|
|
|
|
|
|
|||||
J. S. BACH: Aus der Tiefen rufe ich, Herr, zu dir (BWV 131) |
Beluister
deze
cantate
alvast in de uitvoering door Leusink en zijn Holland Boys Choir |
|||||||||
| Cantate 131
is
waarschijnlijk de oudst bewaard gebleven cantate van Bach, ontstaan in
1707 in Mühlhausen (Thüringen) en dus lang voordat (vanaf
1723) Bachs massale cantateproduktie in Leipzig op gang komt. Wanneer
Bach Aus der Tiefen
(overigens geen spelfout maar een archaïsche
vorm van het enkelvoud) componeert is hij dus 22 jaar oud en sinds kort
organist aan de Blasiuskirche te Mühlhausen. Hij heeft zich de
afgelopen vier jaar in de luwte van een rustig organistenbaantje in
Arnstadt veelzijdig kunnen ontwikkelen als orgelvirtuoos, componist en
orgeldeskundige. Anderhalf jaar geleden bezocht hij zijn idool
Buxtehude in Lübeck. Op 17 oktober zal Bach trouwen met zijn
achternichtje, de zangeres Maria Barbara, en binnen het jaar zal hij
vertrekken naar Weimar waar hij negen jaar blijft, als organist,
kamermusicus en kapelmeester aan het hof. Cantate 131 is waarschijnlijk geschreven voor een herdenkingsdienst voor de brand die Mühlhausen teisterde op 30 mei, vlak voor Bach aantrad, waarbij drie- tot vierhonderd huizen in het centrum verloren gingen. Qua vorm wijkt Aus der Tiefen, evenals andere vroege cantates (zoals nr 106, de Actus Tragicus) sterk af van wat we na ±1712 van Bach en zijn tijdgenoten gewend zijn. De instrumentale bezetting heeft nog de eenvoud van het 17e eeuwse 'geistliche Konzert': één viool, twee alt-violen, hobo, fagot en continuo. We treffen er nog geen recitatieven aan, niet het traditionele slotkoraal en evenmin de da-capo-aria's op vrije teksten, naar het voorbeeld van de Italiaanse opera-aria's; anderzijds heeft het koor er een veel groter aandeel dan in de latere cantates waar het zijn rol veelal beperkt ziet tot een openingskoor en een slotkoraal. In deze vroege cantates gaan de delen nog, als bij 17e eeuwse motetten, (vrijwel) ononderbroken in elkaar over en vindt een veel levendiger, soms zelfs grillige wisselwerking plaats tussen soli en koor. De teksten worden uitsluitend ontleend aan de bijbel en het protestantse kerklied. Er komt dus ook nog geen gelegenheids-tekstdichter aan te pas (wat de tekstkwaliteit sterk bevordert!). Van cantates uit beide perioden kun je zeggen dat Bach zich onderwierp aan de vormprincipes van zijn tijd maar daaraan een onovertroffen inhoud gaf. In zijn vroegste werk zet hij de Noord-Duitse traditie van zijn bewonderde voorbeeld Buxtehude voort, in zijn latere cantates volgt hij de italianiserende mode van zijn omgeving. Cantate 131 heeft één doorlopende tekst, de eerste acht verzen van Psalm 130 die in de twee aria's wordt becommentarieerd met twee koraalteksten. Er is een overkoepelende, symmetrische opbouw:
De verrassende afwisseling en vormenrijkdom geven deze cantate een spontaneïteit en frisheid die begrip wekt voor Schweitzers uitspraak (1908) dat men gaarne honderd latere cantates inruilt voor tien van de oudste. En laat u vooral de fraaie hobopartijen niet ontgaan. |
||||||||||
| 1.
KOOR "Aus der Tiefen rufe ich, Herr, zu dir. Herr, höre meine Stimme, laß deine Ohren merken auf die Stimme meines Flehens!" 2. ARIOSO (B); KORAAL (S) (B) "So du willst, Herr, Sünde zurechnen, Herr, wer wird bestehen?" (S) Erbarm dich mein in solcher Last, Nimm sie aus meinem Herzen, Dieweil du sie gebüßet hast Am Holz mit Todesschmerzen, (B) Denn bei dir ist die Vergebung, daß man dich fürchte. (S) Auf daß ich nicht mit großem Weh In meinen Sünden untergeh, Noch ewiglich verzage. 3. KOOR " Ich harre des Herrn, meine Seele harret, und ich hoffe auf sein Wort." 4. ARIA (T); KORAAL (A) (T) Meine Seele wartet auf den Herrn von einer Morgenwache bis zu der andern. (A) Und weil ich denn in meinem Sinn, Wie ich zuvor geklaget, Auch ein betrübter Sünder bin, Den sein Gewissen naget, Und wollte gern im Blute dein Von Sünden abgewaschen sein Wie David und Manasse. 5. KOOR " Israel hoffe auf den Herrn; denn bei dem Herrn ist die Gnade und viel Erlösung bei ihm. Und er wird Israel erlösen aus allen seinen Sünden." |
Het begin (1)
is treurnis. Een instrumentale inleiding, sinfonia,
en een koor op de titeltekst in een adagio-tempo en een mineur
toonsoort
(g-klein) geven uitdrukking aan het menselijk lijden (vers 1). Het
aansluitend Vivace (vers 2)
verbeeldt de rusteloze pogingen van de mens
om Gods aandacht te vestigen op zijn lot. Homofone uitroepen (Herr,
höre meine Stimme) leiden een koorfuga in, op de woorden Laß
deine Augen merken ... waarbij achtereenvolgens alten, sopranen,
tenoren en bassen het thema inzetten. Veel aandacht valt op het flehen
(smeken). (2): De rustgevende zekerheid van de koraalmelodie contrasteert met de baspartij die, met sidderende zestienden, vooral gestalte geeft aan het 'vrezen'. (3) Het lange 'wachten' wordt uitgedrukt met langzame, statige en statische akkoorden waarin niets gebeurt, en melisma's (veel noten op één lettergreep). Net als in (1) verhouden langzame inleiding en fugatisch vervolg (meine Seele harret) zich als preludium en fuga. De continuo-aria (4) voor de tenor-solist wordt gedragen door een telkens weer herhaalde ('ostinato')-figuur van de cello. Behalve de melisma's lijken ook de vele herhalingen hier uitdrukking te geven aan het eindeloze 'wachten'. (David en Manasse waren oud-testamentische koningen die voor zware misstappen vergeving kregen nadat zij zich tot God hadden bekeerd.) Het slotkoor (5) valt, als een motet op zich, uiteen in maar liefst vijf zelfstandig vormgegeven delen, afwisselend homofoon en polyfoon. Op Und er wird Israel erlösen ontstaat een magistrale slotfuga, aanvankelijk a cappella met continuo-begeleiding maar allengs dragen ook viool en hobo thematisch materiaal bij. |
|||||||||
![]() |
© Eduard van Hengel | |||||||||