J. S. BACH: Siehe zu, daß deine Gottesfurcht nicht Heuchelei sei (BWV 179)

Beluister deze cantate alvast
in de uitvoering door Leusink
en zijn Holland Boys Choir
De evangelietekst (Lukas 18:9-14) waarin Christus de tollenaar (= belastingambtenaar) die zichzelf minderwaardig acht verkiest boven de Farizeeër (de orthodoxe) die zichzelf bij voorbaat voortreffelijk acht, vormt aanleiding voor een muzikale filippica tegen de huichelarei.
1. KOOR
»Siehe zu, daß deine Gottesfurcht nicht Heuchelei sei,
und diene Gott nicht mit falschem Herzen!«

2. RECITATIEF (T)
Das heutge Christentum
ist leider schlecht bestellt:
Die meisten Christen in der Welt
sind laulichte Laodizäer
und aufgeblasne Pharisäer,
die sich von außen fromm bezeigen
und wie ein Schilf den Kopf zur Erde beugen;
im Herzen aber steckt ein stolzer Eigenruhm.
Sie gehen zwar in Gottes Haus
und tun daselbst die äußerlichen Pflichten;
macht aber dies wohl einen Christen aus?
Nein! Heuchler könnens auch verrichten!

3. ARIA (T)
Falscher Heuchler Ebenbild
können Sodomsäpfel heißen,
die mit Unflat angefüllt
und von außen herrlich gleißen.
Heuchler, die von außen schön,
können nicht vor Gott bestehn.

4. RECITATIEF (B)
Wer so von innen wie von außen ist,
der heißt ein wahrer Christ.
So war der Zöllner in dem Tempel:
der schlug in Demut an die Brust,
er legte sich nicht selbst ein heilig Wesen bei;
und diesen stelle dir,
o Mensch, zum rühmlichen Exempel
in deiner Buße für!
Bist du kein Räuber, Ehebrecher,
kein ungerechter Ehrenschwächer:
ach, bilde dir doch ja nicht ein,
du seist deswegen engelrein!
Bekenne Gott in Demut deine Sünden,
so kannst du Gnad und Hülfe finden!

5. ARIA (S)
Liebster Gott, erbarme dich:
laß mir Trost und Gnad erscheinen!
Meine Sünden kränken mich
als ein Eiter in Gebeinen,
Hilf mir, Jesu, Gottes Lamm,
ich versink in tiefen Schlamm!

6. KORAAL
Ich armer Mensch, ich armer Sünder
steh hier vor Gottes Angesicht.
Ach Gott, ach Gott, verfahr gelinder
und geh nicht mit mir ins Gericht!
Erbarme dich, erbarme dich,
Gott, mein Erbarmer, über mich!
Als openingskoor op een tekst uit het apocriefe oud-testamentische bijbelboek Jezus Sirach (1:34) schrijft Bach een koorfuga in de eerbiedwaardige stile antico, de strenge, voor-barokke polyfone stijl die in de achttiende eeuw vooral met Palestrina werd geassocieerd: het koor zingt a-capella, wat wil zeggen dat de ondersteunende instrumenten (hier: strijkers) geen onafhankelijke partijen hebben maar slechts koorstemmen verdubbelen, zogenoemd colla parte spelen. De koorstemmen zijn in de zuivere polyfonie strikt gelijkwaardig: geen heeft een meer begeleidende of melodievoerende rol dan een andere. De vernieuwing of het experiment (dat bij Bach nooit afwezig is) schuilt hier in de fuga-techniek, een spiegel-fuga. Het thema van zes maten dat de bassen introduceren wordt door de tenoren ‘in de omkering' beantwoord: elk stapje omhoog van de bassen wordt een stapje omlaag bij de tenoren. Opnieuw zes maten later zingen de sopranen het thema weer in zijn ‘rectus'-vorm, gevolgd door de inversie bij de alten. Zo zijn er vrijwel het gehele stuk door elke zes maten themainzetten, en soms vaker. Intussen hebben de bassen al direct aan het begin de tenoren met een tegen-thema (contrapunt) beantwoord: tegenover het zuiver tonale kein Heuchelei stellen ze de falsche Herzen met a-tonale (chromatische) halve toonsafstanden. Alle verdere contrapuntische kunststukjes blijven hier onbesproken. Onnodig te zeggen dat beide thema's hier - waar ze twee verschillende tekstdelen kunnen profileren - beter uit de verf komen dan bij hun hergebruik in de Mis in A waar ze allebei de tekst Kyrie eleison hebben.
Het tegen de hypocrisie moraliserende tenor-recitatief (2) leidt naar aria (3) waarin de schijnheiligheid wordt uitgebeeld door de vele syncopes in de unisono melodie van violen en hobo's, een melodie waarop ook de tenor zingt. (De legendarische sodomsappel, calotropis procera, ziet er eetbaar uit maar blijkt bij aanraking slechts vuiligheid te bevatten.) Wanneer Bach later de melodie aan een solo-hobo toevertrouwt, in de bewerking tot Quoniam van de Mis in G, wordt de hier wat vastberaden sfeer ineens een stuk tederder.
Het recitatief (4) voltrekt de wending van de farizeeërs naar de belastingambtenaar en de ware christenen; uit enthousiasme rondt de bas zijn recitatief quasi-arioso af. De prachtige muziek van aria (5), vol schrijnende dissonanten in de lijnen van de donkere hobo's da caccia en smekende seufzer van de sopraan, maken deze welhaast beter geschikt voor het latere Qui tollis (in de Mis in A) dan voor de huidige, barok-realistische tekst. Eiter im Gebeine is trouwens een citaat van de profeet Habakuk. In het eenvoudig vierstemmig geharmoniseerde slotkoraal (6), op de melodie van Wer nur den lieben Gott läßt walten, verdient de uitgewerkte alt-partij speciale aandacht.
omhoog


© Eduard van Hengel