J. S. Bach: Ich lasse dich nicht, du segnest mich denn (BWV 157)

Beluister deze cantate alvast
in de uitvoering door Leusink en
zijn Holland Boys Choir
Cantate 157 is een solocantate voor bas en tenor, waarin slechts het slotkoraal vierstemmig is geharmoniseerd; ook instrumentaal is de bezetting bescheiden, passend bij de aanvankelijke, kamermuzikale uitvoeringsomstandigheden tijdens een herdenkingsdienst in Pomßen bij Leipzig, voor de drie maanden eerder overleden kamerheer Johann Christoph von Ponickau, op donderdag 6 februari 1727, vier dagen nadat cantate 82 en drie dagen voordat cantate 84 in première ging. Het eerste deel van deze tweedelige cantate ter nagedachtenis aan een godvruchtig man liet zich in een later jaar ongewijzigd hergebruiken voor een nieuwe bestemming, het feest van Maria Reiniging (Maria Lichtmis, 2 februari); de evangelietekst voor die dag verhaalt immers van de ontmoeting van Jezus, wanneer hij veertig dagen na zijn geboorte door zijn moeder in de tempel wordt geïntroduceerd, met de oude Simeon die daarop verklaart getroost te willen sterven nu hij de beloofde heiland heeft gezien. Dit Mariafeest staat daarom altijd in het teken van de christelijke doodsaanvaarding: Ich habe genung (BWV 82), Mit Fried und Freud fahr ich dahin (BWV 125).
Het intieme openingsduet (1) is geschreven voor wat aanvankelijk waarschijnlijk alle uitvoerenden zijn geweest: drie instrumentale solisten (traverso, hobo, soloviool) en de twee vocalisten die samen een vijfstemmig concertstuk uitvoeren boven een basso continuo. De titeltekst, de integrale tekst van dit duet, is overigens niet aan het evangelie ontleend maar komt uit het oud-testamentische boek Genesis (32:27) waar hij wordt uitgesproken door Jakob die met een engel worstelt. De muziek toont echter niets van een worsteling maar des te meer van smekende gebaren en ‘vasthouden': bas en tenor imiteren elkaar voortdurend. De tekst wordt hier, en expliciet in de volgende delen, betrokken op het vasthouden van Jezus.
In aria (2) voor tenor en de lager gestemde hobo d'amore wordt het vasthouden van Jezus met lange noten uitgebeeld, en het Gewalt met wilde coloraturen. Na het accompagnato-recitatief (3) van de tenor (met strijkers) krijgt ook de bas zijn aria plus recitatief, maar hier zijn drie recitativische passages geheel in de aria (4) geïntegreerd; een zorgeloos stuk, begeleid door de twee andere instrumentalisten (viool, fluit) waarvan het thema begint met een zelfverzekerde kwartsprong die het ‘Ja, ja!' onderstreept. In het slotkoraal (5) valt de permanent in achtsten wandelende bas op: illustratie van het ewig zur Seite gehen. (De Swaen, 29/1/2006)
omhoog