J. S. BACH: Wohl dem, der sich auf seinen Gott (BWV 139)

Beluister opnames van
 Richter, Harnoncourt of Leusink
BWV 139 is een van de cantates die Bach in zijn tweede seizoen te Leipzig componeerde op basis van kerkliederen (koralen), de zogenoemde koraalcantates. Bachs onbekende librettist handhaafde daartoe de koraaltekst van het eerste en laatste couplet en bewerkte de tussenliggende verzen tot aria- en recitatiefteksten. Bach gebruikt de koraalmelodie minimaal in het openingskoor en het slotkoraal, en soms ook nog elders.
Voor de drieëntwintigste zondag na Trinitatis, 12 november in het jaar 1724, gebruikte Bach het lied Wohl dem, der sich auf seinen Gott recht kindlich kann verlassen, in 1692 (dus tamelijk recent) gecomponeerd door Johann Christoph Rube (1665 - 1746), een rechter en vruchtbaar lieddichter; het lied placht te worden gezongen op een melodie die Bachs verre voorganger als Thomaskantor, Johann Hermann Schein (1586-1630) in 1628 schreef voor het lied Machs mit mir, Gott, nach deiner Güt, nach deiner Güt. De melodie geniet bij ons bekendheid uit de Johannes-Passion omdat Bach hem daarin gebruikte voor de centrale tekst Durch dein Gefängnis Gottes Sohn (BWV 245/22).
Het thema van de cantate is: Godsvertrouwen, want alle vijf coupletten van het koraal eindigen met een regel die God afschildert als Freund van de mens, die hem beschermt tegen alle mogelijke bedreigingen: gevaren (1), de agressie van de wereld (2), ongeluk (3), zondenlast (4) en doodsangst (5).
De cantate heeft zes delen, waaronder twee aria's die symmetrisch zijn gerangschikt rond een beknopt, slechts 8 maten lang recitatief (3). De aria's verwijzen naar elkaar: beide zijn als kwartet opgezet, met twee obligate stemmen naast de zanger en het continuo. En in allebei moet de componist tegengestelde affekten uitdrukken; hij doet dat met contrasterende motieven in de eerste, en met contrasterende passages in de tweede.
1. KOOR
Wohl dem, der sich auf seinen Gott
Recht kindlich kann verlassen!
Den mag gleich Sünde, Welt und Tod
Und alle Teufel hassen,
So bleibt er dennoch wohlvergnügt,
Wenn er nur Gott zum Freunde kriegt.
Het openingskoor (1) beantwoordt aan wat je het standaardtype voor de koraalcantates zou kunnen noemen: ingebed in een doorgaande concertante begeleiding worden tekst en melodie van de zes koraalregels in even zovele vocale passages in lange noten gezongen door de sopranen; voor het overige varieert Bach op dit model. Hier bijvoorbeeld begeleiden de drie lagere stemmen, alt, tenor en bas, de sopranen in de polyfone motetstijl: door achtereenvolgens (fugato) de betreffende koraalregel te imiteren, maar wel vier keer zo snel. Ze worden daarbij aanvankelijk slechts gesteund door de twee hobo's d'amore, pas aan het eind van een koraalregel voegen de strijkers er zich weer bij, met onafhankelijke partijen. Ook het thema van het inleidende instrumentale voorspel (ritornel) is, zoals het muziekvoorbeeld laat zien, van de eerste koraalregel afgeleid. Het ritornel wordt, als in een da-capo structuur, aan het eind herhaald; variaties ervan fungeren als intermezzi tussen de koraalregels. Veel nadruk krijgt de vijfde regel: ook de twee hobo's voegen zich met imitaties van de vijfde regel als 4e en 5e stem bij de polyfonie van de onderstemmen, nadat ze al in het voorafgaand intermezzo met syncopische sextparallen een duidelijk signaal hebben afgegeven, ‘let op: hier gaat het om': so bleibt er dennoch wohlvergnügt. De woorden Wohl dem en wohlvergnügt lijken bepalend te zijn geweest voor de warme sfeer van dit stuk, en de keuze voor de twee oboi d'amore, liefdeshobo's.
De koraalmelodie heeft de bekende A-A-B-structuur (Bar-vorm): de eerste twee regels worden herhaald. Hoewel de regels 3 en 4 vol staan met bedreigingen en gevaren, vindt Bach daarin geen aanleiding tot andere muziek: ook die blijft kinderlijk wohlvergnügt.
2. ARIA (T)
Gott ist mein Freund; was hilft das Toben,
So wider mich ein Feind erhoben!
Ich bin getrost bei Neid und Haß.
   Ja, redet nur die Wahrheit spärlich,
   Seid immer falsch, was tut mir das?
   Ihr Spötter seid mir ungefährlich.
In energieke tenoraria (2) vormt het troostvolle Gott ist mein Freund het hoofdmotief: het vaste vertrouwen van de Christen wordt in standvastige toonherhalingen uitgedrukt, en Gott krijgt een vrolijk strikje (muziekvoorbeeld). Het motief klinkt als een motto permanent door het hele stuk, met en zonder tekst. Maar er is ook een tegengesteld affekt: het Toben der Feinde, hun razen en tieren horen we in de stormachtige muziek van het continuo en de twee vioolsolisten, maar natuurlijk ook wanneer de tenor Toben zingt. In het middendeel, redet nur die Wahrheit spärlich, jullie kletsen maar wat, klinkt falsch behoorlijk vals, verder gaat het geraas gewoon door maar het zelfverzekerde Gott ist mein Freund keert pas weer terug in het da-capo.
De bezetting van deze aria vormt een probleem; behalve een tenor- en een continuopartij is ons slechts een solopartij voor de tweede viool overgeleverd. Er zijn goede gronden om te veronderstellen dat er een eerste vioolpartij is zoekgeraakt. William Scheide heeft zo'n partij gereconstrueerd; die is hier aan te klikken. O.m. Rilling gebruikt Scheides reconstructie; Leusink en Harnoncourt laten het bij één viool, Koopman maakt zijn eigen reconstructie en Gardiner heeft er een van Robert Levin. (Over verlies en reconstructie schreef ik bij BWV 181.)
3. RECITATIEF (A)
Der Heiland sendet ja die Seinen
Recht mitten in der Wölfe Wut.
Um ihn hat sich der Bösen Rotte
Zum Schaden und zum Spotte
Mit List gestellt;
Doch da sein Mund so weisen Ausspruch tut,
So schützt er mich auch vor der Welt.
Omdat Rube's koraal slechts vijf coupletten bevat, te weinig voor een zesdelige cantate, voelt de tekstschrijver zich vrij om met het alt-recitatief (3) uitdrukkelijk te verwijzen naar de voorgeschreven lezing uit het evangelie van Mattheus (22:15-22). Daarin ontwijkt Jezus de strikvraag van farizeeërs (der Bösen Rotte) "mag je wel belasting aan de romeinse keizer betalen?" met het slimme antwoord (weisen Ausspruch) "geef de Keizer wat des Keizers is, en God wat Godes is."
4. ARIA (B)
Das Unglück schlägt auf allen Seiten
Um mich ein zentnerschweres Band.
Doch plötzlich erscheinet die helfende Hand.
   Mir scheint des Trostes Licht von weiten;
   Da lern ich erst, daß Gott allein
   Der Menschen bester Freund muß sein.

Zoals de tenor wordt ook de bas in zijn aria (4) begeleid door twee obligate stemmen, waarvan de eerste bestaat uit de twee unisono spelende oboi d'amore. Van de tweede is geen originele partij bewaard gebleven maar slechts een transcriptie voor viool ten behoeve van een latere heruitvoering. Hoewel er dus oorspronkelijk zeker géén viool heeft gespeeld (wellicht een violoncello piccolo) is een uitvoering met viool redelijk en gebruikelijk. Deze dramatische aria wil maar liefst drie verschillende affekten hoorbaar maken: loodzwaar kluisterende tegenspoed, een plotselinge helpende hand en Gods troostvolle vriendschap. Maar hier gebeurt dat door elf achtereenvolgende, contrasterende passages, wisselend van tempo en maatsoort:
A: Das Unglück schlägt auf allen Seiten: in een gematigd snelle (poco allegro) 4/4-maat. Op het onregelmatig, ‘gepunkteerde' ritme van de continuobas zingt de bas de woorden Das Unglück schlägt; het motief herinnert ons aan de Geißelungs-aria van de alt in de Matthäus-Passion en zal dus de Schlägen symboliseren terwijl de hobo's met wilde uithalen schudden aan hun zware last.
B: plötzlich erscheinet die helfende Hand: opgewekte, troostrijke drieklankbrekingen alom, in een levendig dansante 6/8-maaten een snel Vivace. Reeds de librettist voorzag deze overgang door van een jambisch ritme (kort-lang) over te gaan op een vloeiender dactylisch ritme (lang-kort-kort).
A+B tesamen vormen het eerste deel van wat je een gevarieerde da-capostructuur kunt noemen: ze keren in verkorte vorm terug na het middendeel
C: Mir scheint des Trostes Licht etc: een prachtig cantabile van de bas, slechts door continuo begeleid, in een Andante 4/4-maat. De tweemaal zes vocale maten worden ingeleid en onderbroken door een milde instrumentale herinnering aan de sfeer van A. Dat de laatste twee regels een koraalcitaat zijn wordt muzikaal genegeerd.
vanaf maat

1
27
37
40
46
51
58
84
89
93
103
aantal maten

   26    
10 
3
6
5
7
   26   
5
4
10 
4
Unglück schlägt
poc' Allegro
A

A'

A'
A

A'
A'
Doch plötzlich
Vivace
B





B'

B

des Trostes Licht
Andante



C

C





5.  RECITATIEF (S)
Ja, trag ich gleich den größten Feind in mir,
Die schwere Last der Sünden,
Mein Heiland läßt mich Ruhe finden.
Ich gebe Gott, was Gottes ist,
Das Innerste der Seelen.
Will er sie nun erwählen,
So weicht der Sünden Schuld,
so fällt des Satans List.
Strijkers voorzien het contemplatieve slotrecitatief (5) van de sopraan van een stemmig decor; Gebe Gott, was Gottes ist verwijst weer naar de evangelietekst.
6. KORAAL
Dahero Trotz der Höllen Heer!
Trotz auch des Todes Rachen!
Trotz aller Welt! mich kann nicht mehr
Ihr Pochen traurig machen!
Gott ist mein Schutz, mein Hilf und Rat;
Wohl dem, der Gott zum Freunde hat!
Gesteund door alle instrumenten zingt het koor ten slotte (6) de eenvoudig vierstemmige harmonisering van het vijfde en laatste couplet van Rubes koraal.
omhoog


© Eduard van Hengel