alleen de koperblazers en pauken spelen een zelfstandige rol: ze besluiten elke regel met uitbundige fanfares. |
||||
|
© Eduard van Hengel | ||||