J. S. BACH: Erhöhtes Fleisch und Blut (BWV 173)

Beluister deze cantate alvast
in de uitvoering door Leusink
en zijn Holland Boys Choir
In zijn eerste ambtsjaar als Thomaskantor in Leipzig verplichtte zich Bach de wekelijks op zondag uit te voeren cantate ook zelf te componeren. De forse werklast die dat betekende verlichtte hij van tijd tot tijd door cantates te bewerken die hij al eerder in Weimar (1708 - 1717) had gecomponeerd. Omdat Bach rond Pinksteren 1723 in Leipzig aantrad betekende de drukke Pinksterperiode in 1724 het slot van zijn eerste seizoen: binnen 10 dagen werden er 6 cantates gevraagd en - evenals voor 2e en 3e Paasdag - besluit hij voor 2e en 3e Pinksterdag terug te vallen op gelukwenscantates uit zijn periode als kapelmeester aan het hof te Köthen, waar het calvinisme van hem geen enkele kerkmuziek had gevraagd. In tegenstelling tot de Weimarer kerkcantates die - al dan niet aangevuld - eenvoudig konden worden her-uitgevoerd, zijn de wereldse Köthener teksten, meestal kruiperige loftuitingen jegens de prinselijke familie, ongeschikt voor de kerk. Er moet nu dus ‘geparodieerd' worden: nieuwe sacrale teksten bij bestaande muziek. Maar tekstvergelijking (zie hiernaast en onder) wijst uit met hoe weinig ingrepen de lof van wereldse heersers in die van God kan worden getransformeerd. Terwijl recitatieven normaliter wegens hun sterke tekstgebondenheid buiten de parodiëring blijven, is BWV 173 in zijn geheel parodie van de verjaardagscantate Durchlauchtster Leopold (BWV 173a, 1717): Bach beschikte blijkbaar over een tekstdichter (misschien was hij het zelf wel) die hem metrisch identieke teksten kon leveren. Zo'n mechanische, en-bloc-parodie is bij Bach uitzonderlijk; de partituur van recitatief (1), eerste maat (rechts), laat zien hoe Bach de nieuwe tekst eenvoudig onder de oude noteert. De relatie tussen tekst en muziek kan zo tamelijk onbeschadigd blijven. Als gevolg van zijn hoofse origine bevat BWV 173 veel dansvormen en ritmen en weinig polyfonie, kenmerk van de oude kerkstijl: een met zang aangevulde orkestsuite. Bachs belangrijkste ingreep is uitbreiding van het aantal concertisten, van twee (sopraan en bas) naar vier. Daartoe transponeert hij de sopraanpartij in de delen (1) en (2) een octaaf omlaag voor de tenor, en vervangt de baspartij in (3) door de één octaaf hoger zingende alt. In duet (4) blijft de bas partner van de sopraan maar in (5) wordt hij geruild voor de tenor. Het laatste deel (6), oorspronkelijk ook een duet, breidt hij met alt- en tenorpartijen uit tot een vierstemmig koor. De delen (6) en (7) van het parodiemodel BWV 173a blijven hier ongebruikt; basaria (7) vinden we als tenoraria (4) terug in BWV 175.
1. RECITATIEF (T)
Erhöhtes Fleisch und Blut,
das Gott selbst an sich nimmt,
dem er schon hier auf Erden
ein himmlisch Heil bestimmt,
des Höchsten Kind zu werden,
erhöhtes Fleisch und Blut!
De cantate opent met een door strijkers begeleid recitatief (1) van de tenor. Zijn tekst refereert aan de evangelietekst voor deze tweede Pinksterdag, Johannes 3: 16-21, "Alzo lief heeft God de wereld gehad dat hij zijn eniggeboren zoon heeft gegeven etc", waardoor de tenor de gelovigen direct kan aanspreken als verheven (Erhöht) tot kinderen Gods. Evenals in het oorspronkelijke BWV 173a vertoont zijn tekst een voor recitatieven ongebruikelijk regelmatige metrische versbouw; de librettist beoogde wellicht een aria en voorzag zelfs een da-capostructuur door de eerste regel te herhalen. Dat biedt Bach wel gelegenheid om het kernwoord erhöhtes bij zijn herhaling met een geëxalteerd melisme te accentueren.
2. ARIA (T)
Ein geheiligtes Gemüte
sieht und schmecket Gottes Güte.
   Rühmet, singet, stimmt die Saiten,
   Gottes Treue auszubreiten!
De tenor vervolgt met het daarbij passende loflied in zijn gracieuze aria (2). Hij wordt begeleid door het strijkersensemble en de twee traverso's die weliswaar unisono spelen met de eerste viool maar verantwoordelijk zijn voor de karakteristieke klankkleur. Ten opzichte van het parodiemodel kon de muziek ongewijzigd blijven: de hoofdzin Rühmet, singet etc bleef gehandhaafd, de stralende zon werd vervangen door de stromen van Gods goedheid, uitgedrukt in lange reeksen stromende triolen. De triolen, de gepuncteerde ritmen () en de periodische structuur, in eenheden van 4 en 8 maten suggereren een dansvorm. De muziek van de tweede teksthelft, met de woorden Rühmet, singet etc onderscheidt zich door korte imitaties tussen zanger, violen en continuo; dan volgt nog slechts een instrumentaal ritornel.
3. ARIA (A)
Gott will, o ihr Menschenkinder,
an euch große Dinge tun.
   Mund und Herze, Ohr und Blicke
   können nicht bei diesem Glücke
   und so heilger Freude ruhn.
Er volgt (3) een opmerkelijk stuk (wanneer doet Bach eens niks opmerkelijks?) dat Bach zelfs geen "aria" noemt: er is geen instrumentale inleiding (ritornel) en de beweeglijke strijkersbegeleiding heeft zelfs geen muzikaal thema maar bestaat slechts uit harmonievullende figuraties (sempre staccato) van de beide vioolpartijen die grotendeels unisono spelen, met uitzondering van enkele maten waarin de eerste viool het thema van de alt imiteert. Opnieuw handhaaft de tekst een regel uit het oorspronkelijk libretto, wat het ijverige begeleidingsmotief kan verklaren: ooit de lof zingend van prins Leopolds verrichtingen, thans van Gods große Dinge. Het middendeel - dat slechts door een vrij en verkort da-capo zal worden gevolgd - eindigt met één maat Adagio waarin letterlijk wordt stilgestaan bij het geluk dat ons ten deel valt.
4. ARIA / DUET (S, B)
(B) So hat Gott die Welt geliebt,
sein Erbarmen hilft uns Armen,
daß er seinen Sohn uns gibt,
Gnadengaben zu genießen,
die wie reiche Ströme fließen.

(S) Sein verneuter Gnadenbund
ist geschäftig und wird kräftig
in der Menschen Herz und Mund,
daß sein Geist zu seiner Ehre
gläubig zu ihm rufen lehre.

(S, B) Nun wir lassen unsre Pflicht
Opfer bringen, dankend singen,
da sein offenbartes Licht
sich zu seinen Kindern neiget
und sich ihnen kräftig zeiget.
De tekst van aria/duet (4) voor bas en sopraan prijst in BWV 173a de welvaart die Leopold zijn volk bezorgde, in de sacrale versie Gods zorg voor het zieleheil; ook hier is een verwijzing ingelast naar eerdergenoemde Johannes-pericoop. Ritme en zinsbouw zijn als van een menuet in driekwartsmaat; de oorspronkelijke tempoaanduiding was ‘aria al tempo di minuetto', en die aanduiding had best gehandhaafd kunnen worden. Een unicum - opnieuw - in Bachs oeuvre vormt dit stuk door zijn structuur. De tekst bestaat uit drie coupletten die Bach ook muzikaal in drie secties heeft vormgegeven, als variaties op een thema. De drie secties zijn 48 maten lang en elk weer onderverdeeld in vier maal twaalf maten. Telkens de twee middelste 12 maten zijn vocaal bezet, de overige zijn in- en uitleiding. In de eerste sectie, het ‘thema', gaat de vergelijking met een menuet zelfs zover dat de instrumentalisten een menuet spelen zoals in een orkestsuite: twee maal twaalf maten die elk worden herhaald; de zangpartij, in dit geval van de bas, is ingebouwd in de herhaling van het eerste deel en in de eerste uitvoering van het tweede.
De drie secties/coupletten worden overkoepeld door een structuur met een stijgende lijn die herinnert aan het erhöhen (verheffen), al ontbrak die notie in het parodiemodel:
- qua toonsoort: de eerste sectie staat in G-groot, de tweede in D en de laatste in A-groot, een stijging langs de kwintencirkel dus, van 1# naar 3 kruizen, met als ongewoon gevolg dat een stuk eindigt in een andere, hogere toonsoort als waarin het begon;
- qua vocale solisten: de eerste sectie is een aria voor de bas, de tweede voor de sopraan en pas in de derde sectie ontwikkelt deze ‘aria' zich tot een echt duet. De bas zingt in dit laatste deel trouwens hetzelfde als in het eerste.
- qua beweeglijkheid van de begeleiding: aanvankelijk domineren daarin kwartnoten, in het tweede deel achtsten en tenslotte zestienden.
- qua instrumentale bezetting: eerst strijkers en continuo, dan twee fluiten zonder continuo maar met een baslijntje (bassetchen) van de verzamelde violen, en tenslotte allen tesamen.
In het gehele stuk hebben de zangers trouwens geen eigen noten: in de eerste sectie octaveert de bas de eerste violen, in de tweede volgt de sopraan de tweede fluit en tenslotte verdubbelen ze resp de tweede violen en de unisono spelende traverso's. Het stuk zou dus louter instrumentaal kunnen worden uitgevoerd, als onderdeel van een orkestsuite; dan mis je alleen tekst maar geen muziek.
5. RECITATIEF / DUET (S, T)
Unendlichster, den man doch Vater nennt,
wir wollen dann das Herz zum Opfer bringen,
aus unsrer Brust,
die ganz vor Andacht brennt,
soll sich der Seufzer Glut
zum Himmel schwingen.
De tekst van het secco, slechts door continuo begeleide recitatief (5) neemt zelfs vijf van de zes regels uit het wereldse origineel ongewijzigd over; alleen de eerste vergt een ondergeschikte aanpassing: Durchlauchtster wordt Unendlichster. Het recitatief wordt als duet uitgevoerd door sopraan en tenor. De eerste vijf maten, vier regels, gaan in paralleldeclamatie maar bij de laatste twee regels is het woord Himmel verantwoordelijk voor een meer ariose stijl, met aktief meemusicerend continuo en elkaar imiterende zangpartijen in oude polyfone kerkstijl. Na het slotakkoord van de zangers illustreert het continuo het opstijgen ten hemel nog eens met een lange mars omhoog.
6. KOOR
Rühre, Höchster, unsern Geist,
daß des höchsten Geistes Gaben
ihre Würkung in uns haben!
   Da dein Sohn uns beten heißt,
   wird es durch die Wolken dringen
   und Erhörung auf uns bringen.
Tot slotkoor (6) dient wederom een menuet, onbekommerd dansante muziek, opgebouwd uit eenheden van 4, 8, 16 en 32 maten, en ook hier kan de instrumentale muziek direct aan een orkestsuite zijn ontleend: een A-deel van 16 maten die ongewijzigd worden herhaald met koorinbouw, gevolgd door een B-deel van tweemaal 32 maten met koor in de herhaling.
A  /  A+koor  /  B  /  B+koor
Van de oorspronkelijke tekst resteert nu niets: de beste wensen jegens de heerser zijn vervangen door een bede die refereert aan het Pinkstergebeuren en de voorgeschreven epistellezing (Handelingen der Apostelen 10:42-48): moge Gods geest in ons werkzaam worden.
Enkele korte, slechts twee maten beslaande imiterende passages tussen sopraan en bas (maten 25, 73 en 96) herinneren eraan dat het stuk oorspronkelijk slechts voor deze twee stemmen is geschreven; voor de vierstemmige kerkelijke versie plakte Bach er een alt- en tenorpartij tussen.
Als Bach in 1728, enkele jaren na de eerste uitvoering van deze cantate een nette, nieuwe partituur ervan vervaardigt noteert hij daarin géén slotkoraal: dat ontbreekt dus niet door verlies of vergissing maar op grond van Bachs bewuste keuze. Wilde hij de wereldse muziek niet stichtelijker maken dan hij (niet) is?



t e k s t v e r g e l ij k i n g



BWV 173 (1724)

1. Erhöhtes Fleisch und Blut,
das Gott selbst an sich nimmt,
dem er schon hier auf Erden
ein himmlisch Heil bestimmt,
des Höchsten Kind zu werden,
erhöhtes Fleisch und Blut!

2. Ein geheiligtes Gemüte
sieht und schmecket Gottes Güte.

Rühmet, singet, stimmt die Saiten,
Gottes Treue auszubreiten!

3. Gott will, o ihr Menschenkinder,
an euch große Dinge tun.
Mund und Herze, Ohr und Blicke
können nicht bei diesem Glücke
und so heilger Freude ruhn.

4. So hat Gott die Welt geliebt,
sein Erbarmen hilft uns Armen,
daß er seinen Sohn uns gibt,
Gnadengaben zu genießen,
die wie reiche Ströme fließen.

Sein verneuter Gnadenbund
ist geschäftig und wird kräftig
in der Menschen Herz und Mund,
daß sein Geist zu seiner Ehre
gläubig zu ihm rufen lehre.

Nun wir lassen unsre Pflicht
Opfer bringen, dankend singen,
da sein offenbartes Licht
sich zu seinen Kindern neiget
und sich ihnen kräftig zeiget.

5. Unendlichster, den man doch Vater nennt,
wir wollen dann das Herz
zum Opfer bringen,
aus unsrer Brust,
die ganz vor Andacht brennt,
soll sich der Seufzer Glut
zum Himmel schwingen.

6. Rühre, Höchster, unsern Geist,
daß des höchsten Geistes Gaben
ihre Würkung in uns haben!
Da dein Sohn uns beten heißt,
wird es durch die Wolken dringen
und Erhörung auf uns bringen.
BWV 173a (1717)

1. Durchlauchtster Leopold,
Es singet Anhalts Welt
Von neuem mit Vergnügen,
Dein Köthen sich dir stellt,
Um sich vor dir zu biegen,
Durchlauchtster Leopold.

2. Güldner Sonnen frohe Stunden,
Die der Himmel selbst gebunden,
Sich von neuem eingefunden,
Rühmet, singet, stimmt die Saiten,
Seinen Nachruhm auszubreiten!

3. Leopolds Vortrefflichkeiten
Machen uns itzt viel zu tun.
Mund und Herze, Ohr und Blicke
Können nicht bei seinem Glücke,
Das ihm billig folget, ruhn.

4. Unter seinem Purpursaum
Ist die Freude nach dem Leide,
Jedem schenkt er weiten Raum,
Gnadengaben zu genießen,
Die wie reiche Ströme fließen.

Nach landesväterlicher Art
Er ernähret, Unfall wehret;
Drum sich nun die Hoffnung paart,
Dass er werde Anhalts Lande
Setzen in beglückten Stande.

Doch wir lassen unsre Pflicht
Froher Sinnen Itzt nicht rinnen,
Heute, da des Himmels Licht
Seine Knechte fröhlich machet
Und auf seinem Zepter lachet.

5. Durchlauchtigster, den Anhalt Vater nennt,
Wir wollen dann das Herz
zum Opfer bringen;
aus unsrer Brust,
die ganz vor Andacht brennt,
Soll sich der Seufzer Glut
zum Himmel schwingen.

8. Nimm auch, großer Fürst, uns auf
Und die sich zu deinen Ehren
Untertänigst lassen hören!
Glücklich sei dein Lebenslauf,
Sei dem Volke solcher Segen,
Den auf deinem Haupt wir legen!
omhoog


© Eduard van Hengel