J. S. BACH: Gott soll allein mein Herze haben (BWV 169)

Beluister deze cantate alvast
in de uitvoering door Leusink
en zijn Holland Boys Choir
Bach schreef zijn cantate 169 voor 20 oktober 1726, de achttiende zondag na Trinitatis. Het is een zogeheten "solocantate" voor de alt, waarin het vierstemmig koor slechts optreedt in het eenvoudig geharmoniseerde slotkoraal. Bach heeft de afgelopen maanden al wel vaker solocantates geschreven, maar BWV 169 is de eerste van een vrijwel aansluitende reeks van zulke cantates voor alle stemmen, waarmee hij het lopende kerkelijk jaar gaat besluiten; daaronder het populaire BWV 56 Ich will den Kreuzstab gerne tragen. Het op de persoonlijke vroomheid gerichte karakter van de libretti die Bachs onbekende tekstdichter hem voor deze weken aanreikte, heeft er Bach waarschijnlijk toe bewogen deze reeks als solocantates te componeren.
Terwijl de vocale bezetting van BWV 169 dus bescheiden is, is de instrumentale uitgesproken rijk: naast de gebruikelijke strijkers en continuo twee hobo's d'amore en een taille (althobo) en een obligate orgelpartij, d.w.z. het orgel (en dan vooral de rechterhand) in een solorol. Die rol vervult het orgel vaker in cantates uit 1726; dat Bach deze ‘orgelcantates' speciaal zou hebben gecomponeerd om zijn oudste zoon, de toen zestienjarige en podiumrijpe Wilhelm Friedemann, te lanceren is een sympathiek maar helaas door de feiten achterhaald sprookje: Friedemann genoot dat seizoen vioollessen bij J. G. Graun in Merseburg.
De delen 1 en 5 van BWV 169 waarin - naast deel 3 - het orgel een markante solo speelt, bewerkte Bach tien jaar later tot de eerste twee delen van het clavecimbelconcert BWV 1053 in E-groot. Maar ook als cantatedelen zijn deze stukken niet origineel doch bewerkingen van een verloren gegaan concert; verondersteld werd dat dit een te Köthen gecomponeerd concert betrof voor een houtblazer (fluit, hobo (d'amore)?) of een altviool, totdat Christoph Wolff in 2005 op goede gronden opperde dat het een in 1725 in de Dresdner Sophienkirche voorgedragen orgelconcert zou kunnen zijn geweest.
In plaats van met een openingskoor begint cantate 169 met een zeker zo uitgebreide en zwaarwegende (1) sinfonia, een briljant en energiek concertstuk voor de organist, die wordt begeleid door alle instrumentalisten, inclusief de drie hobo's die in de latere bewerking tot clavecimbelconcert weer zullen ontbreken; instrumentaal is deze sinfonia dus rijker dan het concert. Het stuk heeft een da-capo-struktuur: na een lang middendeel in b-klein keert het in D-groot gestelde begin weer terug.
De teksten van BWV 169 borduren voort op een passage uit evangelielezing voor de 18e Zondag na Trinitatis, Matteüs 22: 34-46, waar Jezus, ondervraagd door joodse schriftgeleerden, het bekende "dubbelgebod" formuleert: gij zult God liefhebben bovenal, en ("het tweede, daaraan gelijk") uw naasten als uzelf. Pas recitatief (6) zal het laatste deel hiervan behandelen, de voorgaande delen concentreren zich op de Gottesliebe, in zijn twee betekenissen: de objectieve, van God uitgaande liefde die mensen als een geschenk overkomt (delen 2 en 3) en de subjectieve, van mensen uitgaande liefde tot God die een verzaking aan wereldse genoegens impliceert (delen 4 en 5).
1. SINFONIA

2. ARIOSO (A)
Gott soll allein mein Herze haben.
Zwar merk ich an der Welt,
Die ihren Kot unschätzbar hält,
Weil sie so freundlich mit mir tut,
Sie wollte gern allein
Das Liebste meiner Seelen sein.
Doch nein; Gott soll allein mein Herze haben:
Ich find in ihm das höchste Gut.
Wir sehen zwar
Auf Erden hier und dar
Ein Bächlein der Zufriedenheit,
Das von des Höchsten Güte quillet;
Gott aber ist der Quell,
mit Strömen angefüllet,
Da schöpf ich, was mich allezeit
Kann sattsam und wahrhaftig laben:
Gott soll allein mein Herze haben.

De uitbundige instrumentale inleiding (1) lijkt wel die wereldse pronkzucht te symboliseren als je ziet hoe ascetisch de titeltekst in recitatief (2) wordt uitgevoerd: slechts door continuo (secco = droog) begeleid. Na een kort instrumentaal ritornel zingt de alt de tekst driemaal als arioso, d.w.z. met een ritmische begeleiding op basis van het ritornel. In het middelste arioso krijgt het Gott soll allein mein Herze haben de toevoeging Ich find in ihm das höchste Gut: de hoofdtekst van aria (3). Tussen de drie arioso-passages zijn twee toelichtende teksten ingevoegd die de alt in vrij recitatief voordraagt. (Kot = stront)
3. ARIA (A)
Gott soll allein mein Herze haben,
Ich find in ihm das höchste Gut.
   Er liebt mich in der bösen Zeit
   Und will mich in der Seligkeit
   Mit Gütern seines Hauses laben.

Aria (3) is een duet voor alt en orgel; de individuele gelovige bevestigt het devies Gott soll allein mein Herze haben. Barokke versieringen van het orgel omranken de gelukzalige alt als de niet aflatende stroom zegeningen Gods.
4. RECITATIEF (A)
Was ist die Liebe Gottes?
Des Geistes Ruh,
Der Sinnen Lustgenieß,
Der Seele Paradies.
Sie schließt die Hölle zu,
Den Himmel aber auf;
Sie ist Elias Wagen,
Da werden wir in Himmel nauf
In Abrahms Schoß getragen.

Het korte, opnieuw secco begeleide recitatief (4) richt de blik op de liefde tot God. Zijn vermogen de ziel uit de hel en naar de hemel te brengen (in Abrahams Schoß tragen) wordt afgeleid uit de hemelvaart van de oud-testamentische profeet Elia die in een met vurige paarden bespannen wagen ten hemel steeg.
5. ARIA (A)
Stirb in mir,
Welt und alle deine Liebe,
Daß die Brust
Sich auf Erden für und für
In der Liebe Gottes übe;
Stirb in mir,
Hoffart, Reichtum, Augenlust,
Ihr verworfnen Fleischestriebe,
Stirb in mir.

Hoogtepunt van deze cantate is ontegenzeggelijk de door orgel en strijkers begeleide aria (5), Stirb in mir, Welt. Hij contrasteert als een "Grabgesang der Weltliebe" met het "Lobgesang der Gottesliebe" van aria (3). Op het gepunkteerde ritme van de siciliano klinkt hier, in de melancholische toonsoort b-klein, een aangrijpende klaagzang op afscheid en verlies van dierbare doch slechts aardse waarden als trots, rijkdom en zinnelijk genot. Als zelfs de akademische Bachautoriteit Alfred Dürr de aria bestempelt als één der "genialsten Gesangsätzen" moet er wel wat bijzonders aan de hand zijn. De solopartij van het oorspronkelijke (hobo-? orgel-?)concert die terugkomt in het tweede deel van het latere clavecimbelconcert in E (BWV 1053) is hier kunstig verdeeld over de beide solostemmen, alt en orgel, die nu eens unisono, dan weer als elkaars contrapunt fungeren.
6. RECITATIEF (A)
Doch meint es auch dabei
Mit eurem Nächsten treu!
Denn so steht in der Schrift geschrieben:
Du sollst Gott und den Nächsten lieben.

De tweede helft van het dubbelgebod ("daaraan gelijk"), de oproep tot naastenliefde, komt er, zoals gezegd, met het slechts vijf maten tellende recitatief (6) enigszins bekaaid af.
7. KORAAL
Du süße Liebe, schenk uns deine Gunst,
Laß uns empfinden der Liebe Brunst,
Daß wir uns von Herzen einander lieben
Und in Friede auf einem Sinn bleiben.
Kyrie eleis.
Pas in de vierstemmige harmonisering van het slotkoraal (7) komen de drie hobo's weer terug. Zij spelen, zoals de andere instrumentalisten slechts colla parte met de vocale stemmen mee. In dit slotlied bevestigt de christelijke gemeente de voorafgaande persoonlijke bekentenis. Het is het tweede couplet van de 13e eeuwse hymne Nun bitten wir den Heiligen Geist die Martin Luther in zijn eerste lutherse gezangenbundel van 1524 met drie nieuwe coupletten aanvulde.



  Onbekende tekstdichter: In de 2015 aflevering van het internettijdschrift Understanding Bach rapporteert Christine Blanken (Bach Archiv Leipzig) de vondst van een bundel cantateteksten uit 1728 van de hand van de latere pastor Christoph Birkmann (1703 - 1771) die van 1724 tot 1727 in Leipzig studeerde, zong en speelde onder Bachs leiding, en gaandeweg van wiskunde, natuurwetenschap en muziek overstapte naar theologie.
Hij zou nu in aanmerking komen als tekstdichter van o.m. de cantates BWV 169, 56, 49, 98, 55, 52, 58, 82 die Bach in het najaar van 1726 uitvoerde.  terug
omhoog


© Eduard van Hengel