|
|
|
|
|
|
J. S. BACH: Herr Gott, dich loben wir (BWV 16) |
Beluister
deze
cantate alvast in de uitvoering door Leusink en zijn Holland Boys Choir |
||||
| Cantate 16
schreef
Bach voor Nieuwjaarsdag 1726, een feestdag welke de
lutherse
liturgische kalender verbindt met de besnijdenis en
naamgeving van
Christus, zeven dagen na zijn geboorte: Festum Circumcisionis J.C.
De
daarbij behorende evangelielezing beslaat slechts
één
vers, Lucas 2:21 en daarop baseerde Bach zijn cantates 171
(1729) en
248/iv, het vierde deel van het Weihnachtsoratorium in
1735. In zijn
eerste Leipziger jaren echter gaan de nieuwjaarscantates
(143, 190, 41
en 16) wel degelijk over het burgerlijk Nieuwjaar. BWV 16
heeft een
duidelijk daaraan referende struktuur: drie delen dank
voor het
afgelopen jaar gevolgd door drie delen die zegen over het
nieuwe jaar
vragen. Bach ontleent de tekst van de eerste vijf delen
aan een
jaargang cantateteksten van Georg Christian Lehms, die
deze
Darmstadter hofbibliothecaris al in 1711 voor zijn collega
kapelmeester
Graupner schreef, en waaraan Bach al gedurende zijn
Weimarer periode
cantateteksten ontleende. Ten behoeve van BWV 16 voegt
Bach zelf een
slotkoraal toe aan Lehms' tekst. Als Bach deze cantate componeert heeft hij al twee jaar lang vrijwel wekelijks een cantate (soms meer) geschreven, en sinds Pinksteren/Trinitatis 1725 doet hij het wat rustiger aan, zonder dat zijn creativiteit en experimenteerlust daaronder lijdt. Daarvan getuigen de ongebruikelijke vormen die hij kiest voor de delen (1) en (3). |
|||||
| 1.
Herr
Gott, dich loben wir, Herr Gott, wir danken dir. Dich, Gott Vater in Ewigkeit, Ehret die Welt weit und breit. 2. So stimmen wir Bei dieser frohen Zeit Mit heißer Andacht an Und legen dir, O Gott, auf dieses neue Jahr Das erste Herzensopfer dar. Was hast du nicht von Ewigkeit Vor Heil an uns getan, Und was muß unsre Brust Noch jetzt vor Lieb und Treu verspüren! Dein Zion sieht vollkommne Ruh, Es fällt ihm Glück und Segen zu; Der Tempel schallt Von Psaltern und von Harfen, Und unsre Seele wallt, Wenn wir nur Andachtsglut in Herz und Munde führen. O, sollte darum nicht ein neues Lied erklingen Und wir in heißer Liebe singen? 3. Koor Laßt uns jauchzen, laßt uns freuen: Gottes Güt und Treu Bleibet alle Morgen neu. Bas Krönt und
segnet
seine Hand,
Ach so glaubt,
daß
unser Stand
Ewig, ewig
glücklich
sei.
4. Ach treuer Hort, Beschütz auch fernerhin dein wertes Wort, Beschütze Kirch und Schule, So wird dein Reich vermehrt Und Satans arge List gestört; Erhalte nur den Frieden Und die beliebte Ruh, So ist uns schon genug beschieden, Und uns fällt lauter Wohlsein zu. Ach! Gott, du wirst das Land Noch ferner wässern, Du wirst es stets verbessern, Du wirst es selbst mit deiner Hand Und deinem Segen bauen. Wohl uns, wenn wir Dir für und für, Mein Jesus und mein Heil, vertrauen. 5. Geliebter Jesu, du allein Sollst unser Seelen Reichtum sein. Wir wollen dich vor allen Schätzen In unser treues Herze setzen, Ja, wenn das Lebensband zerreißt, Stimmt unser gottvergnügter Geist Noch mit den Lippen sehnlich ein: Geliebter Jesu, du allein Sollst meiner Seelen Reichtum sein. 6. All solch dein Güt wir preisen, Vater ins Himmels Thron, Die du uns tust beweisen Durch Christum, deinen Sohn, Und bitten ferner dich, Gib uns ein friedlich Jahre, Vor allem Leid bewahre Und nähr uns mildiglich. |
Het feestelijke
openingskoor (1) herinnert aan de grote
koraalfantasieën waarmee
de koraalcantates in de jaargang 1724/25 begonnen. Ook
hier horen we
een koraalmelodie en -tekst die in lange noten door de
sopraan (cantus firmus)
wordt gezongen.
Tekst en melodie zijn de eerste vier regels van Luthers
duitse
bewerking (1529) van de oud-kerkelijke, uit de vierde eeuw
daterende
hymne Te Deum Laudamus. Luther
handhaafde daarbij de melodie die in een oude
kerktoonsoort staat (Zie
het muziekvoorbeeld): zonder kruizen of mollen maar
eindigend op een G,
waar wij - tonale junks - C-groot of A-klein zouden
verwachten. Met
name het slotakkoord houdt daardoor in onze oren iets
onbestemds.Elkaar imiterend begeleiden de drie lagere vocale partijen de cantus firmus van de sopraan, die wordt versterkt door een corno da caccia (jachthoorn), een natuurtoon-instrument zonder ventielen of gaten. Het unieke en experimentele van dit openingskoor schuilt in de instrumentale begeleiding. Er is geen instrumentale inleiding (ritornel) waarin het orkest de motieven etaleert waarop tussenspelen en begeleiding worden gebaseerd - zoals in de meeste concertante openingskoren - maar de begeleiding beperkt zich ook niet (zoals in de motet-achtige koren) tot colla-parteversterking van koorpartijen. De drie hoge-strijkers partijen (en de twee hobo's die de beide violen volgen) verrijken het polyfone vocale stemmenweefsel in de tweede en vierde koraalregel met drie zelfstandige instrumentale stemmen zodat - met het zelfstandige continuo mee - een achtstemmig geheel ontstaat. Met name eerste viool en hobo spelen een fraaie tegenmelodie (contrapunt) die hoog boven de sopraanmelodie uitstijgt. In vier inleidende maten, voorafgaande aan de koorinzet, introduceert het continuo een vrolijk huppelritme (pa-pa-pam, pa-pa-pam) dat het gehele stuk wordt volgehouden, de door Schweitzer als ‘vreugde-motief' geïdentificeerde figura corta, die voor een krachtige ritmische puls blijft zorgen. De eerste continuo-noten, die
herhaaldelijk zullen
terugkeren, zijn afgeleid uit de eerste vier noten van het
koraal, zie
het tweede muziekvoorbeeld. Zonder instrumentale
tussenspelen en met
slechts vier regels koraal blijft het openingskoor een
tamelijk beknopt
stuk (34 maten).Met zijn secco recitatief (2) motiveert de bas waarom er dank gebracht moet worden, en als een pastor nodigt hij zijn volgelingen uit een lied aan te heffen, een nieuw lied (ein neues lied). En inderdaad volgt er nu, op de centrale tekst in Lehms' vijfdelig libretto, een hoogst ongebruikelijk (nieuw!) stuk muziek dat Bach als "Aria" aanduidde en dat je nog het best zou kunnen omschrijven als een basaria met koorbegeleiding. Nevenstaand schema
maakt duidelijk dat twee vrijwel
identieke koorgedeelten als ware het in een da-capoaria
een middendeel
omsluiten dat - afgezien van een korte onderbreking door
het koor - een
solo voor de bas bevat.Omdat de bas ook in de vierstemmige (‘koor-')gedeelten een tamelijk aparte rol speelt, staan (dirigenten van) koren met meervoudig bezette stemgroepen voor de vraag of de koorpartijen door het ‘koor' of door een solistenkwartet moeten worden gezongen. In Bachs enkelvoudig bezette koor, waar vier solisten het koor vormden, kon die vraag niet opduiken en was de bas die recitatief (2) zong vanzelfsprekend dezelfde die in de eerste maat het koor uitnodigt. Bachs eigenhandige notitie "solo" in de partij van de baszanger (niet in de partituur) aan het begin van wat wij de ‘bassolo' noemen (m.23), betekent niet dat hier andere of minder zangers moeten optreden maar behelst slechts een waarschuwing aan zijn bas (die sowieso alle basnoten in zijn eentje zong) ‘hier zwijgen de andere vocalisten'. Het woord Krönt krijgt steeds een versiering die visueel op een kroon lijkt: Augenmusik. De corno da caccia die in (1) slechts de sopraan volgde heeft in dit stuk een brilliante partij. Alt-recitatief (4) opent het tweede deel van de cantate waarin naar de toekomst wordt gekeken, en om zegen en bescherming wordt gevraagd voor kerk, school, staat en landbouw. Met een verontrustend Napolitaans sextakkoord en een valse tritonus (verminderde kwint, de diabolus in musica) wordt Satan weggezet. Terwijl het verlanglijstje van de alt de materiële voorzieningen betreft bidt de tenor in zijn lange aria (5) voor het geestelijk welzijn. Hij wordt slechts begeleid door continuo en een prachtige solo van de hobo da caccia, de kromme althobo; hij opent de aria met een lang ritornel van eindeloos stromende zestienden, dat nog tweemaal in extenso terugkeert. Zo uitgelaten en compact de lofprijzingen aan het begin van de cantate waren, zo verstild en breedvoerig klinkt dit vervolg. Hoewel het ritornel aan het begin van de herhaling (da-capo) vervalt, beslaat de aria toch bijna de helft van de tijd van de hele cantate. Hij werd tijdens de vroeg-twintigste-eeuwse cantaterenaissance niet door iedereen gewaardeerd: slap-sentimenteel, niet uit te voeren zonder drastische coupures (Voigt, 1918), slaapverwekkend, zelden liet Bach het zo afweten (Whittaker, jaren ‘30). Maar zij beschikten nog niet over historische caccia-kopieën. In later jaren herschreef Bach de solopartij voor een - wellicht door hemzelf bespeelde - violetta: een op de schouder steunende altviool of een tussen de benen gehouden alt-gamba; dit lijkt eerder een praktische noodoplossing dan een verbetering. Bach voegde aan Lehms' cantatetekst een slotkoraal (6) toe: het laatste vers van Paul Ebers nieuwjaarslied Helft mir Gotts Güte preisen (1580), in een strakke, akkoordische harmonisering. Omdat de melodie van de regels 6 en 7 identiek is, valt temeer op dat het Leid nog even met een verminderd septiemakkoord wordt onderstreept. Terwijl - zoals gebruikelijk - alle instrumenten met vocale stemmen meespelen, is enigszins ongewoon dat de tenorpartij in dit geval géén instrumentale steun krijgt; de altviool die normaliter de tenor volgt steunt nu de alt. En tenslotte is vermeldenswaard dat Bach twee dagen eerder, op de zondag tussen Kerst en Nieuwjaar zijn cantate 28 besluit met qua tekst en melodie precies hetzelfde koraal, maar wel in een andere harmonisering! |
||||
|
© Eduard van Hengel | ||||