|
|
|
|
|
|
J. S. BACH: Wir müssen durch viel Trübsal (BWV 146) |
Beluister
deze cantate alvast in de uitvoering door Leusink en zijn Holland Boys Choir |
||||
| De cantate van vandaag is één van de drie cantates die Bach schreef voor de derde zondag na Pasen, zondag Jubilate, genaamd naar de eerste woorden van de introïtustekst Jubilate Deo omnis terra (Psalm 66:1). Maar wie jubelende cantates verwacht vergist zich. Voor deze zondag schreef Bach in 1714 Weinen, Klagen, Sorgen, Zagen (BWV 12), in 1725 Ihr werdet weinen und heulen (BWV 103) en dan, waarschijnlijk in 1728, Wir müssen durch viel Trübsal in das Reich Gottes eingehen (BWV 146) omdat de evangelietekst voor deze zondag (Johannes 16:16-23) de uitspraak van Christus behelst - gedaan bij zijn afscheidsrede gedurende één van zijn verschijningen aan de discipelen in de korte periode tussen zijn opstanding (Pasen) en zijn Hemelvaart - dat hen een periode van Trübsal (moeilijkheden, tegenspoed, beproevingen) te wachten staat die echter in vreugde zal verkeren. De onbekende tekstdichter generaliseert deze tot de discipelen gesproken woorden tot alle volgelingen van Christus: zij zullen pas na lijden en ellende gedurende hun aardse bestaan beloond worden in het Rijk Gods. Dat wordt dus de lijn in deze cantate: van treurnis (delen 2 - 5) naar blijdschap (6 - 8). | |||||
| 1.
SINFONIA 2. KOOR Wir müssen durch viel Trübsal in das Reich Gottes eingehen. 3. ARIA (A) Ich will nach dem Himmel zu, Schnödes Sodom, ich und du Sind nunmehr geschieden. Meines Bleibens ist nicht hier, Denn ich lebe doch bei dir Nimmermehr in Frieden. 4. RECITATIEF (S) Ach! wer doch schon im Himmel wär! Wie drängt mich nicht die böse Welt! Mit Weinen steh ich auf, Mit Weinen leg ich mich zu Bette, Wie trüglich wird mir nachgestellt! Herr! merke, schaue drauf, Sie hassen mich, und ohne Schuld, Als wenn die Welt die Macht, Mich gar zu töten hätte; Und leb ich denn mit Seufzen und Geduld Verlassen und veracht', So hat sie noch an meinem Leide Die größte Freude. Mein Gott, das fällt mir schwer. Ach! wenn ich doch, Mein Jesu, heute noch Bei dir im Himmel wär! Ich säe meine Zähren Mit bangem Herzen aus. Jedoch mein Herzeleid Wird mir die Herrlichkeit Am Tage der seligen Ernte gebären. 6. RECITATIEF (T) Ich bin bereit, Mein Kreuz geduldig zu ertragen; Ich weiß, daß alle meine Plagen Nicht wert der Herrlichkeit, Die Gott an den erwählten Scharen Und auch an mir wird offenbaren. Itzt wein ich, da das Weltgetümmel Bei meinem Jammer fröhlich scheint. Bald kommt die Zeit, Da sich mein Herz erfreut, Und da die Welt einst ohne Tröster weint. Wer mit dem Feinde ringt und schlägt, Dem wird die Krone beigelegt; Denn Gott trägt keinen nicht mit Händen in den Himmel. 7. ARIA/DUET (T,B) Wie will ich mich freuen, wie will ich mich laben, Wenn alle vergängliche Trübsal vorbei! Da glänz ich wie Sterne und leuchte wie Sonne, Da störet die himmlische selige Wonne Kein Trauren, Heulen und Geschrei. 8. KORAAL Freu dich sehr, o meine Seele, Und vergiß all Not und Qual, Weil dich nun Christus, dein Herre, Ruft aus diesem Jammertal. Aus Trübsal und großem Leid Sollst du fahren in die Freud, Die kein Ohre hat gehöret Und kein Ewigkeit auch währt. |
Aan hergebruik van
bestaande muziek in nieuwe composities zijn we bij Bach (en zijn
tijdgenoten!) wel gewend, maar in BWV 146 krijgt dat een nieuwe
dimensie: Bach recycelt voor deze cantate twee delen van een
instrumentale compositie, een verloren gegaan vioolconcert dat wij
echter kennen uit zijn latere bewerking tot clavecimbelconcert in
d-klein BWV 1052. De bewerking van het eerste deel van dat vioolconcert
tot de sinfonia (1) is nog niet opvallend: Bach
transformeert de vioolsolo in een virtuoze partij voor de rechterhand
van de organist, die daardoor van continuospeler solist wordt. Deze
cantate past daarmee in een reeks cantates uit de jaren 1726 - 1728
waarin het orgel fungeert als soloinstrument (obligaat); er is
wel gedacht dat
Bach hiermee zijn oudste zoon Wilhelm Friedemann (*1710), zestien jaar
oud en leerling van de Thomasschule, als organist heeft willen
lanceren. De transcriptie van een viool- naar een orgelpartij betekent
wel veel Trübsal voor de
organist die heel ongewone violistische figuren op zijn
toetseninstrument moet uitvoeren. Omdat een viool hoger kan dan een
orgel staat de orgelpartij een octaaf lager maar wordt de organist
verzocht dat te compenseren door een één octaaf hoger
klinkend, viervoetsregister (4`) te trekken. De begeleiding komt van
strijkers, twee hobo´s d´amore en een
althobo, aangeduid
als taille = middenstem. De voor een inleidende sinfonia ongebruikelijk grote lengte en complexiteit van dit concertstuk bepaalt de maatvoering in de gehele cantate. Voor een evenwichtige opbouw moeten nu ook de aria´s (3) en (5) buitensporig lang zijn waardoor de hele, toch slechts uit acht delen bestaande cantate een minuut of 40 duurt, tegen 20 à 25 minuten normaal. Het openingskoor (2) vormt een opmerkelijker type bewerking, van het langzame tweede deel van het voormalig vioolconcert dat bestaat uit een reeks variaties op een telkens terugkerende (ostinate) basfiguur. We zagen al vaker dat Bach vier koorpartijen ‘inbouwt' in een tamelijk zelfstandige orkestbegeleiding maar niet eerder was die zelfstandigheid zo pregnant als hier waar de orkest-'begeleiding‘ een onafhankelijk uitvoerbaar deel van een concert is. Op een door de tekstdichter geselekteerde tekst uit het bijbelboek Handelingen 14:22 schrijft Bach een schrijnend klaaglied over de beproevingen die gelovigen op aarde te verduren hebben. Omdat wij deze cantate slechts uit latere afschriften kennen, blijft onduidelijk of de solopartij in de altaria (3) voor viool of toch ook weer voor orgel is bestemd. De alt wenst hartstochtelijk afscheid te nemen van de ellendige aarde (de zondige stad Sodom) en onderstreept zijn/haar verlangen naar de hemel met stijgende toonladderfiguren op Ich will nach dem Himmel zu. Onderwijl illustreert de instrumentale solopartij het nicht bleiben en nimmermehr in Frieden leben met voortdurende rusteloze gebroken akkoorden (arpeggio's). En steeds is Ich door een rust von dir gescheiden. De bekende Todessehnsucht wordt met opgewekte noten in een majeur toonsoort beleden. In het door strijkers begeleide (accompagnato) recitatief (4) beklaagt zich de sopraan met vaak pijnlijke modulaties over haar miserabele situatie in een vijandige wereld: `huilend sta ik op en ga ik weer naar bed`. De tekstdichter liet zich voor sopraanaria (5), de "tranenaria", inspireren door de bekende psalmtekst (126:5) Die mit Trànen sàen, werden mit Freude ernten. Het onmiskenbare keerpunt in de cantatetekst bij Jedoch vinden we in de muziek niet terug; niettegenstaande voorbijgaande arabesken van de sopraan op Herrlichkeit handhaven de traverso en de twee hobo´s d´amore de melancholische sfeer van Herzeleid in het gehele stuk. Ook hier weer: galant opgewekte muziek onder een tranenrijke tekst. Het secco-recitatief voor de tenor (6) behandelt voor de laatste keer het contrast tussen Weltgetùmmel en himmlische Freude (NB: in de laatste regel keinen nicht = ieder). Maar dan krijgt de Freude definitief de overhand in het luchtige en pretentieloze duet (7) voor tenor en bas. In de hoekdelen van deze da-capoaria zingen zij samen een Ich-tekst, maar inderdaad als uit één mond, in terts- en sext-parallellen; het middendeel verloopt iets canonischer. Van het slotkoraal (8) kennen wij slechts de melodie, in 1642 door Johann Schop gecomponeerd voor Johann Rists tekst Werde munter mein Gemùte; diverse teksten werden op deze melodie gezongen waarvan Freu dich sehr, o meine Seele (Demantius, 1620) in de context van deze cantate de meest geëigende lijkt. |
||||
|
© Eduard van Hengel | ||||