J.S.Bach: Sehet, wir gehn hinauf gen Jerusalem (BWV 159)

Beluister deze cantate alvast
in de uitvoering door Leusink
en zijn Holland Boys Choir
De cantate van vandaag schreef Bach voor de 27e Februari 1729, dus in de tijd dat zijn belangstelling voor het componeren van cantates, na 3 of 4 jaargangen, al begon te verflauwen. 27 Februari was in dat jaar Zondag Estomihi, de laatste zondag voor de vastentijd ("Carnavalszondag").
Dat "Zondag Estomihi" de vastentijd inluidt is voor het begrip van deze cantate van groot belang. Gedurende de vastentijd was in Leipzig namelijk geen concertante muziek (hoogstens a-cappellamuziek) toegestaan zodat Bach voor die weken geen cantates hoefde te maken, maar pas weer op Goede Vrijdag een passion moest uitvoeren, waarvoor hij deze tempus clausum natuurlijk goed kon gebruiken.
Veel commentatoren herinneren zich dan ook dat op Goede Vrijdag 1729 de Matthäus-Passion in première ging, en baseren daarop hun interpretatie van BWV 159, zelfs de gezaghebbende Dürr. We weten helaas inmiddels dat die MP al twee jaar eerder, in 1727, werd uitgevoerd, maar die uitvoering werd inderdaad wel in 1729, zeven weken na de cantate van vandaag, herhaald.
De relaties tussen de Estomihi-cantate 159 en de passionen, die we vandaag in allerlei verwijzingen naar passiemuziek tegenkomen, moeten we dus niet uit historische nabijheid, maar op inhoudelijke gronden verklaren. Een Estomihi-cantate (dat waren ook Bachs beroemde Bewerbungskantaten BWV 22 en 23 uit 1723) vormt voor een cantor de laatste gelegenheid om zijn visie op het lijdensevangelie te geven, het is een summiere lijdenspreek.
1. ARIOSO (B), RECITATIEF (A)
(B) Sehet!
(A) Komm, schaue doch, mein Sinn,
Wo geht dein Jesus hin?
(B) Wir gehn hinauf
(A) O harter Gang! hinauf?
O ungeheurer Berg,
den meine Sünden zeigen!
Wie sauer wirst du müssen steigen.
(B) Gen Jerusalem.
(A) Ach, gehe nicht!
Dein Kreuz ist dir schon zugericht',
Wo du dich sollst zu Tode bluten;
Hier sucht man Geißeln vor,
dort bindt man Ruten;
Die Bande warten dein;
Ach, gehe selber nicht hinein!
Doch bliebest du zurücke stehen,
So müßt ich selbst nicht nach Jerusalem,
Ach, leider in die Hölle gehen.

2. ARIA (A), KORAAL (S)
(A) Ich folge dir nach
(S) Ich will hier bei dir stehen,
Verachte mich doch nicht!

(A) Durch Speichel und Schmach;
(S) Von dir will ich nicht gehen,
(A) Am Kreuz will ich dich noch umfangen,
(S) Bis dir dein Herze bricht.
(A) Dich laß ich nicht aus meiner Brust,
(S) Wenn dein Haupt wird erblassen
Im letzten Todesstoß,

(A) Und wenn du endlich scheiden mußt,
(S) Alsdenn will ich dich fassen,
(A) Sollst du dein Grab in mir erlangen.
(S) In meinen Arm und Schoß.

3. RECITATIEF (T)
Nun will ich mich,
Mein Jesu, über dich
In meinem Winkel grämen;
Die Welt mag immerhin
Den Gift der Wollust zu sich nehmen,
Ich labe mich an meinen Tränen
Und will mich eher nicht
Nach einer Freude sehnen,
Bis dich mein Angesicht
Wird in der Herrlichkeit erblicken,
Bis ich durch dich erlöset bin;
Da will ich mich mit dir erquicken.

4. ARIA (B)
Es ist vollbracht,
Das Leid ist alle,
Wir sind von unserm Sündenfalle
In Gott gerecht gemacht.
Nun will ich eilen
Und meinem Jesu Dank erteilen,
Welt, gute Nacht!
Es ist vollbracht!

5. CHORAL
Jesu, deine Passion
Ist mir lauter Freude,
Deine Wunden, Kron und Hohn
Meines Herzens Weide;
Meine Seel auf Rosen geht,
Wenn ich dran gedenke,
In dem Himmel eine Stätt
Mir deswegen schenke.
1. BWV 159 is een solocantate die dus niet met een openingskoor begint, maar met een optreden van twee solisten, bas en alt, maar zij zingen geen duet, maar afwisselend ieder een eigen  muziekstuk.
De bas opereert hier als Vox Christi: niet alleen in de passionen is de Christusfiguur altijd een bas, ook in vele cantates is het de bas die Christus-woorden moet zingen. Zo ook hier: hij zingt het begin van de evangelietekst van deze zondag, Luk.18:31-43 (die ook de titel van de cantate vormt) waarmee Jezus zijn discipelen aankondigt naar Jeruzalem te gaan, waar hij weliswaar met gejuich en palmtakken zal worden verwelkomd, maar vervolgens zal moeten lijden en sterven. En de discipelen begrijpen daar niets van.
Het opgaan, naar het op een berg gelegen Jeruzalem wordt voortdurend geïllustreerd met een opgaande figuur, die ook nog herhaaldelijk in canon klinkt, je hoort ze achter elkaar moeizaam de berg beklimmen.
159-1.jpg
De ritmische muzikale vorm van deze aankondiging van Jezus, louter door continuo begeleid, bestempelt hem tot arioso, het midden houdend tussen een recitatief en een aria.
Dit bas-arioso wordt echter op drie plaatsen, zelfs al direct na het lang uitgesponnen eerste woord Sehet, doorsneden door een vrij gedichte commentaartekst van de alt, in de vorm van een recitatief met strijkersbegeleiding, waarin de alt zo ongeveer zegt "wat krijgen we nou, ga daar niet naar toe", maar aan het eind toch begrip toont "als dit niet was gebeurd, ach, dan ging ik naar de hel" waar de muziek ver in de diepte zakt.
Wat we hier horen is dus een soort dialoog, maar niet de historisch gesitueerde dialoog tussen Jezus en zijn leerlingen. De alt vertolkt niet het protest van de discipelen maar de weerzin en het ongeloof van de gelovige die het lijdensevangelie overweegt, compleet met al zijn twijfels en aarzelingen. De statische begeleidingsakkoorden onderstrepen het beschouwelijk karakter van haar uitingen. Het stuk is een dialoog tussen heden en verleden, maar geen historisch herinneren maar een aktueel herdenken, mediteren, overwegen.
Deze dialoog herinnert sterk aan de dialoog in het beginkoor van de Matthäus-Passion. Daar horen we een eerste koor, Jeruzalem/Sion dat oproept Helft mir klagen over de lijdensgeschiedenis, dat tegenover zich een tweede koor van gelovigen treft dat vraagt, twijfelt, aarzelt "Wen?, Wie?, Was?, Wohin?" en zich tenslotte gewonnen geeft en instemt. Ook verderop in de MP zijn het voortdurend vertegenwoordigers van het 2e koor die, niet begrijpend dat deze heilsgeschiedenis zich te hunnen bate voltrekt, de loop der gebeurtenissen pogen tegen te houden met machteloze uitroepen als "Lasst ihn! haltet! bindet nicht!", en tijdens de geseling de soldaten maant "Ihr Henker, haltet ein".
Deze overeenkomst in het dialoog-karakter zou u misschien niet zijn opgevallen, door de loutere massaliteit van de MP-opening tegenover het kamermuzikale formaat van de huidige cantate; hij springt echter in het oog als je let op de teksten die Picander, tekstdichter van zowel de MP als van de huidige cantate, Bach aanbiedt: struktureel zijn ze identiek. Het is de componist Bach die de ene tekst op muziek zet voor twee koren en orkesten (en er ook nog eens een koraal doorheen weeft) en in het andere geval een kleinschalige bezetting aanhoudt. Ook het openingskoor van het tweede deel van de MP heeft bij Picander zo'n zelfde dialogische struktuur. Bij Bach wordt dat (zoals u zich misschien herinnert) een alt-aria Ach, nun ist mein Jesus hin met een motet Wo ist dein Freund hingegangen.

2. In Aria (2) blijft de alt aan het woord, en in haar rol als gelovige maar ze is nu geheel bekeerd en ziet in dat Jezus moet worden nagevolgd, en in haar hart toegelaten. Die navolging illustreert het opgewekte, dansante thema dat telkens terugkeert, met elkaar navolgende triolen.
159-2.jpg
En zoals te verwachten zult u dat navolgingsthema ook herhaaldelijk in canon horen.
De warmbloedige, individueel wikkende en wegende alt krijgt daarbij een steuntje in de rug van de sopraan die (ook weer: zoals zo vaak) het stellige, institutionele spreken van de kerk, het dogma, de ideale gelovige belichaamt. De sopraan zegt/zingt (gesteund door de hobo) inhoudelijk eigenlijk hetzelfde als de alt, maar dan met de woorden en de muziek van een gezaghebbend bekend kerklied, een koraal, Ich will hier bei dir stehen, verachte mich doch nicht.
Dit koraal zal u bekend voorkomen. Ich will hier bei dir stehen is het zesde couplet van Paul Gerhardts O Haupt voll Blut und Wunden, het koraal waarvan Bach in de Matthäus-Passion maar liefst vijf coupletten gebruikt, in vijf verschillende harmoniseringen, op vijf verschillende toonhoogten en dus in vijf verschillende toonsoorten.
    Opmerkelijk is dat de sopraan het koraal in deze cantate zingt in Es-groot, precies de toonsoort waarop dit couplet als nr. 17 in de MP wordt gezongen.

3.Tenor-recitatief (3) richt zich tegen de Gift der Wollust en de Freuden der Welt; daaronder moeten hier worden verstaan de wellustige wereldse carnavalsgenoegens waaraan men zich dezer dagen wel overgeeft, maar die niet passen in het aangezicht van Jezus' ophanden lijden en sterven; zo calvinistisch waren de Lutheranen ook wel weer. Echte vreugde beleeft de gelovige pas in het zich erquicken, het kracht en inspiratie putten uit de verlossing door Christus' lijden.

4.  Bas-aria (4) - waarin voor het eerst tutti, allen in actie komen - is eigenlijk het muzikale hoogtepunt van deze cantate. Opnieuw is het de bas die zijn uitgangspunt kiest in Jezus' laatste woorden Es ist vollbracht (Joh.19:30) die we ons natuurlijk herinneren uit de gelijknamige alt-aria in de Johannes-Passion. Maar vervolgens spreekt de bas (‘ich') namens alle gelovigen zijn dankbaarheid jegens Jezus uit. Veel cantates eindigen in dankbaarheid en vaak wordt dat een tamelijk vrolijke boel. Hier niet.
Deze aria brengt rust tot uitdrukking, evenwicht, bezonkenheid, afwezigheid van elke spanning, alle problemen zijn opgelost, kortom: van verlossing door de dood van Christus. Das Leid ist alle: het lijden is voorbij, niet alleen van Christus, maar van ons allen. De stemming is die van stilte na de storm, van Mache dich mein Herze rein en Nun ist der Herr zur Ruh gebracht.
Die rust wordt hier in de eerste plaats uitgedrukt door de onbeweeglijk lange, of slechts heel langzaam bewegende noten van het continuo. Maar vervolgens speelt de hobo tegen een strijkersdecor een melodie die perfect het begrip ‘evenwicht' symboliseert: hij speelt achter elkaar twee motieven die exact elkaars omkering of gespiegelde vormen: elke sprong omlaag in het eerste motief correspondeert met een even grote sprong omhoog in het tweede, en vice versa, en het geheel eindigt op de noot waarop het begon.
159-3.jpg
Op dit motief zingt de bas het Es ist vollbracht, en ook wanneer u het slechts van de hobo hoort wordt u geacht er deze tekst bij te denken. U hoort dit motievenpaar, vocaal en instrumentaal, 12 keer, de klok rond, ook weer volkomenheid symboliserend.
Verderop wordt het eilen levendig uitgebeeld met een coloratuur waar viool en hobo achteraan hollen, en het vaarwel aan de wereld, met al haar verleidingen, Gute Nacht, wordt gevierd met een slaapverwekkende figuur die een heel octaaf naar beneden duikelt.
En na deze muzikale preek begrijp je, in het koraal (5). het zo geliefde barokke contrast: dat Jezus' lijden de gelovige een vreugde is.
(uitgebreidere spreektekst Utr. Bach-cantatediensten, 5/3/2006)
omhoog


© Eduard van Hengel