|
|
|
|
|
|
J. S. BACH: Ich steh mit einem Fuß im Grabe (BWV 156) |
Beluister
deze
cantate
alvast in de uitvoering door Leusink en zijn Holland Boys Choir |
||||
| Pas nadat Bach in
zijn eerste vier
Leipziger jaren vrijwel drie
cantatejaargangen had voltooid schreef hij zijn eerste cantates op
teksten van de postbeambte Christian Friedrich Henrici die wij kennen
als tekstdichter Picander van de Matthäus-Passion en het
Weihnachtsoratorium. Deze publiceerde zelf in 1728 een jaargang
cantateteksten, bedoeld voor toonzetting door de unvergleichliche Herr Capell-Meister Bach,
maar
wij kennen slechts acht cantates van Bach op deze teksten
(waaronder BWV 156) zodat betwijfeld moet worden of Bach ooit een
complete Picander-jaargang heeft gecomponeerd. BWV 156 behoort tot de circa vijftig ‘solocantates' (globaal te vinden in de BWV-tientallen 50, 80, 150 en 160) waarin het vierstemmig koor slechts een slotkoraal zingt, en soms zelfs dat niet. Zij is bestemd voor de derde zondag na Epifanie (Driekoningen) en werd waarschijnlijk voor het eerst uitgevoerd op 23 januari 1729. In de evangelielezing voor deze dag, Mattheus 8 : 1 - 13, vraagt een ‘melaatse', een leprapatient, Jezus om genezing, doch slechts "indien gij dat wilt". Deze van een sterk geloof getuigende woorden vormden de basis van Bachs vroegere cantates voor deze zondag: Herr, wie du willt (BWV 73, 1724), Was mein Gott will (BWV 111, 1725) en Alles nur nach Gottes Willen (BWV 72, 1726) en ook voor de cantate van vandaag, al blijkt dat niet uit de titel; deze - of gelijksoortige - woorden openen en besluiten wel de belangrijke aria (4) en het slotkoraal (6). In plaats van met een openingskoor begint de korte cantate 156 met een instrumentale Sinfonia (1) waarvan u de fraaie hobomelodie zou kunnen herkennen als het langzame middendeel van het clavecimbelconcert in f-klein (BWV 1056); beide stukken zijn bewerkingen van een verloren gegaan Köthener hoboconcert; alleen vraagt Bach hier nog geen pizzicato van de strijkers, hoewel deze doodsklokken-symbolen er zeker hadden gepast. De krasse titeltekst Ich steh mit einem Fuß im Grabe klinkt uit de mond van de tenor (2) die zich vereenzelvigt met de zieke uit de evangelielezing. Hij lijkt stevig te staan, op een lang aangehouden noot, een motief dat direct al door de unisono begeleidende strijkers werd gespeeld, maar onderwijl zakt de (harmonische) grond onder zijn voeten weg in een syncopisch schuivende beweging van de continuobas. Ook imiteert de muziek een vallende beweging. Maar de zich beklagende tenor is voortdurend in dialoog met zijn betere ik, de standvastige Seele (sopraan) die de aria doorsnijdt met uitingen van godsvertrouwen: een koraalvers van de voormalig Thomaskantor Johann Hermann Schein (1628). Het stuk wordt evenwel geen koraalbewerking maar blijft een aria: de tenor gaat steeds voorop, hij bepaalt de struktuur en vooral de sfeer waaraan de sopraan zich optimistisch onttrekt. Twee secco-recitatieven voor de bas omlijsten alt-aria (4). Ze vormen eigenlijk één geheel: de bas aanvaardt zijn lot, Ich bin bereit, in ziekte (3) en gezondheid (5). In de arioso conclusie van (3) onderstreept de continuobas het verhoopte snelle sterven met stijgende lijnen. De alt parafraseert in aria (4) de tekst van het koraal uit (2). Met de twee begeleidende stemmen, hobo en unisono spelende hoge strijkers, weeft hij een hecht driestemmig contrapuntisch netwerk op een aansprekend opgewekt thema, waaraan de begeleidende continuo nu en dan slechts lijkt deel te nemen. De zonnige sfeer betrekt tweemaal even wanneer Leiden en Sterben ter sprake komen. Maar ook woorden als Freude, Bitten en Flehen worden beeldend neergezet. Nadat de bas zich in (5) heeft voorgenomen ook mit frischem Leibe God als trooster te aanvaarden, bevestigt het eenvoudig vierstemmig geharmoniseerde slotkoraal het centrale thema Dein Wille gescheh´ met de woorden van een koraal van Kaspar Bienemann (1582) op een oude, ook wel voor Aus tiefer Not gebruikte melodie van Wolfgang Dachstein (1525). (De Swaen, 26-27/1/2008) |
|||||