J. S. BACH: Ihr, die ihr euch von Christo nennet (BWV 164)

Beluister deze cantate alvast
in de uitvoering door Leusink
en zijn Holland Boys Choir
Bach schreef zijn cantate 164 voor zondag 26 augustus 1725, de dertiende zondag na Trinitatis. Op die dag worden uit het evangelie van Lucas de verzen 23-37 van hoofdstuk 10 gelezen. In voorgaande jaren concentreerden Bachs cantates voor deze zondag zich respectievelijk op het eerste deel van het daarin vervatte ‘dubbelgebod', Du sollt Gott, deinen Herren, lieben (vers 27a, BWV 77, 1723) en het tweede, ‘daaraan gelijk', "en uw naasten als uzelf" (vers 27b, BWV 33, 1724). In 1725 behandelt hij Jezus' antwoord op de vervolgvraag van de Joodse schriftgeleerden "en wie is dan mijn naaste?", een antwoord in de vorm van de parabel van de barmhartige Samaritaan: twee hooggeplaatste joden, een priester en een tempeldienaar (Leviet) maken hun handen niet vuil aan een langs hun weg aangetroffen beroofde en mishandelde man, pas een Samaritaan, behorend tot een miskende bevolkingsgroep, grijpt in en verzorgt ‘s mans wonden. De kritiek op de joodse officials die deze gelijkenis oproept wordt in de cantate gericht tot de christenheid, die ihr euch von Christo nennet: waar blijft jullie barmhartigheid!?
Veel commentatoren karakteriseren BWV 164 als ‘intiem', kamermuziek, vanwege het ontbreken van een openingskoor; een vierstemmig koor treedt slechts op in het slotkoraal, en dat koor zou, zo erkennen ook deze commentatoren, wel eens uitsluitend bestaan kunnen hebben uit de vier solisten die de voorafgaande recitatieven en aria's zongen. Er is echter geen bewijs dat Bachs cantatekoor regelmatig groter was dan deze vier concertisten. Pas wie dat beseft kan zien dat de bezetting van deze cantate veeleer groter is dan de meeste andere: behalve de alleszins gebruikelijke continuogroep, strijkers en twee hobo's spelen er twee traverso's. Opvallend is anderzijds dat die twee hobo's niet concertant optreden, als groep tegenover bijv. strijkers of traverso's, en géén solopartijen spelen maar slechts unisono met de violen worden ingezet in duet (5) en - als versterking van de sopraanpartij - in koraal (6).
Een andere algemene karakteristiek is dat de cantate zich vrijwel voortdurend in mineur afspeelt; pas het slotkoraal staat in een majeur toonsoort. Opmerkelijk is bovendien dat in alle drie aria's canons, de strengste vorm van imitatie, een belangrijke rol spelen. En geen van die aria's heeft de ‘normale', al dan niet gevarieerde da-capostructuur, A-B-A; de afwijkende structuren zijn achtereenvolgens (1) A-B-A'-B', (3) A-B-B en (5) A-B-C-ABC.
Voor het libretto van deze cantate grijpt Bach terug naar de bundel Evangelisches Andachts-Opffer uit 1715 van de Weimarer bibliothecaris en hofpoëet Salomo Franck waaruit Bach destijds in Weimar veel cantateteksten betrok (maar voorzover wij weten waarschijnlijk niet voor een 13e zondag na Trinitatis).
1. ARIA (T)
Ihr, die ihr euch von Christo nennet,
wo bleibet die Barmherzigkeit,
daran man Christi Glieder kennet?
   Sie ist von euch, ach, allzu weit.
   Die Herzen sollten liebreich sein,
   so sind sie härter als ein Stein.
Het vierstemmig strijkersensemble begeleidt de tenor in aria (1). Strijkers en tenor delenthema 1 dezelfde thematiek en vlechten daarmee een dicht geweven, 4- tot 5-stemmig polyfoon netwerk van stromende achtste noten, op het 9/8 ritme dat aan een pastorale doet denken. Enkele details vallen op: de regelmatig canonisch terugkerende vier kwartnoten met de markante, rhetorische dalende kwintsprong in de themakop, het lange melisma op kennet, en de onwrikbare lange noten op Stein. Gelet op de tekst zou de tenor hier gezien kunnen worden als plaatsvervanger van de evangelist of als een prediker, die met een vrije interpretatie van de evangelietekst de christenen hun gebrek aan barmhartigheid voorhoudt. Francks weinig beeldrijke tekst laat ons in het onzekere wat Bach daarin heeft aangesproken en wat hij precies tot uitdrukking wilde brengen. Hij had bijvoorbeeld het contrast tussen lieblich en steinhart kunnen uitwerken maar dat zie ik niet. Ik houd het erop dat de lieflijke triolenstroom staat de barmhartigheid; hij wordt immers telkens bij de vraag wo bleibet sie even vervangen door stekelige staccatonoten van de strijkers. De mineur toonsoort is dan uitdrukking van treurnis over de falende gelovigen.
2. RECITATIEF (B)
Wir hören zwar, was selbst die Liebe spricht:
Die mit Barmherzigkeit den Nächsten hier umfangen,
die sollen vor Gericht
Barmherzigkeit erlangen.
Jedoch, wir achten solches nicht!
Wir hören noch des Nächsten Seufzer an!
Er klopft an unser Herz; doch wirds nicht aufgetan!
Wir sehen zwar sein Händeringen,
sein Auge, das von Tränen fleußt;
doch läßt das Herz sich nicht zur Liebe zwingen.
Der Priester und Levit,
der hier zur Seite tritt,
sind ja ein Bild liebloser Christen;
sie tun, als wenn sie nichts von fremdem Elend wüßten,
sie gießen weder Öl noch Wein
ins Nächsten Wunden ein.
Na een inleidende zin opent het secco, slechts door continuo begeleide recitatief (2) met een parafrase van een bekende zaligspreking uit Jezus' bergrede: "zalig de barmhartigen, want hun zal barmhartigheid geschieden" (Matteüs 5: 7), een quasi-bijbelcitaat dat Bach met ritmische begeleiding in arioso-stijl accentueert en waarin we de baszanger, zoals vaak, als Vox Christi kunnen identificeren. Maar het recitatief vervolgt met uitgebreide toelichtingen waarin de bas optreedt namens de schuldbewuste aangeklaagden ('Wir‘). Het continuo steunt met verontrustende ‘verminderd-septiemakkoorden' woorden als Auge, lieblos, Öl en Wunden.

3. ARIA (A)
Nur durch Lieb und durch Erbarmen
werden wir Gott selber gleich.
   Samaritergleiche Herzen
   lassen fremden Schmerz sich schmerzen
   und sind an Erbarmung reich.
In een kwartet met continuo en twee traverso's zingt de alt in aria (3) een innig loflied op de barmhartigheid. De twee traverso's introduceren de thema's die ook de alt overneemt voortdurend canonisch en volgen elkaar verder in vrije imitaties; het dominerend, sfeerbepalend muzikale element zijn de Seufzer (‘zuchten' of snikjes), twee aan twee gebonden secundestappen, meestal dalend, soms stijgend en vaak in langere reeksen achter elkaar, tot een octaaf omspannend. De Seufzer vertolken hier erbarmen, ontferming en liefde. De dalende secundes worden vergroot tot tertsen op het woord Samariter, de kampioen van de barmhartigheid. Dat woord wordt ook instrumentaal onderstreept door de beide traverso's die hier hun veelal canonisch voorgedragen thematiek (muziekvoorbeeld links) even verlaten ten gunste van éénstemmige terts- en sextparallellen (muziekvoorbeeld rechts).
Zoals boven al aangegeven: als het tweede deel van de tekst (B, regel 3 - 5) geheel is doorgenomen verwacht je, vertrouwd met da-capoaria's, in maat 31 een terugkeer van het begin (A); er volgt echter een tweede doorloop van de B-tekst en de aria eindigt met een herhaling van de instrumentale inleiding.

4. RECITATIEF (T)
Ach! schmelze doch durch deinen Liebesstrahl
des kalten Herzens Stahl,
daß ich dir wahre Christenliebe,
mein Heiland, täglich übe,
daß meines Nächsten Wehe,
er sei auch, wer er ist,
Freund oder Feind, Heid oder Christ,
mir als mein eignes Leid zu Herzen allzeit gehe!
Mein Herz sei liebreich, sanft und mild,
so wird in mir verklärt dein Ebenbild.
Het tenor-recitatief (4) is weliswaar niet het middelpunt maar wel de inhoudelijke spil van de cantate; dat krijgt een passend gewicht door een strijkers-accompagnato, met kleurrijke harmoniën en verrassende wendingen. De tenor bidt dat zijn kille hart, van Stein in (1) en hier van Stahl, vriend en vijand als zijn naaste moge erkennen en verschuift, ter introductie van de volgende aria, de aandacht naar God. De strijkers onderstrepen dat laatste met een aktievere begeleiding.
5. ARIA / DUET (S, B)
Händen, die sich nicht verschließen,
wird der Himmel aufgetan.


Augen, die mitleidend fließen,
sieht der Heiland gnädig an.

Herzen, die nach Liebe streben,
will Gott selbst sein Herze geben.
De derde en laatste aria (5) is een duet voor sopraan en bas, begeleid door continuo en een unisono, één stem spelende groep van alle overige instrumentalisten: beide vioolgroepen, twee hobo's en twee traverso's; alleen de altviolen blijven buiten deze ‘vette' partij. Omdat de tekst aan wie de barmhartigheid beoefent een transcendente beloning in het vooruitzicht stelt kiest Bach voor de ouderwetse polyfone kerkstijl en schrijft een kwartet van vier gelijkwaardige stemmen; ook de maatsoort, de alla breve, herinnert aan die stile antico: een 4/4-maat met de halve noot als teleenheid en de gestreepte C ( alla breve) als symbool. De tekst verdeelt Bach op voor de hand liggende wijze in drie maal twee regels, respectievelijk betrekking hebbend op Händen, Augen en Herzen; elk deel krijgt, conform de oude motetstijl een eigen thema dat steeds in strenge canon door beide zangers wordt geïntroduceerd en in vrije polyfonie voortgezet. In het derde thema loopt de muziek bij het menselijk nach Liebe streven zes stappen langs een toonladder omlaag; bij het sein Herze geben van God daalt het continuo maar liefst 20 stappen, zijn liefde is zoveel groter.
Het Hände-thema, waartoe de instrumentalisten zich verder beperken, klinkt aan het begin éénmaal tussen continuo en strijk/blazers "in de omkering": een stap omlaag in de eerste stem wordt beantwoord met een stap omhoog in de tweede, en vice versa. Die ‘inversie' symboliseert, aldus Schweitzer, de wederkerigheid tussen Gods liefde en de menselijke barmhartigheid.
In canons beantwoordt de tweede stem de eerste altijd met een karakteristiek intervalverschil; hier achtereenvolgens een octaaf, een kwart, een kwint etc. Doordat het derde regelpaar (C) twee thema's en twee canoninzetten heeft en ten slotte canon A wordt herhaald krijgt het stuk ondanks de variërende muziek toch een overkoepelende symmetrische structuur die onderstaand schema in beeld poogt te brengen. Nadat tekst A is herhaald komen de volgende vier regels in vrije polyfonie terug boven een herhaling van het ritornel-thema (maten 1- 18, ‘vocaal-inbouw') waarna het instrumentale ritornel nog eens letterlijk wordt herhaald. Al deze architectonische en contrapuntische hoogstandjes blijken de aantrekkelijkheid van de muziek toch niet in de weg te staan.
6. KORAAL
Ertöt uns durch dein Güte,
erweck uns durch dein Gnad!
Den alten Menschen kränke,
daß der neu leben mag
wohl hier auf dieser Erden,
den Sinn und all Begehrden
und Gdanken habn zu dir.
De gang van de cantate, van (een gebrek aan) aardse barmhartigheid naar een hemels vooruitzicht rechtvaardigt een slotkoraal (6) in majeur: het vijfde couplet van het lied Herr Christ, der einig Gotts Sohn van de hand van Elisabeth Kreuziger en in 1524 gepubliceerd in de eerste Lutherse liederenbundel. Alle instrumentalisten verdubbelen de koorpartijen colla parte. De aanvankelijke strakke, verticale harmonisering wordt in het Abgesang wat vloeiender en beweeglijker.
omhoog


© Eduard van Hengel

deel
A
B
C
C1                                         C2
A'
maat
19 - 38
44 - 63
70 - 87
88 - 101 107-136
tekst
Händen, die sich nicht verschließen,
wird der Himmel aufgetan.
Augen, die mitleidend fließen,
sieht der Heiland gnädig an.
Herzen, die nach Liebe streben,
will Gott selbst sein Herze geben
.

will Gott selbst sein Herze geben
.

Händen,
Augen / Herzen
thema
Haenden
Augen
Herzen
will Gott
Haenden
canon
S-B, all' Ottava
B-S, alla Quarta
S-B, alla Quinta B-S, alla Quarta B-S, all' Ottava