J. S. BACH: Süßer Trost, mein Jesus kömmt (BWV 151)

Beluister deze cantate alvast
in de uitvoering door Leusink
en zijn Holland Boys Choir
Bach schreef zijn Cantate 151 voor de derde Kerstdag 1725, het jaar waarin hij het qua cantateproductie wat rustiger aan ging doen; met Trinitatis (Drievuldigheidszondag, de zondag na Pinksteren) had hij twee vrijwel complete cantatejaargangen voltooid maar in de tweede helft van het jaar componeerde hij nog slechts vier nieuwe cantates. Gedurende de weken van Advent echter, waarin te Leipzig geen concertante muziek mocht klinken, gaat hij weer stevig aan het werk en schrijft maar liefst vijf nieuwe cantates voor de acht zondagen van Kerst tot Nieuwjaar. Dat twee van die cantates, BWV 57 en 151, resp voor de tweede en derde Kerstdag, geen groot openingskoor hebben, zogenaamde solisten-cantates zijn, wordt meestal uitgelegd als "Bach waakt ervoor zijn druk bezette zangers te overbelasten"; dat lijkt mij een misverstand, berustend op de veronderstelling dat Bachs koor ‘veel' zangers omvatte. In feite echter bestond zijn ‘koor' slechts uit de vier zangers (‘concertisten') die ook in BWV 151 alle recitatieven en aria's zingen en voor wie een gezamenlijk koor eerder een lichtere dan een zwaardere taak was dan een aria; Bach ontzag dus vooral zichzelf, en ook daarvoor kunnen we begrip hebben.
Hij schrijft in deze periode een zestal cantates op teksten die de Darmstadter hofbibliothecaris en dichter/schrijver Georg Christian Lehms (1684-1717) reeds in 1711 publiceerde, primair ten behoeve van zijn collega, kapelmeester Christoph Graupner. Bach componeerde al in Weimar enkele cantates uit Lehms' bundel. Omdat de tekst is geschreven vanuit de eerste persoon enkelvoud (ich, mein, mich) zou hij bedoeld kunnen zijn voor een solocantate van slechts één zanger, zoals Jauchzet Gott in allen Landen (BWV 51, voor sopraan) of de Kreuzstab-cantate (BWV 56, voor bas). Deze suggestie, die één zanger teveel zou belasten, volgt Bach niet; hij verdeelt de rollen over zijn vier concertisten: aria's voor de hoge stemmen (‘vrouwen') en recitatieven voor de lage. Dat heeft tot gevolg dat de bas die zo vaak optreedt als Vox Christi of in een gezaghebbende of belerende rol, hier in (2) als eenvoudige gelovige de gedachtengang van de sopraan in (1) verder uitwerkt.
Lehms cantatetekst refereert nauwelijks aan de voor deze derde Kerstdag voorgeschreven evangelielezing, Johannes 1: 1-14, de theologisch diepgravende ("In den beginne was het woord ...") proloog tot het bijbelboek van de evangelist Johannes, die wel als dezelfde persoon wordt beschouwd als de apostel Johannes en wiens naamdag op 27 december valt. Het cantatelibretto schetst in toegankelijker bewoordingen de betekenis van Christus' komst op aarde. Terwijl Lehms zich Ao 1711 in woorden als kommt, anjetzt en jetzo reeds bedient van de moderne Duitse schrijfwijze, verkiest Bach Ao 1725 nog de oude vormen kömmt, anitzt en itzo.
1. ARIA (S)
Süßer Trost, mein Jesus kömmt,
Jesus wird anitzt geboren!
   Herz und Seele freuet sich,
   denn mein liebster Gott hat mich
   nun zum Himmel auserkoren.
De cantate opent met een uitzonderlijk mooie aria (1) voor de sopraan die zich hier in haar rol als gläubige Seele innig verheugt in de geboorte van Christus: één van de "most supremely beautiful cantates" (Whittaker), "den glücklichten Eingebungen Bachs" (Dürr). De aria heeft een volledige da-capostructuur (A-B-A), waarbij het eerste deel (A) na een kort middendeel (B) ongewijzigd wordt herhaald; hij is daardoor langer dan alle overige delen van de cantate tesamen. De twee hoofdwoorden, Trost en freuen, worden uitgewerkt in de twee contrasterende delen: een ingetogen  molto adagio (A) en een uitbundig vivace (B), uitdrukking van twee verschillende affekten die een conventioneler componist over twee aria's zou hebben verdeeld.
Het hoofddeel roept met zijn 12/8-maat, de volle klank (maar 'sempre piano‘) van het vierstemmig strijkersensemble en de hobo d'amore die de eerste violen doubleert, de sfeer op van een dromerig pastoraal wiegelied voor het pasgeboren Kerstkind. (De hobo volgt de eerste violen zo hoog hij kan; niet meer bijv. in m.46.) De traverso versiert de lang uitgesponnen, wiegende strijkersmelodie (a) met luchtige arabesken (b). De sopraan begint met een vereenvoudigde versie van de traverso-melodie, maar gaat haar eigen wegen wanneer de instrumentalisten twee maten later hun inleidend ritornel gaan herhalen; deze sopraanpartij onderscheidt zich van vele andere door zijn bijna romantische, cantabele lange lijnen.
Na nog een, maar nu tot op de helft verkorte herhaling van het ritornel, versnelt het tempo plotseling in een 2/2-maat (alla breve, alla breve). De sopraan neemt het initiatief voor een energieke dialoog met de traverso, en vooral in een lange triolen-coloratuur op freuet die door de traverso gretig wordt overgenomen. Na dit wat uitgelaten intermezzo keert de oorspronkelijke, troostrijke muziek weer terug met een integrale herhaling van het langzame A-deel, en de Bach-commentator Waldemar Voigt die Ao 1928 (zoals veel van zijn tijdgenoten) niet zoveel op had met da-capo's adviseert dat in dit speciale geval toch maar wel te doen en hoogstens het inleidend ritornel achterwege te laten (!). Aaltje + Puik
Van deze aria bestaat nog een stokoude (1929) opname door de destijds beroemde Nederlandse sopraan Aaltje  Noordewier-Reddingius (1868 - 1949), begeleid door Anthon van der Horst (orgel) en haar jongste zoon Miek Noordewier (fluit), bewaard in de verzameling Het Puik van zoete kelen, 10 CD's met Nederlandse zangers van de twintigste eeuw. (Philips 464 385-2, 1999) (geluidsfragment)
2. RECITATIEF (B)
Erfreue dich, mein Herz,
denn itzo weicht der Schmerz,
der dich so lange Zeit gedrücket.
Gott hat den liebsten Sohn,
den er so hoch und teuer hält,
auf diese Welt geschicket.
Er läßt den Himmelsthron
und will die ganze Welt
aus ihren Sklavenketten
und ihrer Dienstbarkeit erretten.
O wundervolle Tat!
Gott wird ein Mensch und will auf Erden
noch niedriger als wir
und noch viel ärmer werden.
Bas-recitatief (2) voltrekt de overgang van de hooggestemde, in een majeur toonsoort gestelde aria (1) naar de mineur-aria (3) van de alt, waarin de lage status van Jezus wordt bezongen. De bas opent met een juichende coloratuur op Erfreue en besluit, na een deprimerend verminderd-septiemakkoord op niedriger met een gewrongen akkoordbreking op ärmer werden.
3. ARIA (A)
In Jesu Demut kann ich Trost,
in seiner Armut Reichtum finden.
   Mir macht desselben schlechter Stand
   nur lauter Heil und Wohl bekannt,
   ja, seine wundervolle Hand
   will mir nur Segenskränze winden.
De altijd wat aardser alt, meer dan de verheven sopraan geneigd tot empathie met het lijden, overweegt in aria (3) de paradox dat Jezus fysieke vernedering een geestelijke verrijking voor de christenen vormt. Behalve het continuo begeleidt hem/haar slechts één melodiestem, bestaande uit de unisono met de soloviool spelende hobo d'amore die, wanneer de alt niet zingt nog worden versterkt door de Violini e Viola in unisono, de tutti- en altviolen; dat is althans de interpretatie die de bewaard gebleven partijen geven van de instructies piano en forte. De maatsoort is de Alla breve, de vierkwartsmaat die in tweeën wordt gedacht ( alla breve), maar waarvan het gebruikelijke vlotte tempo hier wordt afgezwakt door de aanwijzing "Andante".
Het thema dat de instrumentalisten introduceren en waarop de alt de hoofdtekst zingt wordt gekenmerkt door dalende lijnen, de muzikale verbeelding van Demut. De ongekunstelde primaire harmonieën van aria (1), waarin geen extra kruis of mol te bekennen viel,  maken hier plaats voor ongemakkelijke chromatiek, wrange verminderde intervallen en slepende Seufzer. Na de eerste frase van de alt bevat het thema binnen één maat (m.13) maar liefst drie keer een dissonante tritonus, het interval van drie hele noten dat in de middeleeuwse muziek verboden was en in de barok als bijzonder onwelluidend gold en daarom de bijnaam diabolus in musica, duivel in de muziek, kreeg. Alleen in het middendeel, bij het woord Segenskränze, klaart de sfeer even op, uitlopend in een optimistische coloratuur op winden; maar dan wordt het eerste deel, da-capo, uitgebreid maar enigszins gewijzigd herhaald.
4. RECITATIEF (T)
Du teurer Gottessohn,
nun hast du mir den Himmel aufgemacht
und durch dein Niedrigsein
das Licht der Seligkeit zuwege bracht!
Weil du nun ganz allein
des Vaters Burg und Thron
aus Liebe gegen uns verlassen,
so wollen wir dich auch
dafür in unser Herze fassen.
Had basrecitatief (2) nog een verkondigende strekking, de tenor richt zich in recitatief (4) persoonlijk lyrisch tot Jezus. Maar ook hier is er slechts continuobegeleiding.

5. KORAAL
Heut schleußt er wieder auf die Tür
zum schönen Paradeis;
Der Cherub steht nicht mehr dafür
Gott sei Lob, Ehr und Preis!
Tot slotkoraal (5) dient Bachs eenvoudige vierstemmige harmonisering van het achtste en laatste couplet van Nikolaus Hermans kerstlied Lobt Gott, ihr Christen, alle gleich (1560); instrumenten spelen colla parte de koorpartijen mee. Terwijl de cantate totnutoe Jezus' geboorte in een ruimtelijk perspectief (hemel / aarde) bezong, belicht dit koraalvers de temporele dimensie: het paradijs dat aan het begin der tijden door Adams zondeval voor mensen gesloten werd, staat aan het eind der tijden weer voor allen open.
(Om één of andere reden is het koraal niet afgedrukt in de klavieruittreksels/koorpartituren die mijn site - volgens de oude Bachausgabe - aanbiedt. U kunt het koraal hier vinden.)
omhoog


© Eduard van Hengel