J. S. BACH: Bereitet die Wege, bereitet die Bahn (BWV 132)

Beluister deze cantate alvast
in de uitvoering door Leusink
en zijn Holland Boys Choir
Bach schreef zijn cantate 132 voor de vierde Adventszondag, de laatste van de reeks zondagen waarmee het kerkelijk jaar begint en waarin wordt uitgekeken naar de komst van Christus, op Eerste Kerstdag. We kennen maar weinig cantates van Bach voor deze decemberperiode want in Leipzig, waar hij zijn meeste cantates componeerde, werd de Adventstijd, vergelijkbaar met de weken voor Pasen (‘vastentijd') beschouwd als een periode van inkeer en bezinning waarin de concertante kerkmuziek diende te zwijgen; alleen op de eerste Adventszondag mocht Bach in Leipzig cantates uitvoeren. Alleen in Weimar, waar deze tempus clausum niet gold componeerde Bach enkele adventscantates die hij in Leipzig dus niet kon hergebruiken tenzij hij er een andere bestemming voor vond; dat lot was de Weimarer cantates BWV 70a, 186a en 147a beschoren (de a'tjes verwijzen naar de wijzigingen die deze cantates in Leipzig ondergingen.) De te Weimar, voor 22 december 1715 gecomponeerde BWV 132 heeft dus hoogstwaarschijnlijk slechts éénmaal aldaar geklonken, en heel misschien nog een keer tijdens Bachs verblijf te Köthen, waar het calvinistische hof überhaupt geen kerkmuziek van hem vroeg maar de cantate mogelijk een keer is uitgevoerd in Bachs persoonlijke, lutherse Agnuskerk.
Bachs favoriete Weimarer tekstdichter, de hofbibliothecaris Salomon Franck, sluit in zijn libretto nauw aan bij de voorgeschreven evangelielezing voor deze zondag, de geschiedenis van Jezus' wegbereider Johannes de Doper (Johannes 1: 19 - 28) en actualiseert centrale begrippen daaruit. Met de titeltekst Bereitet die Wege etc. citeert Johannes de Doper de profeet Jesaja (40: 3 - 4) wanneer deze de komst van een Messias voorspelt, en hier krijgen ze de betekenis "opent uw hart". Met de woorden Wer bist du (deel 3) onderzochten joodse geleerden de intenties van Johannes; hier beogen ze zelfonderzoek van de gelovigen. Ook Johannes' eponieme core business, de doop als afwassing van zonden, fungeert in de tekst van delen 4 en 5.
De instrumentale bezetting is, zoals op het kleine orgelbalcon in Weimar gebruikelijk, van een kamermuzikale omvang. "Concerto à 9" schrijft Bach op de voorpagina van de bewaard gebleven partituur (zie hiernaast): vier strijkers, vier zangers en een hobo, maar in de praktijk zal de continuogroep meerdere musici hebben omvat: cello, fagot, violone, orgel, al was het maar omdat deel (1) een fagotpartij en aria (3) een cellopartij kent die niet met het continuo samenvalt. Maar er is geen reden te veronderstellen dat strijk- of zangpartijen meervoudig waren bezet.
BWV 132 omvat drie aria's, twee recitatieven en een slotkoraal waarvan de muziek helaas is verloren gegaan; de eerste vijf delen pasten precies op drie dubbelgevouwen foliovellen, dus noteerde Bach het koraal op een apart velletje dat daarom verloren ging; gelukkig staat de tekst in Francks bundel.
Er is dus geen openingskoor waardoor onze uitvoeringspraktijk BWV 132 tot een ‘solistencantate' bestempelt; het is echter de vraag of een openingskoor in Weimar iets zou hebben veranderd aan het aantal musici.
1. ARIA (S)
Bereitet die Wege, bereitet die Bahn!
   Bereitet die Wege
   und machet die Stege
   im Glauben und Leben
   dem Höchsten ganz eben,
   Messias kömmt an!










De openingsaria (1) op de titeltekst wordt gezongen door de sopraan, begeleid door strijkers, continuo en een concerterende hobo die zo nu en dan de eerste viool verdubbelt. De dansante 6/8-maat lijkt een langzame gigue, de gepunkteerde 1e en 4e tel verwijst naar de loure, een ceremoniële franse dans. De tekst maakt direct duidelijk dat dit hartelijk welkom in metaforische zin de toegang tot ons hart en leven betreft. Door het lange ritornel (instrumentale inleiding) dat wegens de da-capostructuur viermaal wordt herhaald zingt de sopraan nauwelijks 50% van de tijd maar daarin wordt alle aandacht gevestigd op de Bahn, met extreem lange, letterlijk adembenemende melisma's van 60 en 84 zestienden die dan ook nog eens direct gevolgd worden door een 2½ maat lange noot.
Het uitbundige A-deel in de toonsoort A-groot omlijst een meer beschouwelijk en tekstrijk middendeel (B), in de (parallelle) mineur-toonsoort fis-klein; daarin zwijgt ook de fagot. Naast het reeds bekende vrolijke hobothema (a, zie hiernaast) duikt er een nieuw motief op (b) waarop de sopraan tot driemaal toe de woorden Bereitet die Wege und machet die Stege zingt,  op een reeks identieke noten, op gelijke hoogte: een geëffend pad. En een derde, grilliger motief (c) voor de woorden im Glauben und Leben dem Höchsten ganz eben. Hobo, sopraan en continuo wisselen deze drie motieven onderling uit, volgens het schema. Tenslotte roept de sopraan in dit centrale gedeelte, ook driemaal maar zonder enige begeleiding de aankondiging Messias kömmt an! En dan keert het A-deel weer terug.
2. RECITATIEF (T)
Willst du dich Gottes Kind
und Christi Bruder nennen,
so müssen Herz und Mund
den Heiland frei bekennen.
Ja, Mensch, dein ganzes Leben
muß von dem Glauben Zeugnis geben!
Soll Christi Wort und Lehre
auch durch dein Blut versiegelt sein,
so gib dich willig drein!
  Denn dieses ist der Christen Kron und Ehre.
Indes, mein Herz, bereite noch heute
dem Herrn die Glaubensbahn
und räume weg die Hügel und die Höhen,
die ihm entgegen stehen!
   Wälz ab die schweren Sündensteine,
   nimm deinen Heiland an,
   daß er mit dir im Glauben sich vereine!
In het secco, slechts door continuo begeleide recitatief (2) onderricht de tenor uitvoerig hoe voor Christus de weg naar het hart gebaand moet worden. Tweemaal onderbreekt hij zijn strenge betoog met een ritmisch gebonden arioso. De eerste keer om in canon met het continuo uit te leggen wat der Christen Kron und Ehre is: canon = navolging.
De tweede maal om het afwentelen van de Sündensteine, de zondenlast te onderstrepen, een centrale notie want het begrip verwijst niet alleen naar de zwaarte van die zonden maar ook naar de grafsteen die Jezus van zich afwentelde om zondaren van hun last te bevrijden nadat hij op Golgotha, de berg der menselijke zonden, was gekruisigd. Het continuo volhardt in de rollende Wälz-figuur van de tenor. In de maten 28 en 29 ontstaan daardoor octaafparallellen tussen cello en tenor: streng verboden in polyfone stemvoering maar hier uiteraard ter illustratie van de 'vereniging‘, im Glauben, van de gelovige met zijn Heiland.
3. ARIA (B)
Wer bist du? Frage dein Gewissen,
da wirst du sonder Heuchelei,
ob du, o Mensch, falsch oder treu
dein rechtes Urteil hören müssen.
Wer bist du? Frage das Gesetze,
das wird dir sagen, wer du bist,
ein Kind des Zorns in Satans Netze,
ein falsch und heuchlerischer Christ.
De vraag van de joden aan Johannes de Doper, ‘wie ben jij eigenlijk?', wordt in aria (3) door de bas, in wie wij de Vox Christi kunnen herkennen, doorgespeeld naar de gelovige: onderzoek jezelf. De bas wordt begeleid door de continuogroep en een daarvan onafhankelijke, obligate cellopartij (waaruit je zou kunnen afleiden dat de fagot hier, naast orgel en violone, als primair continuoinstrument moet optreden). De bas articuleert de hoofdvraag op een drie-notenmotief dat, enigszins versierd, al van den beginne in cello en continuo klonk en gedurende de hele aria hardnekkig zal blijven klinken Wer bist du?.
In het tweede deel formuleert de bas een scherp veroordelend antwoord: ein Kind des Zorns in Satans Netze, en illustreert dat met wrange chromatische (½-toons) stappen en later met beklemmende dalende septiemsprongen. Heuchlerisch wordt uitgewerkt met een opzichtig  kronkelend melisma. Na dit compromisloze oordeel is geen da-capo, geen terugkeer naar de oorspronkelijke vraagstelling meer mogelijk; er rest slechts een verkort instrumentaal ritornel. Met drie partijen in lage ligging en een vocale solist wiens noten regelmatig ònder die van het continuo, de basis, reiken moet je wel concluderen dat Bach terwille van een onbarmhartige filippica muzikale schoonheid heeft geofferd aan tekstexpressie.
4. RECITATIEF (A)
Ich will, mein Gott, dir frei heraus bekennen,
ich habe dich bisher nicht recht bekannt.
Ob Mund und Lippen gleich
dich Herr und Vater nennen,
hat sich mein Herz doch von dir abgewandt.
Ich habe dich verleugnet mit dem Leben!
Wie kannst du mir ein gutes Zeugnis geben?
Als, Jesu, mich dein Geist und Wasserbad
gereiniget von meiner Missetat,
hab ich dir zwar stets feste Treu versprochen;
ach! aber ach! der Taufbund ist gebrochen.
Die Untreu reuet mich!
Ach Gott, erbarme dich,
ach hilf, daß ich mit unverwandter Treue
den Gnadenbund im Glauben stets erneue!
Dankzij een strijkersbegeleiding is de toon van het deemoedige alt-recitatief (4) aanmerkelijk milder. De alt bekent dat zijn daden zijn woorden weerspreken en vraagt vergeving voor het breken van zijn doopgelofte. Bachs meest dissonante harmonieën (‘verminderd-septiemakkoorden') onderstrepen de woorden Ach (2x) en mich.
5. ARIA (A)
Christi Glieder, ach bedenket,
was der Heiland euch geschenket
durch der Taufe reines Bad!
   Bei der Blut- und Wasserquelle
   werden eure Kleider helle,
   die befleckt von Missetat.
Christus gab zum neuen Kleide
roten Purpur, weiße Seide,
diese sind der Christen Staat.
In aria (5) wendt de alt zich tot zijn mede-christenen met de bevrijdende boodschap dat de doop zonden wegspoelt. Hij wordt begeleid door continuo en uiterst virtuoze solovioolpartij, waarin wij de concertmeester J.S.Bach zelf kunnen zien; de viool speelt hoofdzakelijk stijgend gebroken akkoorden en overvloedig neerstromende 32sten, doopwater. De alt bedient zich uitsluitend van de eerste vioolnoten en illustreert zijn woorden bedenket en Taufe met korte aan de vioolpartij ontleende versieringen. De aria heeft geen da-capo- maar een ritornel-structuur: de tekst is verdeeld in driemaal drie regels die achtereenvolgens worden verwerkt, gescheiden en omlijst door (verkorte) versies van de instrumentale inleiding (ritornel). Na het derde en laatste tekstgedeelte, als der Christen Staat al vier maal heeft geklonken (en ook echt 1½ maat lang heeft gestáán) en de violist zijn begeleiding heeft beëindigd, zingt de alt (m.31) die laatste woorden nadrukkelijk nog een vijfde maal, met louter continuobegeleiding.
[6. KORAAL
Ertöt uns durch deine Güte;
Erweck uns durch deine Gnad;
Den alten Menschen kränke,
Dass der neu' leben mag
Wohl hie auf dieser Erden,
Den Sinn und Begehrden
Und G'danken habn zu dir.]
Van het slotkoraal (6) is ons slechts de tekst bekend, uit tekstdichter Francks eigen publikatie van zijn cantatelibretto's. Het is de vijfde strofe van het lied Herr Christ, der einge Gottessohn, geschreven door Elisabeth Kreuziger en in 1524 verschenen in de eerste lutherse gezangenbundel. Alleen al van dit couplet (dus afgezien van andere coupletten) kennen we diverse harmoniseringen van Bach waaronder het slot van BWV 22, met zijn uitgebreide zelfstandige orkestbegeleiding, die hier dus niet in aanmerking kan komen. Van de eenvoudige vierstemmige harmoniseringen (‘Chorale semplice stylo') aan het slot van de cantates BWV 96 en 164 verkiest men meestal de laatste.
omhoog


© Eduard van Hengel