J. S. BACH: Nimm, was dein ist, und gehe hin. (BWV 144)

Beluister opnames van Leonhardt, Gardiner, PetiteBande/Kuyken, All-of-Bach of Leusink
6 Februari 1724, de zondag waarvoor Bach zijn cantate 144 schreef, was Zondag Septuagesima, de negende zondag voor Pasen en de eerste van de lange reeks aan de paasdatum gerelateerde zondagen. De evangelietekst voor deze zondag die aan de cantate ten grondslag ligt is Matteüs 20: 1 - 16, de parabel over de dagloners van een wijnboer die mopperen dat ze na twaalf uur werk weliswaar hun afgesproken loon ontvangen maar collegae die pas later, tot en met het elfde uur werden ingehuurd eenzelfde beloning zien krijgen. Waarop de wijngaardenier antwoordt: neem waar je recht op hebt en ga naar huis; ben ik niet vrij om verder over mijn eigen geld te beschikken? Moraal: aanvaard je lot en probeer God niet in de kaart te kijken; hij beloont niet volgens een inzichtelijke logica. De tekstdichter verliest zich niet in diepzinnig theologische kwesties maar volstaat met een oproep tot soberheid en tevredenheid: een boodschap vergelijkbaar met die van BWV 84, Ich bin vergnügt mit meinem Glücke.
Bach schrijft voor deze voor-vastenzondag een korte, zesdelige cantate die ook nog eens door een koraal in tweeën wordt gedeeld. Voor de bas is er zelfs geen solopartij weggelegd en het orkest omvat, naast strijkers en continuo, slechts twee hobo's waaronder een hobo d'amore.
1. KOOR
»Nimm, was dein ist, und gehe hin.
«
Zonder enige instrumentale inleiding opent BWV 144 met een strikte vierstemmige koorfuga (1) in renaissancistische motetstijl: een 2/2 alla breve-maat () en geen zelfstandige partijen voor de instrumenten, zij verdubbelen slechts de koorstemmen (colla parte); alleen de basso continuo heeft een eigen partij die niet samenvalt met de koorbas. De zangers introduceren het thema paarsgewijs; eerst BT, dan SA.
De zeven woorden en acht lettergrepen van de titel (Matteüs 20: 14a) vormen de enige tekst voor een kort, markant en hoekig fugathema: een onverbiddelijke, dalende kwintsprong
gevolgd door een weg-wijzende sextsprong omhoog, als rhetorische figuur exclamatio geheten, waarmee de pruttelende arbeider c.q. gelovige (Dein) wordt weggezet. Elke stem plaatst tegenover het thema van zijn voorganger een tegenstem (contra-punt) van korte nootjes, gehe hin, een wegwerpgebaar ('pleur op'), een motief dat in de intermezzi tussen fugainzetten voortdurend (60x) herhaald zal worden en de itmische motor van de fuga vormt.
Deze strenge fuga kreeg reeds in 1760 - toen er toch nog maar héél weinig Bach werd uitgevoerd - bekendheid vanwege zijn vortreffliche Deklamation: een voorbeeldige combinatie van complexiteit en helderheid: de onvermijdelijke ingewikkeldheid van het fugatisch stemmenverloop staat rhetorische helderheid en verstaanbaarheid niet in de weg.
2. ARIA (A)
Murre nicht,
Lieber Christ,
Wenn was nicht nach Wunsch geschicht;
   Sondern sei mit dem zufrieden,
   Was dir dein Gott hat beschieden,
   Er weiß, was dir nützlich ist.

Strijkers begeleiden de alt in de aria (2), Murre nicht, lieber Christ. De moraliserende tekstdichter is hier al bij zijn conclusie aangeland: Sei zufrieden. Vergeleken met de strenge fuga is de toon luchtiger, het ritme dat van een gestileerd menuet. De muziek is gebaseerd op de tegenstelling tussen hoog en laag. In Bachs muzikale symbolentaal staat hoog altijd voor ‘goed', en laag voor ‘slecht' of - in dit geval - het negativum nicht. Murre nicht klinkt dus steeds laag en lieber Christ hoog, De strijkers onderstrepen het verongelijkte gemopper voortdurend met repeterende achtste noten ('boog-vibrato').
Wellicht als verwijzing naar de dagloners die zich spiegelen aan hun collegae worden de eerste acht maten gespiegeld herhaald, in een 'vrije omkering': laag wordt hoog en vice versa, en dus moet de tekst worden omgekeerd om het murren laag te houden (zie hiernaast).
De lange aria heeft een perfecte da-capostructuur; de positievere tekst van het middendeel krijgt een veel soepeler muziek, zonder de scherpe contrasten, en slechts met spaarzame begeleiding.
(De overgeleverde manuscripten geven geen antwoord op de vraag of de twee hobo's (d'amore) hier de violen colla parte moeten volgen. De vioolpartijen vergen voor de hoboïsten onbereikbaar lage noten, terwijl octavering van die noten de zo betekenisvolle octaafsprongen zouden verhullen.)
3. KORAAL
Was Gott tut, das ist wohlgetan,
Es bleibt gerecht sein Wille;
Wie er fängt meine Sachen an,
Will ich ihm halten stille.
Er ist mein Gott,
Der in der Not
Mich wohl weiß zu erhalten:
Drum laß ich ihn nur walten.
Met het koraal (3) Was Gott tut, das ist wohlgetan (Samuel Rodigast, 1675) bevestigt de gelovige gemeente als het ware het godsvertrouwen waarop de Zufriedenheit rust. Het is in deze cantate het enige stuk in een majeur toonsoort. Of het Bachs bedoeling was hiermee het eerste deel van een tweedelige cantate te besluiten, weten wij niet; het vervolg zou dan na de preek zijn uitgevoerd. Instrumenten versterken als gewoonlijk de zangstemmen.
Het koraal, waarvan alle zes coupletten beginnen met 'Was Gott tut, das ist wohlgetan' werd door Bach op zeker zes verschillende wijzen geharmoniseerd.
4. RECITATIEF (T)
Wo die Genügsamkeit regiert
Und überall das Ruder führt,
Da ist der Mensch vergnügt
Mit dem, wie es Gott fügt.
Dagegen,
wo die Ungenügsamkeit das Urteil spricht,
Da stellt sich Gram und Kummer ein,
Das Herz will nicht zufrieden sein,
Und man gedenket nicht daran:
Was Gott tut, das ist wohlgetan.
De tenor krijgt in het secco-recitatief (4) uitvoerig gelegenheid de morele les uit de tekst te trekken, een theologisch weinig beladen, vroege-Verlichtingsmoraal: soberheid. (Vergnügt betekende destijds nog niet genoeglijk of plezierig, maar ontleende zijn betekenis aan de stam 'genoeg'; tevreden dus.) Na de fraaie consonante harmonieën op de vergnügende eerste zin introduceert een schril verminderd-septiemakkoord (Barabbam-akkoord) op Dagegen veel onwelluidender klanken op Gram und Kummer. In de laatste, ritmisch (arioso) uit voeren regel wordt wèl de tekst van het voorafgaand lied geciteerd, Was Gott thut, das ist wohlgetan maar niet de melodie, want "man gedenket nicht daran".
(Bach citeert vrijwel nooit een koraaltekst zonder de bijbehorende melodie, quasi heiligschennis; doet-ie dat wel, zoals hier, moet het dus betekenis hebben.)
5. ARIA (S)
Genügsamkeit
Ist ein Schatz in diesem Leben,
Welcher kann Vergnügung geben
In der größten Traurigkeit;
   Denn es lässet sich in allen
   Gottes Fügung wohl gefallen
   Genügsamkeit.

Die koraalmelodie (maar nu zonder tekst) hoort de oplettende luisteraar wèl in de hoofdnoten van de melodie van het nu volgende duet voor sopraan en hobo d'amore (5):
 fis - b - cis - d - g - fis - e - d, in de maten 1 - 5,
thema 144-5


Het continuo begeleidt met een rustig lopende (andante = gaande) bas (walking bass).
Niet alleen de instrumentale inleiding, de hele aria is gebaseerd op een voortdurende herhaling van het Genügsamkeitsmotief (hiernaast), een motief dat na twee tellen alweer op zijn uitgangspunt terug is, weinig ambitieus, tevreden; het vormt de gehele muzikale substantie van de aria. Het hoofdwoord, tevredenheid, klinkt maar liefst zestien keer.
De aria is nogal vrij gestructureerd: A-B-A&B. Het middendeel, Denn es lässet ... heeft nauwelijks andere muziek, maar daarna wordt, in plaats van de herhaling van het A-deel, de gehele tekst nog eens doorgenomen. Wanneer de hoboïst ten slotte (m.36) de zes maten van zijn inleidend ritornel begint te herhalen, volhardt de sopraan nog enkele maten in haar Genügsamkeit; de hoboïst pauzeert - beleefd - een halve maat (m.38) voor haar slotcadens alvorens zijn ritornel af te maken.
6. KORAAL
Was mein Gott will, das gscheh allzeit,
Sein Will, der ist der beste.
Zu helfen den'n er ist bereit,
Die an ihn glauben feste.
Er hilft aus Not, der fromme Gott,
Und züchtiget mit Maßen.
Wer Gott vertraut, fest auf ihn baut,
Den will er nicht verlassen.
De cantate eindigt (6) met één van de zeven (!) van Bach bekende vierstemmige harmoniseringen van het (o.m. in de Matthäus-Passion voorkomende) koraal Was mein Gott will, das g'scheh allzeit, een van de oudere koralen uit de Lutherse liedboeken, in 1547 geschreven door Albrecht von Brandenburg, de eerste hertog van Pruisen en de eerste tot het Lutheranisme bekeerde Duitse prins.
Het koraal heeft de gebruikelijke Bar-vorm, A-A-B. Omdat op de eerste vier regels tweemaal dezelfde muziek klinkt kunnen we daar geen specifieke tekstillustratieve harmoniseringen verwachten. Dat zien we wel in de volgende regels, het Abgesang. Bij Noth (r.5) horen we veel chromatiek,verhoogde en verlaagde noten; züchtiget (r.6) staat op een chromatisch dalende kwart, het Lamento-motief, die klinkt als kleine zweepslagen, gevolgd door soepel stromend mit Maßen. De laatste twee regels zijn melodisch weer identiek aan de eerste maar worden - uiteraard - weer anders geharmoniseerd. Bij nicht verlassen wil het koraal ons maar niet in de steek laten: één hele maat extra!
omhoog


© Eduard van Hengel