J. S. BACH: Es ist ein trotzig und verzagt Ding (BWV 176)

Beluister opnames van Herreweghe,
Gardiner, Leonhardt, of Leusink
Bach schreef zijn cantate 176 voor zondag 27 mei 1725, de zondag na Pinksteren waarop het feest van de heilige drieëenheid (God Vader, Zoon en Heilige Geest) wordt gevierd, Trinitatis; daarmee begint het vrijwel feestloze tweede deel van het kerkelijk jaar dat 27 zondagen na Trinitatis kan omvatten. Aangezien Bach zijn wekelijkse cantateproduktie direct na zijn indiensttreding als Thomaskantor begon met de eerste zondag na Trinitatis in 1723 besluit BWV 176 dus Bachs eerste twee dienstjaren waarin hij wekelijks een cantate componeerde. En van nu aan zal hij het wat rustiger aan doen: hij halveert zijn compositie-tempo en doet ongeveer twee jaar over zijn volgende jaargang.
BWV 176 is tevens de laatste cantate in de reeks van negen op teksten van de Leipziger dichteres Christiane Mariane von Ziegler (1695-1760) en opnieuw blijkt - getuige Von Zieglers eigen publicatie - Bach regelmatig haar teksten te wijzigen: om het ritme te stroomlijnen, te bekorten of soms te verlengen uit muzikale behoeften, soms zelfs ten koste van grammaticaliteit.
De voorgeschreven evangelielezing voor deze zondag is Johannes 3: 1-15, het verhaal van Nicodemus, een hooggeplaatste jood (Farizeeër) die alleen ‘s avonds, beschermd door de duisternis, met Jezus kontakt durft opnemen. Von Ziegler herkent in deze combinatie van vastbeslotenheid en angst een algemeen menselijke trek, die in het oud-testamentische boek van de profeet Jeremia (17: 9) wordt omschreven als Es ist ein trotzig und verzagt Ding um aller Menschen Herze: ‘s mensen hart is koppig en bang. (Het heeft weinig zin te onderzoeken of Luther deze Jeremia-woorden wel correct heeft vertaald; dit waren nu eenmaal de woorden waarover Bach en Von Ziegler beschikten. Nederlandse vertalingen spreken van arglistig & verderfelijk, onbetrouwbaar & onverbeterlijk, een beentjelichter & ongeneselijk, etc).
1. KOOR
»Es ist ein trotzig und verzagt Ding um aller Menschen Herze.«
Conform de klassieke status van de tekst kiest Bach als muzikale vorm een ouderwets-strenge fuga, een koorfuga (1). Het fugathema (zie het muziekvoorbeeld) thema bwv 176/1loopt als een grote symmetrische boog van tonica (C) naar tonica, en drukt de tegengestelde affekten uit die verbonden zijn met de adjectieven trotzig en verzagt. Allerlei details illustreren deze hoofdwoorden: trotzig met een doortastende en zelfverzekerde gebroken drieklank, gevolgd door een opvliegende, hemelbestormende toonladder naar de none (Des resp As), waarna het verzagt na een kort harmonisch avontuur in aarzelende, zuchtende halve tonen (chromatisch) bangelijk zo gauw mogelijk terugzakt naar de tonica, zodat enkele trotzige sprongen de harmonische voorwaarden voor de volgende thema-inzet moeten redden. In het vervolg horen we op aller Menschen regelmatig de oktaafsprongen die - alle tonen omvattend - vaak symbool staan voor alles.
Bachs cantates beginnen wel vaker met een koorfuga, vooral wanneer schriftwoorden de tekst vormen. En steeds hebben instrumenten daarin een ondergeschikte rol; zij volgen meestal colla parte de zangpartijen. Deze ondergeschikte rol vervullen hier het continuo en de blazers, twee hobo's en een althobo (bij Bach taille genaamd). Uitzonderlijk voor dit beginkoor is echter dat de strijkers een zelfstandige partij hebben. Wanneer de fuga eenmaal in zijn vierstemmigheid is opgebloeid spelen zij merendeels harmonische rust gevende lange noten maar juist in het begin ondersteunen ze de expressie van het fugathema door een opgewonden figuur, forte, vol toonherhalingen (vgl het begin van het Vijfde Brandenburgs concert) tijdens het trotzig en bescheidener noten, piano, bij het verzagt. De hoogst ongebruikelijke gelijktijdige inzet van koor en volwaardig orkest bezorgt deze cantate een overrompelende entree. Na tien inzetten van het nogal turbulente fugathema, veelal van de bas uitgaand langs de andere stemmen omhoog, blijft de uiteindelijke indruk meer trotzig dan verzagt (Dürr).
2. RECITATIEF (A)
Ich meine, recht verzagt,
daß Nikodemus sich bei Tage nicht,
bei Nacht zu Jesu wagt.
Die Sonne mußte dort bei Josua
so lange stille stehn,
so lange bis der Sieg
vollkommen war geschehn;
hier aber wünschet Nikodem:
O säh ich sie zu Rüste gehn!
In het alt-recitatief (2) illustreert Von Ziegler de begrippen trotzig en verzagt met een vergelijking tussen de licht-schuwe Nicodemus, ongeduldig de zonsondergang afwachtend alvorens in actie te komen, met de oudtestamentische koning Jozua, die juist God verzocht de zon te doen stilstaan opdat hij bij dag zijn overwinning op de Amorieten kon afmaken (Jozua 10:12).
3. ARIA (S)
Dein sonst hell beliebter Schein
soll vor mich umnebelt sein,
weil ich nach dem Meister frage,
denn ich scheue mich bei Tage.
Niemand kann die Wunder tun,
denn sein Allmacht und sein Wesen,
scheint, ist göttlich auserlesen,
Gottes Geist muß auf ihm ruhn.
Sopraanaria (3) stelt in een luchtige gavotte Nicodemus present, met zijn, voor alle gelovigen geldende ambivalentie. Terwijl hij behoedzaam voortstapt op het doorgaande ritme schetsen de strijkers Gods hell beliebte Schein in de stralende triolen waarop de sopraan de woorden Gott en göttlich zal zingen, en die hier (Trinitatis!) dus naar de goddelijke drieëenheid verwijzen. In de tweedelige tekst ontmoeten we eerst de timide Nicodemus die zich wat minder licht wenst, en vervolgens de hardnekkig belijdende die - in zijn eigen, aan de evangelietekst ontleende woorden - de wonderdoener Jezus erkent als degene op wie Gods geest rust, het ruhn onderstrepend met een eerst vijf en vervolgens zelfs zeven maten durende lange noot. (Kitsch?)
4. RECITATIEF (B)
So wundre dich, o Meister, nicht,
warum ich dich bei Nacht ausfrage!
Ich fürchte, daß bei Tage
mein Ohnmacht nicht bestehen kann.
Doch tröst ich mich,
du nimmst mein Herz und Geist
zum Leben auf und an,
weil alle, die nur an dich glauben,
nicht verloren werden.
In het secco, slechts door continuo begeleide bas-recitatief (4) komt opnieuw Nicodemus aan het woord. Hier vulde Bach Von Zieglers tekst aan met de laatste regel Weil alle..., de bekende zin (Joh.3:16b) die net buiten de pericoop van de dag valt maar behoort tot - en dus verwijst naar - de evangelietekst van Tweede Pinksterdag, Also hat Gott die Welt geliebt..., waarop enkele dagen eerder BWV 68 had geklonken; wellicht omdat hij in Von Zieglers tekst de koppig-gelovige kant van Nicodemus wat onderbelicht achtte. De muzikale vorm van deze eigen toevoeging neemt echter het grootste deel van het recitatief in beslag: een expressief arioso dat de tekst tweemaal herhaalt, met lange melismen op glauben en verloren, boven een telkens herhaalde (ostinate) basfiguur die de onwankelbare status van de tekst onderstreept.
5. ARIA (A)
Ermuntert euch,
furchtsam und schüchterne Sinne,
erholet euch, höret, was Jesus verspricht:
daß ich durch den Glau
ben den Himmel gewinne.
Wenn die Verheißung erfüllend geschicht,
werd ich dort oben
mit Danken und Loben
Vater, Sohn und heilgen Geist
preisen, der dreieinig heißt.
De tweede en laatste aria in deze cantate (5) is voor de alt en klinkt als een gracieuze hoofse dans, op het ritme van een menuet. Qua vorm is het een triosonate, een compositie voor twee concerterende stemmen boven een continuo. Terwijl in Bachs oeuvre de instrumentale stem daarin regelmatig gevormd wordt door unisono spelende strijkers is het unisono van drie blazers, c.q. hobo's dat we hier aantreffen hoogst uitzonderlijk. Ook Bach bleek er niet geheel tevreden mee: bij een heruitvoering verzocht hij de twee hobo's te zwijgen waar de alt zingt, waarschijnlijk omdat deze zich naast het volume van drie hobo's niet kon handhaven. De tekst heeft het karakter van een aanmoediging jegens de Nicodemus-in-ons, en de melodie volgt  details van die tekst: een opwekkend Ermuntre langs een majeur-toonladder omhoog, gevolgd door een harmonisch wat vertroebelde neergang op furchtsam und schüchtern, septiemsprongen op höret, en coloraturen op lobet en preiset. De laatste zin legt het verband met het Trinitatis-feest en slaat een brug naar het slotkoraal.
6. KORAAL
Auf daß wir also allzugleich
zur Himmelspforten dringen
und dermaleinst in deinem Reich
ohn alles Ende singen,
daß du alleine König seist,
hoch über alle Götter,
Gott Vater, Sohn und heilger Geist,
der Frommen Schutz und Retter,
ein Wesen, drei Personen.

Zonder enige solorol voor de tenor eindigt deze korte cantate met een eenvoudig vierstemmig geharmoniseerd slotkoraal (6) waarin de instrumenten meespelen met koorstemmen, het achtste couplet van Paul Gerhardts triniteitslied Was alle Weisheit in der Welt... (1653); het wordt gezongen op de melodie die Luther gebruikte voor zijn Christ, unser Herr, zum Jordan kam en daaraan is vooral interessant dat die melodie in een oude kerktoonsoort (modus) staat, het Dorisch, dat is de toonladder die (op de piano) alleen de witte toetsen gebruikt (geen kruizen of mollen) maar als eindnoot (tonica) de D heeft, en niet - zoals tonale junks verwachten - de C (majeur) of de A (mineur).
omhoog


© Eduard van Hengel