|
|
|
|
|
|
||||
J.S.Bach: CANTATES 136 & 179De twee Bach-cantates van vandaag
ontmoeten elkaar hier - zoals eerder
uitgelegd - omdat Bach delen ervan hergebruikte in zijn Lutherse Missen
in
G en A die u hier resp. hoorde op 31 oktober en kunt horen op 27
maart. Maar beide cantates hoorden al enigszins bijeen omdat Bach ze
kort
na zijn aantreden als Thomascantor in Leipzig schreef, te weten voor 18
juli en 8 augustus 1723, in een eerste reeks cantates met eenzelfde,
zes-delige
opbouw: koor (op een bijbelcitaat) / recitatief - aria / recitatief -
aria
/ slotkoraal. Wij weten niet van welke tekstschrijver Bach zich in deze
periode bediende, en dat is misschien ook maar beter, gezien hun
poëtische
kwaliteit. Duidelijk is wel dat Bach in deze eerste twee maanden na
zijn
aantreden met de belerende tekst maar ook met de muziek zijn orthodoxe
superieuren niet voor het hoofd heeft gestoten. Dat is waarschijnlijk
ook
de reden waarom Bach deze muziek 15 jaar later zo gretig recyclede in
het
strenge kader van de mis-tekst.
De evangelielezing van deze achtste zondag na Trinitatis (Mattheus 7:15-23) behelst een waarschuwing tegen valse profeten: zij verschijnen als wolven in schaapskleren, maar men herkent hen aan hun vruchten, temidden van doornen en distels zijn immers geen druiven te oogsten; het expressieve tenor-recitatief (2) parafraseert deze met beelden overladen tekst. In aria (3) kondigen alt en obligate hobo d'amore (die thematisch geheel eigen wegen volgen) de Dies Irae aan, maar zonder de gebruikelijke huiveringwekkende illustraties; het middendeel stelt de huichelaars slechts nuchter (zonder hobo d'amore) Gods wrekende toorn in het vooruitzicht. Na de doem voor de huichelaars belooft de tweede helft van de cantate, beginnend met het bas-recitatief (4), troost voor de gelovigen: hoe zouden mensen zonder zonden kunnen zijn als de hemel al niet smetteloos is (de industriële revolutie moest nog komen!). Het duet voor bas en tenor (5) is daarom opgewekt van toon, waaraan de voortdurende terugkerende dalende loopjes van de violen (Adams Fall) geen afbreuk doen; met lange coloraturen wordt de bloedstroom verbeeld. Het normaliteir vierstemmige slotkoraal wordt hier (6) door een prachtige eerste viool-partij tot vijfstemmigheid opgewaardeerd.
Het tegen de hypocrisie moraliserende tenor-recitatief (2) leidt naar aria (3) waarin de schijnheiligheid wordt uitgebeeld door de vele syncopes in de unisono melodie van violen en hobo's, een melodie waarop ook de tenor zingt. (De legendarische sodomsappel, calotropis procera, ziet er eetbaar uit maar blijkt bij aanraking slechts vuiligheid te bevatten.) Wanneer Bach later de melodie aan een solo-hobo toevertrouwt, in de bewerking tot Quoniam van de Mis in G, wordt de hier wat vastberaden sfeer ineens een stuk tederder. Het recitatief (4) voltrekt de wending van de farizeeërs naar de belastingambtenaar en de ware christenen; uit enthousiasme rondt de bas zijn recitatief quasi-arioso af. De prachtige muziek van aria (5), vol schrijnende dissonanten in de lijnen van de donkere hobo's da caccia en smekende seufzer van de sopraan, maken deze welhaast beter geschikt voor het latere Qui tollis (in de Mis in A) dan voor de huidige, barok-realistische tekst. Eiter im Gebeine is trouwens een citaat van de profeet Habakuk. In het eenvoudig vierstemmig geharmoniseerde slotkoraal (6), op de melodie van Wer nur den lieben Gott läßt walten, verdient de uitgewerkte alt-partij speciale aandacht. (De Swaen, 27/2/2005) |
|||||||||