J. S. BACH: Ein Herz, das seinen Jesum lebend weiß (BWV 134)

Beluister deze cantate alvast
in de uitvoering door Leusink
en zijn Holland Boys Choir
(niet-uitgesproken inleiding Utr. Bach Cant. Dienst 6/4/2008)

Wie bij een gelegenheid zoals deze wel eens een Bachcantate inleidt, zoals ik nu doe, raakt na afloop wel eens in gesprek met iemand die zegt: ach, die praatjes erbij vind ik eigenlijk niet zo nodig. ik begrijp wel dat jullie ‘t doen,
anders wordt het een gewoon concert, ‘t moet toch een beetje op een kerkdienst lijken  en daar hoort wat gesproken woord bij, maar ik laat de muziek liever voor zichzelf spreken,  ik luister met mijn gevoel en intuïtie,
als je je ervoor open stelt komt het wel binnen, of niet, daar kun met toelichtingen toch weinig aan veranderen.

Nu zal ik nooit ontkennen dat er aan Bachs muziek voor het ongewapende oor al veel te genieten valt, maar vervolgens ga ik dan toch wel in diskussie: Het gaat bij Bachcantates toch om muzikale preekjes, om muziek die bij tekst gemaakt is, met de bedoeling een boodschap over te brengen, dan is het toch wel raadzaam om iets over de bedoeling van die tekst te weten, die ons toch vaak nogal vreemd is, en ook van Bachs muzikale taal kun je betwijfelen of onze door de romantiek gewassen oren er wel zo'n onbelemmerde toegang toe hebben, om over de verbanden tussen tekst en muziek nog maar te zwijgen. Kortom: ik zal altijd volhouden dat er aan Bachs tekstgebonden muziek meer te beleven valt dan je op het eerste gezicht en met het ongewapende oor kunt opmerken, zoals je op een schilderij meer ziet wanneer je er Henk van Os of - voor de ouderen onder ons - Pierre Jansen over hebt gehoord.

Maar vandaag, dames en heren, capituleer ik voor de zojuist weerlegde tegenwerping. Gaat u rustig genieten van de mooie muziek, het is opgewekte, luchtige, inspirerende muziek waarin geen zware dogmatische boodschappen zijn verpakt en waarbij eigenlijk niet zoveel verteld hoeft te worden.
Dit praatje is dus ook niet zo erg nodig, dommelt u rustig in of laat uw gedachten afdwalen,

Ik wil u echter nog wel graag uitleggen waarom deze bijzondere situatie zich vandaag voordoet.
Cantate 134 werd voor het eerst uitgevoerd op 11 april 1724, dat was de derde Paasdag, een feestdag op de Lutherse liturgische kalender. En dat nu verklaart veel.
Als Bach deze cantate schrijft is hij al bijna een jaar cantor in Leipzig, waar hij de week na Pinksteren begon. En hij heeft ‘t zich niet gemakkelijk gemaakt. Aan zijn ambtshalve verplichting om wekelijks een cantate uit te voeren heeft hij voldaan door er wekelijks een te componeren, en op Goede Vrijdag 8 april heeft hij aan de verplichting om een passie uit te voeren voldaan door de Johannes-Passion te componeren, in te studeren en uit te voeren. Daarvoor kon hij de voorafgaande cantatenloze vastenperiode goed gebruiken.
Maar dan, na die eerste Johannes-Passion is het vrijwel direct weer Pasen, drie feestdagen achtereen waarop feestelijke muziek behoort te klinken. We zullen het Bach dus niet kwalijk nemen dat hij voor de drie cantates die hiertoe van hem worden verwacht een greep in de kast doet waar allerlei cantates liggen die hij vroeger, voordat hij in Leipzig werkte, heeft gecomponeerd maar die in Leipzig nog nooit hadden geklonken.
Op de grootste feestdag, Eerste Paasdag voert hij de cantate BWV 31 uit, Der Himmel lacht! Die Erde jubilieret, in 1715 gecomponeerd te Weimar, voor de Tweede Paasdag bewerkt hij een verjaardagscantate voor zijn Köthener principaal, Leopold von Anhalt-Köthen (BWV 66a, 10 december 1718) tot Cantate 66, en voor de Derde Paasdag grijpt hij eveneens terug op een Köthener werk, de  SERENATA Die Zeit, die Tag und Jahre macht (BWV 134a), die hij drie weken later in Köthen schreef voor Nieuwjaar 1719 op een tekst van Christian Friedrich Hunold. Bachs onbekende Leipziger tekstdichter schrapt de Köthener delen 5 en 6 en vervaardigt voor de overige delen een metrisch identieke tekst; een kleine tekstvergelijking leert hoe gering destijds de afstand was tussen het sacrale en profane domein: de laatste twee regels van aria (2) zijn identiek.
Köthener Nieuwjaarsserenata (1719) Paascantate BWV 134 (1724)
1. Die Zeit, die Tag und Jahre macht,
Hat Anhalt manche Segensstunden
Und itzo gleich ein neues Heil gebracht.

2. Auf, Sterbliche, lasset ein Jauchzen ertönen.
[...] Auf, Seelen, ihr müsset ein Opfer bereiten,
Bezahlet dem Höchsten mit Danken die Pflicht.
1. Ein Herz, das seinen Jesum lebend weiß,
Empfindet Jesu neue Güte
Und dichtet nur auf seines Heilands Preis.

2. Auf, Gläubige, singet die lieblichen Lieder.
[...] Auf, Seelen, ihr müsset ein Opfer bereiten,
Bezahlet dem Höchsten mit Danken die Pflicht.
BWV 134 is dus wat wij noemen een parodie; bestaande muziek wordt hergebruikt met een nieuwe tekst. Terwijl de moderne Bach-receptie veel moeite heeft gedaan om Bach in bescherming te nemen tegen het lichtvaardige oordeel dat zulke parodieën op gemakzucht berusten en derhalve inferieure muziek vormen, kan Bach, die zich inderdaad vaak veel moeite getroostte om de bestaande muziek voor zijn nieuwe bestemming geschikt te maken (zie bijvoorbeeld hoe grondig hij BWV 12 voor het Crucifixus uit zijn HOHE MESSE reviseerde), in dit geval niet geheel worden vrijgepleit van het verwijt snel en gemakzuchtig te hebben gecomponeerd, hoe begrijpelijk dit gezien zijn enorme werkdruk ook mag zijn. Voor de  Paasdinsdag 1724 heeft Bach bijvoorbeeld niet eens een nieuwe directiepartituur laten uitschrijven; ook de orkestpartijen heeft hij ongewijzigd hergebruikt en zelfs heeft hij de muziek van de - toch sterk tekstgebonden - recitatieven gehandhaafd en slechts de nieuwe tekst genoteerd onder de bestaande noten. Ook voegde hij geen slotkoraal toe, zoals hij één dag eerder voor BWV 66 nog wel deed. En overigens heeft hij weinig moeite gedaan de sporen uit te wissen die herinneren aan het feit dat de Köthener Nieuwjaarscantate de vorm had van een Dramma per Musica waarin twee allegorische personages, Die Zeit (tenor) en de Göttliche Vorsehung (de goddelijke voorzienigheid, alt) met elkaar in dialoog treden. Hoewel in BWV 134 de twee stemmen, met name in de recitatieven, zijn gehandhaafd, is er tussen hen even weinig dialoog als tussen de presentatoren van nieuwsbulletins met duo-presentatie. Men zou hun nieuwe rolverdeling kunnen zien als die van een verkondiger, Evangelist (tenor) en een prototypische gelovige (alt) die zijn woorden bevestigt. Ook is er in de tekst nauwelijks een verwijzing te vinden naar de evangelielezing van de Derde Paasdag, Lukas 24: 36-47, de verschijning van de verrezen Christus aan zijn discipelen.
Maar de kwaliteit van de muziek maakt, ook zonder diepzinnige tekst-muziekrelaties, veel goed; we mogen Bach dankbaar zijn dat hij deze sprankelende wereldse gelegenheidsmuziek, die gedoemd leek geen tweede uitvoering te beleven, in de vorm van een kerkcantate heeft vereeuwigd.
1. RECITATIEF (T, A)
(T) Ein Herz, das seinen Jesum lebend weiß,
Empfindet Jesu neue Güte
Und dichtet nur auf seines Heilands Preis.
(A) Wie freuet sich ein gläubiges Gemüte!

2. ARIA (T)
Auf, Gläubige, singet die lieblichen Lieder,
Euch scheinet ein herrlich verneuetes Licht.
   Der lebende Heiland gibt selige Zeiten,
   Auf, Seelen, ihr müsset ein Opfer bereiten,
   Bezahlet dem Höchsten mit Danken die
 Pflicht.

3. RECITATIEF (T, A)
(T) Wohl dir, Gott hat an dich gedacht,
O Gott geweihtes Eigentum;
Der Heiland lebt und siegt mit Macht
Zu deinem Heil, zu seinem Ruhm
Muß hier der Satan furchtsam zittern
Und sich die Hölle selbst erschüttern.
Es stirbt der Heiland dir zugut
Und fähret vor dich zu der Höllen,
Sogar vergießet er sein kostbar Blut,
Daß du in seinem Blute siegst,
Denn dieses kann die Feinde fällen,
Und wenn der Streit dir an die Seele dringt,
Daß du alsdann nicht überwunden liegst.
(A) Der Liebe Kraft ist vor mich ein Panier
Zum Heldenmut, zur Stärke in den Streiten:
Mir Siegeskronen zu bereiten,
Nahmst du die Dornenkrone dir,
Mein Herr, mein Gott, mein auferstandnes Heil,
So hat kein Feind an mir zum Schaden teil.
(T) Die Feinde zwar sind nicht zu zählen.
(A) Gott schützt die ihm getreuen Seelen.
(T) Der letzte Feind ist Grab und Tod.
(A) Gott macht auch den zum Ende unsrer Not.

4. ARIA / DUET (A, T)

Wir danken und preisen dein brünstiges Lieben
Und bringen ein Opfer der Lippen vor dich.
   Der Sieger erwecket die freudigen Lieder,
   Der Heiland erscheinet und tröstet uns wieder
   Und stärket die streitende Kirche durch sich.

5. RECITATIEF (T, A)

(T) Doch wirke selbst den Dank in unserm Munde,
In dem er allzu irdisch ist;
Ja schaffe, daß zu keiner Stunde
Dich und dein Werk kein menschlich Herz vergißt;
Ja, laß in dir das Labsal unsrer Brust
Und aller Herzen Trost und Lust,
Die unter deiner Gnade trauen,
Vollkommen und unendlich sein.
Es schließe deine Hand uns ein,
Daß wir die Wirkung kräftig schauen,
Was uns dein Tod und Sieg erwirbt
Und daß man nun nach deinem Auferstehen
Nicht stirbt, wenn man gleich zeitlich stirbt,
Und wir dadurch zu deiner Herrlichkeit eingehen.
(A) Was in uns ist, erhebt dich, großer Gott,
Und preiset deine Huld und Treu;
Dein Auferstehen macht sie wieder neu,
Dein großer Sieg macht uns von Feinden los
Und bringet uns zum Leben;
Drum sei dir Preis und Dank gegeben.

6. KOOR

Erschallet, ihr Himmel, erfreue dich, Erde,
Lobsinge dem Höchsten, du glaubende Schar,
   Es schauet und schmecket ein jedes Gemüte
   Des lebenden Heilands unendliche Güte,
   Er tröstet und stellet als Sieger sich dar.
Cantate 134 begint met een beknopt secco-recitatief (1) voor achtereenvolgens tenor en alt. Bach blijkt mijn kritiek op het ongeretoucheerd overnemen van recitatieven te delen en heeft het alt-gedeelte ter gelegenheid van een heruitvoering in 1731 omgewerkt tot een arioso met levendige continuo-begeleiding.
"Verheugt u" is het trefwoord voor de eerste aria (2), een lange (da-capo) en energieke aria waarin de tenor de gelovigen tot dankbaarheid aanspoort; hij wordt begeleid door het voltallig ensemble (twee hobo's, strijkers en continuo). Omdat de librettist het woordje Auf! handhaaft, kan het fanfare-motief zijn tekst-illustratieve functie blijven vervullen.
Het langere tweede recitatief (3) is opnieuw slechts door continuo begeleid (secco) en eveneens voor tenor en alt maar nu wisselen deze elkaar, na twee lange inleidingen, vaker af. Zij prijzen God die dood en Satan heeft verslagen. Hun danklied (4) is een aanstekelijk duet, begeleid door continuo en strijkers waaronder een druk figurerende eerste viool. De zangers trekken veelal gelijk op, in terts- en sextparallellen. De woorden Der Heiland erscheinet vormen de enige specifieke verwijzing naar het evangelie van de dag.
Na een derde secco-recitatief (5), weer voor tenor en alt en met een arioso slot, besluiten allen deze cantate met een vrolijk koor (6) op een dansant 3/8 ritme, een passepied. Er zijn weer zoveel duet-passages voor alt en tenor dat het voor de hand ligt te veronderstellen dat ook de overige partijen (sopraan, bas) enkelvoudig zullen zijn bezet.

De oppervlakkige revisie, met een tekst die nauwelijks aan enige specifieke gelegenheid refereert, maakt BWV 134 eigenlijk tot een universele en pretentieloze feestmuziek, een feestcantate per ogni tempore, voor willekeurige feestelijke gelegenheden: Nieuwjaar, Derde Paasdag, you name it, dus laten we vandaag maar zeggen: ter gelegenheid van het feit dat de Utrechtse Bach Cantate Diensten een nieuwe dirigent hebben: Gijs Leenaars.
omhoog


© Eduard van Hengel