(De Swaen,
26-27/9/2009)
Bach componeerde zijn cantate 148 voor een zeventiende zondag na
Trinitatis, ergens eind september, begin oktober maar wij weten niet
precies in welk jaar, want ons is slechts een partituurafschrift
overgeleverd dat na Bachs dood tot stand kwam. De nalatenschap van
Bachs zoon Carl Philipp Emanuel rekent het tot Bachs eerste jaargang
(1723) maar diverse argumenten (zie hieronder) spreken voor 1725.
Ook weten wij niet wie de vrije teksten voor de delen 2 - 5 schreef
maar deze lijken wel sterk geïnspireerd door een
Erbauliches Gedicht dat Bachs
latere librettist Picander in 1725 publiceerde, maar dat zeer wel al
eerder - in één of andere vorm - in Bachs omgeving kan
hebben gecirculeerd. De tekst sluit aan bij de voor deze zondag
voorgeschreven lezing uit het evangelie van Lucas (14: 1-11) waar wordt
verteld hoe Jezus op een Sabbat een aan ‘waterzucht' (oedeem) lijdende
man geneest; de cantate borduurt uitsluitend verder op het aansluitend
dispuut met joodse schriftgeleerden of men op de Sabbat goede werken
mag verrichten, en loopt uit op een viering van de zondagsheiliging die
de joodse orthodoxie dichter lijkt te benaderen dan de vrijzinnige
houding van Jezus en zijn discipelen. Dit feestelijk karakter verklaart
wellicht de, voor een gewone zondag ongebruikelijk royale instrumentale
bezetting: trompet en drie hobo's, naast strijkers en continuo. De
cantate heeft, anders dan zo vaak, een vrijwel wolkenloos zonnig
karakter.
Kern van het stralende openingskoor
(1)
vormen twee direct op elkaar aansluitende vijfstemmige koorfuga's
waarin de twee zinsdelen worden verwerkt van Psalm 29: 2:
Bringet dem Herrn Ehre seines Namens
en
betet an den Herrn im heiligen
Schmuck (= in je mooiste kleren). Deze twee centrale fuga's
liggen ingebed in een lange (33 maten) instrumentale sinfonia, die na
de fuga's wordt herhaald maar dan met vocale partijen daarin ingebouwd.
Zie het schema. (NB Deze inbouw van vocale partijen in een gegeven
instrumentaal concerto is een kunststukje dat we bij Bach voor het
eerst in 1724 tegenkomen, nadat hij dat enkele malen heeft beproefd in
aria's van najaar 1723; het is onwaarschijnlijk dat hij dat al voordien
in een koor zou hebben gedaan: een argument voor het ontstaan van BWV
148 in 1725.)

De thema's van beide fuga's klinken reeds, aaneengesloten, in de eerste
fanfare van de trompet (zie het tweede schema) en worden direct door de
eerste viool
overgenomen en vervolgens ook door het continuo, waarna het koor eerst
nog, slechts door continuo begeleid (
a
cappella) de volledige tekst
reciteert, homofoon dus goed verstaanbaar. Wanneer, na 50 maten
inleiding, de sopraan eindelijk de eerste fuga (
Bringet Ehr) lanceert, wordt deze
inzet door begeleidende akkoorden van de overige stemmen enigszins aan
het oor onttrokken. In beide fuga's worden de vier themainzetten van
het koor aangevuld met een vijfde door de trompet. De overgeleverde
partituur noteert de medewerking van de drie hobo's slechts in altaria
(4) en het slotkoraal; het ligt
echter voor de hand en stemt overeen met Bachs gewoonten dat zij in het
openingskoor de strijkers verdubbelen (
colla
parte).

In aria
(2) lijkt de
leergierige tenor zich bijkans dansend over het kerkepad te haasten,
daarin bijgestaan door een virtuoos concerterende vioolsolo. Ook een
telkens terugkerend (
ostinato)
motiefje van het continuo houdt de pas er goed in. Zo nu en dan weet de
viool zelfs de afstandelijke continuobas uit zijn onaangedane ritmiek
te verleiden tot een dartel zestienden loopje. Het is een lange aria,
met een vrije da-capostruktuur (A-B-A'): nadat de tenor het tweede deel
van de tekst, onder aanvankelijk zwijgen van de viool, heeft behandeld,
keert de eerste regel (
Ich eile..)
met licht gewijzigde muziek weer terug, en tenslotte herhalen de
instrumentalisten het voorspel integraal. De over het algemeen
hoog liggende tenorpartij reikt zelfs tot de b'.
Veel bedachtzamer is het door strijkers begeleide recitatief van de alt
(3). Vertrekkend vanuit een bekend
psalmcitaat (
Zoals een hert smacht
naar koel water..., Ps.42:1) verlangt ook deze naar de Sabbat,
maar niet zozeer ter leringe maar om rust en lofprijzing.
In een verwante sfeer ontplooit altaria
(4) zich als een verinnerlijkte
tegenhanger van de extraverte tenoraria. De alt wordt, behalve door het
continuo, vergezeld door drie hobo's: twee hobo's d'amore (alt-hobo's)
en een, nog weer een terts lager gestemde
hobo da caccia. Zij verzorgen een
overwegend homofone begeleiding waarin de drie instrumenten tot
één klankbundel versmelten. Opmerkelijk is het telkenmale
zwijgen van het continuo bij inzetten van de alt; een pauzerende
basso continuo symboliseert bij
Bach veelal het verlies van vaste grond onder de voeten, denk aan de
Aus Liebe-aria in de
Matthäus-Passion. Hier lijkt de vrome alt, terwijl ze de mystieke
eenheid met God zoekt ("ik in uw hart, gij in het mijne") aan de aarde
ontstegen. En lang rust z/hij ten slotte op
Ruhebette.
In een kort slotrecitatief
(5)
sluit de tenor zich aan bij de diepere betekenis die de alt aan de
Sabbatsheiliging heeft gegeven.
Van het slotkoraal
(6) zijn
ons slechts de noten van de vierstemmige harmonisering overgeleverd,
maar niet de tekst. Diverse liederen, elk met meerdere coupletten,
werden op de genoteerde melodie gezongen. De oude Bachausgabe verkoos
Führ auch mein Herz und Sinn,
het elfde vers van Johan Heermanns
Wo
soll ich fliehen hin (1630) terwijl de nieuwe Bachausgabe de
voorkeur geeft aan
Amen, zu aller
Stund, het zesde vers van
Auf
meinen lieben Gott, een lied van Sigismund Weingärtner
(1607). Bezwaar tegen beide teksten zou kunnen zijn dat ze resp. de
begrippen
dein Geist en
Herr Christ in de cantatetekst
introduceren, specifiek christelijke begrippen die niet eerder
voorkwamen in deze cantate, die met een psalmwoord begint en ook
overigens het begrip Sabbat niet door zondag vervangt en daarmee -
bedoeld of onbedoeld - een ruimer dan christelijke gebruiksmogelijkheid
heeft, bijv. in de joodse traditie.
Met dit koraal eindigt deze cantate die slechts soli voor alt en tenor
bevat; wellicht heeft er een tweede cantate bestaan, met soli voor bas
en sopraan, voor "na de preek."
