J. S. BACH: Der Friede sei mit dir (BWV 158)

Beluister deze cantate alvast
in de uitvoering door Leusink
en zijn Holland Boys Choir
Van de solocantate voor bas BWV 158 is ons geen noot in Bachs handschrift overgeleverd zodat deze veel vragen oproept, tot en met de vraag of dit nauwelijks twaalf minuten durende muziekstuk wel één cantate vormt. Hoewel de vier afzonderlijke delen door niemand anders dan Bach kunnen zijn geschreven, lijkt het geheel uit tenminste twee verschillende bronnen gekopieerd, wellicht voor een specifieke gelegenheid (begrafenis bijv.). Het omslag meldt dat deze ‘cantate' bestemd is voor derde Paasdag èn voor het feest Mariä Reinigung (Lichtmis, 2 februari), maar waarschijnlijker lijkt dat hier delen zijn samengevoegd uit cantates die voor deze twee - nogal uiteenlopende - gelegenheden bestemd waren. De delen (2) en (3), die de substantiële kern vormen en het eerst gecomponeerd lijken, verwijzen onmiskenbaar naar de evangelielezing voor Mariä Reinigung, het feest dat herdenkt hoe Maria haar veertig dagen oude zoon in de tempel voorstelt, waarbij een oude man, Simeon*), aan wie was beloofd dat hij niet zou sterven voor hij de Messias had gezien, verklaart thans getroost te willen sterven: HERR, nun läßt du deinen Diener in Frieden fahren, dezelfde tekst die ten grondslag ligt aan die andere bas-solocantate, Ich habe genung (BWV 82). De andere delen daarentegen verwijzen naar de opstanding van Christus (Pasen): het slotkoraal (4) is een onmiskenbaar Paaslied, en de titeltekst Der Friede sei mit dir (1) is Christus' groet bij zijn verschijning aan de discipelen (Johannes 20, de verzen 21 en 26) die voorkomt in de evangelielezing voor de zondag na Pasen (niet: Derde Paasdag!). Het woord Friede verbindt beide bestanddelen. De uitzonderlijk kleine bezetting (koor, bassolist, soloviool, hobo en continuo) waarbij in het slotkoraal zelfs geen colla parte ondersteunende instrumenten zijn voorzien, verwijst naar een uitvoering in kleine, private kring.
1.  RECITATIEF (B)
Der Friede sei mit dir,
Du ängstliches Gewissen!
Dein Mittler stehet hier,
Der hat dein Schuldenbuch
Und des Gesetzes Fluch
Verglichen und zerrissen.
Der Friede sei mit dir,
Der Fürste dieser Welt,
Der deiner Seele nachgestellt,
Ist durch des Lammes Blut
bezwungen und gefällt.
Mein Herz, was bist du so betrübt,
Da dich doch Gott durch Christum liebt!
Er selber spricht zu mir:
Der Friede sei mit dir!

2. ARIA / DUET (B, S)
(B) Welt, ade, ich bin dein müde,
Salems Hütten stehn mir an,
   (S) Welt, ade, ich bin dein müde,
   Ich will nach dem Himmel zu,

(B) Wo ich Gott in Ruh und Friede
Ewig selig schauen kann.
   (S) Da wird sein der rechte Friedeb
   Und die ewig stolze Ruh.

(B) Da bleib ich, da hab ich Vergnügen zu wohnen,
   (S) Welt, bei dir ist Krieg und Streit,
   Nichts denn lauter Eitelkeit;

(B) Da prang ich gezieret mit himmlischen Kronen.
   (S) In dem Himmel allezeit
   Friede, Freud und Seligkeit.

3. RECITATIEF (B)

Nun, Herr, regiere meinen Sinn,
Damit ich auf der Welt,
So lang es dir,
mich hier zu lassen, noch gefällt,
Ein Kind des Friedens bin,
Und laß mich zu dir aus meinen Leiden
Wie Simeon in Frieden scheiden!

Da bleib ich,
da hab ich Vergnügen zu wohnen,
Da prang ich gezieret
mit himmlischen Kronen.

4.KORAAL
Hier ist das rechte Osterlamm,
Davon Gott hat geboten,
Das ist hoch an des Kreuzes Stamm
In heißer Lieb gebraten,
Des Blut zeichnet unsre Tür,
Das hält der Glaub dem Tode für;
Der Würger kann uns nicht rühren.
Alleluja!
De cantate begint met een slechts door continuo begeleid recitatief (1) waarin de titelwoorden driemaal worden herhaald en telkens als arioso, met doorgaande begeleiding, zijn gezet, de laatste maal met uitgebreide tekstherhaling. De bas vervult hier onmiskenbaar zijn karakteristieke rol van Vox Christi.
In de omvangrijke aria (2) echter vertolkt hij een parafrase van de woorden van de oude Simeon, uitgesproken bij de voorstelling van het baby'tje Jezus in de tempel. Dit deel is de hoofdschotel van de cantate, op zichzelf langer dan alle andere delen bij elkaar, en een uitzonderlijk stuk dat je zou kunnen beschouwen als een koraalbewerking van het stervenskoraal Welt, ade, ich bin dein müde van Johann Georg Albinus (1649), op een melodie van Johann Rosenmüller. De sopraan zingt dit koraal in lange noten, gesteund door de hobo. Omdat - enigszins merkwaardig - ook de tekst van de bas met de eerste koraalregel begint is het goed denkbaar dat de koraalmelodie oorspronkelijk helemaal niet werd gezongen maar als tekstloos citaat door de hobo gespeeld, in het vertrouwen dat de kerkgangers de tekst van dit bekende koraal zullen mee-denken, zeker na de tip in de eerste regel van de bas. Het statige koraal weerspiegelt het vastberaden doodsverlangen van de toenmalige gelovigen, een bevestiging van de woorden van de oude Simeon die, door de bas gezongen, de koraalzinnen verbinden.
De instrumentale begeleiding wordt verzorgd door een strak doorlopende continuopartij en een uiterst virtuoze en expressieve vioolsolo die door zijn hoge ligging de blik als vanzelf naar de hemel richt. (De hoge ligging, waarbij de g-snaar van de viool überhaupt niet wordt gebruikt, doet vermoeden dat deze solo wellicht oorspronkelijk voor een traverso of een violino piccolo was bestemd; de bouw van het stuk doet echter aan Bachs Weimarer periode denken en daar beschikte hij nog niet over een traverso.)
Het opnieuw slechts door continuo begeleide recitatief (3) gaat na zes regels over in een arioso, waarbij niet alleen de laatste twee regels van de voorafgaande aria terugkeren maar ook schetsmatig op de muziek daarvan wordt teruggegrepen. Anders dan in de aria wordt hier het woord Krone breed uitgesponnen.
De cantate besluit met het vierstemmig geharmoniseerde vijfde vers van Luthers lied Christ lag in Todesbanden (1524), een typisch Paaskoraal. Er zijn - buiten het continuo - geen begeleidende instrumenten gespecificeerd; Bach zou de hobo en de viool zeker de sopraan hebben laten doubleren.
Hoezeer ook tekstueel gebrekkig: dit kliekje cantate-resten vormt een muzikaal hoogstaande parel.


*) Ik ga voorbij aan de veronderstelde bejaardheid van Simeon: een later verdichtsel; waarvoor het evangelie elke aanwijzing ontbeert.
omhoog


© Eduard van Hengel