J. S. BACH: Mein Gott, wie lang, ach lange? (BWV 155)

Beluister deze cantate alvast
in de uitvoering door Leusink
en zijn Holland Boys Choir
Cantate BWV 155 is één van de cantates die Bach sedert het voorjaar 1714 maandelijks te Weimar schreef, uit hoofde van zijn functie als concertmeester aan het hof, en die hij later - in dit geval ongewijzigd - in Leipzig opnieuw uitvoerde. De cantate heeft een op het kleine orgelbalcon van de Weimarer slotkapel passende kleine, hier zelfs minimale bezetting: vijf instrumentalisten (een strijkkwartet plus fagot) en vier zangers die hier alleen in het slotkoraal gezamenlijk, als koor, optreden.
BWV 155 is gecomponeerd voor de tweede zondag na Epifanie (Driekoningen), 19 januari 1715, en werd op 16 januari 1723 in Leipzig herhaald. Uit het evangelie van Johannes wordt op deze zondag het verhaal gelezen over het eerste door Jezus verrichte wonder (Joh. 2: 1 - 11): op een bruiloft te Kana zou hij water in wijn hebben veranderd. Maar Bachs tekstdichter, de Weimarer Oberkonsistorial-sekretär, hofpoëet en -bibliothecaris Salomon Franck zoomt in op de daaraan voorafgaande gebeurtenis: wanneer Jezus' moeder Maria hem op het dreigend wijntekort attendeert, reageert Jezus nogal bot: "vrouw, bemoei je er niet mee, mijn tijd komt nog wel". Moraal: God is er niet direct als je hem nodig meent te hebben, het kan lang wachten zijn, veel lijden, maar uiteindelijk is hij er altijd. Wel verwijst de librettist naar het wonderverhaal met de parallellie water=tranen (Tränen, Zähren) en wijn=vreugde; zijn neologisme Freudenwein is één van die samenstellingen waarin de poëzie van Franck grossiert, zie Gnadenblick/-licht, Liebeshand/-arme, Tränenmaß.
De korte, slechts vijf delen omvattende cantate is gestruktureerd als een voortgaande vertelling, met de vier zangers als allegorische karakters: de sopraan (1), als gekwelde gelovige aan wie tranen in plaats van wijn geserveerd worden, wordt door een mede-gelovige (alt) en de tenor die vaak als evangelist optreedt bemoedigd (2), en zelfs Christus, de bas, belooft haar troost (3), zodat ze in aria (4) verheugd haar zorgen op Christus afwentelt. De gemeente valt haar bij in het slotkoraal (5).
1. RECITATIEF (S)
Mein Gott, wie lang, ach lange?
Des Jammers ist zuviel!w
Ich sehe gar kein Ziel
der Schmerzen und der Sorgen.
Dein süßer Gnadenblick
hat unter Nacht und Wolken sich verborgen,
die Liebeshand zieht sich, ach! ganz zurück;
um Trost ist mir sehr bange.
Ich finde, was mich Armen täglich kränket,
das Tränenmaß wird stets voll eingeschenket,
der Freudenwein gebricht;
mir sinkt fast alle Zuversicht.
Zonder enige instrumentale inleiding begint de sopraan haar sombere klaaglied over Gods afwezigheid (1), zich identificerend met de moederfiguur uit de schriftlezing. Een accompagnato-recitatief, waarin zij wordt begeleid door korte strijkersakkoorden en vooral pulserende basnoten die uitdrukking geven aan het lange wachten (warten) op een tergend lang (12 maten, 2/3 van het stuk), monotoon volgehouden D (orgelpunt), tegen alle dissonanten (cis, Es) in. Een kortstondig oplaaiend melisma op Freuden(-wein) illustreert slechts het woord, niet de gemoedstoestand van de sopraan; die wordt beter getroffen door de gelijktijdig snel dalende strijkersakkoorden, waarin de sopraan vervolgens meegaat. Het stuk eindigt met een harmonisch vraagteken, ‘op de dominant'.
2. DUET (A, T)
Du mußt glauben, du mußt hoffen,
du mußt Gott gelassen sein!
   Jesus weiß die rechten Stunden,
   dich mit Hülfe zu erfreun.
   Wenn die trübe Zeit verschwunden,
   steht sein ganzes Herz dir offen.
Alt en tenor, personificaties van geloof en hoop, dienen de vertwijfelde sopraan van repliek in hun duet (2): Du mußt glauben, du mußt hoffen. Ze bekrachtigen hun eensgezindheid in terts- en sextparallellen. Driemaal volgen ze elkaar in korte canons (m.13, 27, 33) die uitlopen in langere melismen op drie sleutelwoorden gottgelassen, erfreun en offen. De zangers worden begeleid door continuo en een hoogst uitzonderlijke, levendige fagotsolo; met grote sprongen doorkruist hij zijn gehele toonruimte, meer dan twee octaven, met een beweeglijkheid die de sopraan uit haar verstarring moet lokken. Het fagotmotief - dat 15 maal terugkeert - bestaat in feite uit vier gebroken drieklanken op de bekende lamentobas a, g, f, e (zie het muziekvoorbeeld). De uiterst virtuoze maar ook expressieve fagotpartij heeft als ‘dieptepunt' een lage G, d.w.z. de G van het contra-octaaf, een kwart onder de laagste toon van orgel en cello; op mij bekende moderne en barokfagotten is die noot niet speelbaar. (In Bachs cantates is de fagot regelmatig als continuoinstrument voorgeschreven; soli zoals hier vinden we slechts in BWV 177/4 en 149/6, ook een duet.)
3. RECITATIEF (B)
So sei, o Seele, sei zufrieden!
Wenn es vor deinen Augen scheint,
als ob dein liebster Freund
sich ganz von dir geschieden;
wenn er dich kurze Zeit verläßt,
Herz! glaube fest,
es wird ein kleines sein,
da er für bittre Zähren
den Trost- und Freudenwein
und Honigseim für Wermut will gewähren!
Ach! denke nicht,
daß er von Herzen dich betrübe,
er prüfet nur durch Leiden deine Liebe;
er machet,
daß dein Herz bei trüben Stunden weine,
damit sein Gnadenlicht
dir desto lieblicher erscheine;
er hat, was dich ergötzt,
zuletzt zu deinem Trost dir vorbehalten;
drum laß ihn nur, o Herz, in allem walten!
In het recitatief (3) spreekt ook de bas de sopraan bemoedigend toe. Hij troost haar met de verzekering dat Christus' afwezigheid slechts tijdelijk, en als test voor haar godsvertrouwen bedoeld is. De tekst contrasteert het troostrijke zoet van Freudenwein en Honigseim (‘honingzeem', ruwe honing) met het bittere drankje alsem, Wermut, dat dus hoogstens etymologisch maar niet qua smaak verwant is met onze vermouth. Hoewel het recitatief slechts secco, d.w.z. alleen door continuo begeleid wordt, speelt het continuo een actief-expressieve rol. Het onderstreept de strekking van de tekst door Freund met een snel melisma op ganz te scheiden van von dir, en kleurt negatieve begrippen als Wermut en betrübe met dissonante harmonieën (‘verminderd septiemakkoord'). Positieve wendingen als desto lieblicher en in Allem walten krijgen een arioso-karakter wanneer het continuo de bas ritmisch begeleidt. De aanroep O Herz wijst vooruit naar
4. ARIA (S)
Wirf, mein Herze, wirf dich noch
in des Höchsten Liebesarme,
daß er deiner sich erbarme.
Lege deiner Sorgen Joch,
und was dich bisher beladen,
auf die Achseln seiner Gnaden.
de aria (4) waarin de in (1) nog zo weifelmoedige sopraan besluit haar hart voor God open te stellen en haar zorgen op zijn schouders af te wentelen. Boven een rustig voortstappend continuo spelen de hoge strijkers een levenslustige melodie, met grote sprongen en een gepunkteerd (kort/lang - kort/lang) ritme, die het werp(Wirf-)gebaar illustreren. Hun thema (muziekvoorbeeld) laat zien hoe de sopraan zich van grote hoogte (a") neervleit op een langdurige lage f. Zelfs het continuo neemt het gepunkteerd ritme over als de strijkers rusten op lange noten. De sfeer is ontspannen, opgewekt, een statige dans. De sopraan neemt het puntige ritme van de begeleidende strijkers over, maar versoepelt dat allengs tot triolen, zich als het ware behaaglijk nestelend in Gods armen. Er is geen da-capo maar een tweede teksthelft die driemaal wordt herhaald.
5. KORAAL
Ob sichs anließ, als wollt er nicht,
laß dich es nicht erschrecken,
denn wo er ist am besten mit,
da will ers nicht entdecken.
Sein Wort laß dir gewisser sein,
und ob dein Herz spräch lauter Nein,
so laß doch dir nicht grauen.

De gemeente sluit zich bij de sopraan aan door in het vierstemmig geharmoniseerd slotkoraal (5) het contrast te overwegen tussen Gods schijnbare àf- en werkelijke áánwezigheid. Paul Speratus schreef het lied Es ist das Heil uns kommen her, waarvan dit het twaalfde vers is, voor de eerste Lutherse gezangenbundel die in 1524 verscheen. De instrumentalisten versterken de koorstemmen. Bachs harmonisering kenmerkt zich door een groot aantal verbindingsnoten (achtsten) tussen de kwartnoten van de melodie, die het koraal een horizontaal, polyfoon aanzien geven.

omhoog


© Eduard van Hengel