Cantate 181 kan zich niet in grote
populariteit verheugen. Opnames ervan bestaan slechts voorzover
uitvoerenden daartoe verplicht waren door hun integrale
cantate-projekt. Die geringe populariteit zou diverse redenen kunnen
hebben:
- de cantate is kort, duurt nauwelijks een kwartier
- hij heeft geen openingskoor en geen slotkoraal doch slechts een
slotkoor;
- en van de centrale aria ontbreekt de instrumentale
obligaat(=solo)-partij zodat slechts reconstructies kunnen worden
uitgevoerd.
Dat alles maakt de delen waarover wij wel beschikken evenwel niet
minder de
moeite waard, en het ontbreken van een obligaat-partij (waarvan ook
geen standaard-reconstructie bestaat zoals voor BWV 37/2) geeft - zoals
ik onderaan laat zien - gelegenheid tot een uniek inkijkje in de
uitvoeringspraktijken.
BWV 181 ging in première op 13 februari 1724, zondag
Sexagesima d.w.z. de achtste zondag voor
Pasen en daarmee de
voorlaatste zondag waarop in de Leipziger kerken nog concertante muziek
mocht klinken, die immers gedurende de vastentijd diende te zwijgen
(
tempus clausum). De cantate
is wellicht zo kort omdat hij samen met
BWV 18 (uit 1715) resp. vóór en na de preek werd
uitgevoerd, dus slechts de omvang van een halve dubbelcantate behoefde
te hebben. Ook zou je kunnen veronderstellen dat Bach op dat ogenblik
zijn tijd hard nodig had voor zijn Johannes-Passion die op 7 april voor
het eerst zou klinken. Daarvoor spreekt tevens dat BWV
181 waarschijnlijk geen originele compositie is maar mogelijk een
parodie (hergebruikte muziek) van
een feestcantate voor Bachs vorige werkgever, Leopold von
Anhalt-Köthen. Het - in Bachs Leipziger periode ongebruikelijke -
optreden van één trompet en een duet aan het slot
herinneren aan Köthener gewoonten. En misschien zou op het
nadrukkelijke
Belial in
(1)
oorspronkelijk
Leopold hebben
geklonken!
BWV 181, die dus tot Bachs eerste Leipziger jaargang behoort,
onderscheidt zich van de meeste andere cantates van Bach, hoe divers
die onderling ook zijn, op één belangrijk punt: de
teksten zijn uitsluitend vrij gedichte, berijmde teksten; geen
bijbelcitaten en geen koraalstrofes. Daarmee is zij een schoolvoorbeeld
van het type ‘moderne' cantate dat de theoloog/dichter Erdmann
Neumeister in 1704 naar Italiaans model in Duitsland poogde te
introduceren, maar waarvoor Bachs conservatieve Leipzig nooit de
traditionele tekstbronnen bijbel en koraal had willen inwisselen.
De tekst van de cantate is niet te begrijpen zonder de evangelietekst
die soms letterlijk wordt geciteerd. Het gaat op deze Zondag Sexagesima
om de verzen 4 - 15 van Lucas 8 waar Jezus zijn volgelingen de
gelijkenis van de zaaier voorhoudt, waarover ook de evangeliën van
Mattheüs en Markus berichten. De verbreiding van Gods woord wordt
daarin vergeleken met het uitstrooien van zaad. Een deel van het zaad
valt in de berm (
an dem Wege
(2)) en wordt daar vertrapt of
door vogels
opgegeten; dat staat voor de
Leichtgesinnte
Flattergeister,
wispelturige figuren, frivole windvanen die Gods woord weliswaar horen
maar het vergeten zodra
Belial(1),
een pseudonym van de duivel,
voorbijkomt. Een ander deel valt op rotsbodem (
Felsen) waar het
weliswaar opkomt maar geen wortel kan schieten; daarmee zijn degenen
bedoeld met een hart van steen (
Felsenherzen
(2)) die te bedenken
krijgen dat zelfs rotsen doordringbaar bleken voor Mozes' hand en de
begraven Christus. Een verder deel van het zaad valt onder dorens
(
Dornen (3)) waar het
erstickt (4) zoals het geloof door
aardse lusten (
Wollust) en
rijkdom (
Schätze) wordt
overwoekerd. En
ten slotte valt er een deel op vruchtbare bodem (
zum guten Lande (4))
waar het rijkelijk vrucht kan dragen, als in een toegewijd hart.
Dat de cantate-tekst de verhaallijn van de gelijkenis volgt, waaruit de
moraal pas na enkele omtrekkende bewegingen tevoorschijn komt, deed
Bach waarschijnlijk besluiten om deze moraal niet in een aria of
slotkoraal onder te brengen maar met een uitgebreid koor het nodige
gewicht te verlenen. Zo is een vijfdelige, fraai symmetrische struktuur
ontstaan waarin de hoekdelen basaria
(1)
en slotkoor
(5) gerust als
hoogtepunten mogen worden aangemerkt want de noodzakelijk
complementaire kwalifikatie ‘dieptepunt' mag voor tenoraria
(3) worden
gebezigd omdat we daarmee niet Bach maar slechts de gebrekkige
overlevering
blameren.
In aria
(1) werd de bas in
1724 nog uitsluitend door strijkers
begeleid; twintig jaar later heeft Bach de begeleiding verder
ingekleurd door toevoeging van een traverso en een hobo die selectief
de eerste viool verdubbelen. Bach ziet zich in deze aria dus voor de
taak gesteld een
negativum,
oppervlakkigheid en wispelturigheid, muzikaal te verbeelden.
De muziek is verleidelijk, goed in het gehoor liggend maar inderdaad
ook oppervlakkig: de instrumentalisten herhalen een kort motiefje
eindeloos, in alle toonaarden en harmoniseringen, zonder verdere
verdieping of uitwerking, wat de bassolist ook inbrengt. En dat hoekige
muziekje, tekstdrager van de titelwoorden, is nogal brokkelig en
springerig, grillig. De staccato-articulatie versterkt het beeld van
vluchtigheid. Ook struktureel is het stuk gebrekkig: na de tweede zin,
de Belial-passage verwacht je een loutere herhaling van de eerste zin
(da-capo, A-B-A-struktuur) maar je krijgt een complete herhaling,
inclusief de Belial-passage.
De alt geeft theologische uitleg in recitatief
(2). Het woord
Felsenherz wordt onderstreept
door een robuuste canon tussen continuo
en solist, het daarop volgende
zerspringen
verbeeldt het continuo met
een hakkerig motief.
Van tenoraria
(3) beschikken we
slechts over een tenorpartij en een
continuopartij met het bijschrift
piano
e staccato per tutto continuo.
Het ontbreken van enig zinvol muzikaal motief in de continuopartij
maakt duidelijk dat we hier niet met een continuo-aria te doen hebben,
maar met een stuk waarvan één (of meer?) partijen tesamen
met de partituur zijn verdwenen. De lange noten in de solopartij geven
veel ruimte voor deze afwezige obligaatpartij, waarvan zelfs niet met
zekerheid te zeggen valt voor welk instrument hij was geschreven. Het
blijkt dat de vijf uitvoeringen van deze cantate die in de platenwinkel
aangetroffen kunnen worden vijf verschillende oplossingen voor vier
verschillende instrumenten hebben gevonden; zie onder. Het ontbreken
van een zo belangrijke partij maakt het moeilijk de muziek te
karakteriseren. Diverse woorden uit de tekst (
mehren, Feuer) worden met melisma's
onderstreept, de
Ewigkeit met
hele lange noten en
Qual met
pijnlijke septiemakkoorden; dat valt allemaal nog wel uit de resterende
partituur af te lezen. De
obligaat-partij is waarschijnlijk beweeglijk, virtuoos, misschien zelfs
doornig geweest.
Met een kort secco-recitatief
(4)
oppert de sopraan de mogelijkheid dat
het zaad van Gods woord niet steeds tevergeefs wordt gezaaid maar ook
in de vruchtbare bodem van een geopend hart kan vallen. Dat geeft
aanleiding voor een zwierig en jubelend slotkoor
(5) waarin het
instrumentarium nog wordt verrijkt met een trompet. De struktuur kun je
samenvatten als r-A-r-B-r-A-r, dat wil zeggen een A en een B-gedeelte
voor het koor volgens de da-capoformule, afgewisseld door instrumentale
voor-, tussen- en naspelen (
ritornel
r) waarin het orkest eigen
motieven speelt die verdwijnen zodra het koor inzet. Het koorgedeelte A
is een fuga-achtig bouwwerk waarin voortdurend vier thema's met elkaar
gecombineerd worden; je zou het als een gecomprimeerde, in elkaar
geschoven fuga kunnen beschouwen: het ‘eerste contrapunt', dat is de
tegenstem die in gewone fuga's pas opduikt wanneer de tweede stem het
thema introduceert, is hier al vanaf het begin aanwezig en ook de twee
volgende contrapunten verschijnen gelijktijdig. (het ogenblik waarop
het notenvoorbeeld begint)

zodat deze ‘fuga' al
vierstemmig is vanaf de
tweede
thema-inzet terwijl
dat normaliter toch duurt totdat het thema voor de
vierde keer wordt
voorgedragen.
Als we deze vier thema's c.q. contrapunten van boven naar beneden
nummeren in de volgorde van hun eerste optreden (3,1,4,2) dan kan het
achtereenvolgende optreden van deze thema's in de fuga als geheel in de
volgende tabel worden samengevat.
De vier thema's komen dus vijf keer
'tegen elkaar uit', in wisselende
groeperingen en liggingen, vaker als in een normale fuga. De
thematische passages worden gescheiden door korte
des-Herzens-Trost-sequenties.
Het door de fuga en zijn herhaling
omlijste middengedeelte heeft een geheel ander karakter: een duet voor
sopraan en alt die homofoon, overwegend in terts- en
sextparallellen een lang melisma zingen op
Allmacht en een beweeglijk
zubereiten.
Verlies en reconstructie
Tenslotte nog iets over de onvolledig overgeleverde tenoraria
(3). De
grote Bach-specialist Alfred Dúrr liet al in het Bach Jahrbuch
van 1960 zien dat we van BWV 181/3 (evenals van 37/2) een partij
missen.
Hoe dat kon gebeuren en hoe
wij
dat kunnen weten.
Dat kon gebeuren omdat na Bachs dood
twee van zijn zonen,
Wilhelm Friedemann en Carl Philipp Emmanuel, interesse hadden in het
cantatemateriaal omdat ze daar in hun beroepspraktijk nog
uitvoeringsmogelijkheden voor zagen. Dus ging - om en om - van de ene
cantate de partituur naar de één en de partijen naar de
ander, en van de volgende cantate omgekeerd. Zodoende konden beiden nog
uitvoeringen realiseren: de één zou opnieuw een
partituur moeten uitschrijven, de ander nieuwe partijen moeten (laten)
aanmaken. Van Friedemanns aandeel is veel verloren gegaan zodat we via
Emmanuels nalatenschap van de ene cantate nog een partituur en van de
andere nog partijen kennen.
Bij de verdeling van de cantates gold nog een bijzonderheid. Daarvoor
moet je weten dat er van de eerste en tweede vioolpartijen altijd
meerdere exemplaren werden aangemaakt; in tegenstelling tot de
koorpartijen (!) waren de vioollessenaars namelijk wel meervoudig bezet
zodat er voor de tweede lessenaars van 1e en 2e viool zogenoemde
'doubletten' werden vervaardigd. Die doubletten werden niet door de
hoofdkopiïst uit de partituur overgeschreven maar door een hulpje
uit het eerste exemplaar gekopieerd. En vooral: die doubletten
behoefden natuurlijk niet de vioolsolo's te bevatten, die immers
uitsluitend aan de eerste lessenaar nodig waren.. Bij de splitsing van
het cantate-materiaal in partituur en partijen werd nu bovendien
bepaald dat degene die de partituur ontving óók de
doubletten meekreeg; dat scheelde hem schrijfwerk en de ander kwam er
niets aan tekort. Bij die "secundaire" opdeling van vioolpartijen in
originelen en doubletten is het wel eens misgegaan. En dat kun je dus
zien wanneer je tussen alle door de hoofdkopiïst geschreven
partijen 1e en 2e vioolpartijen in een ander, minder geroutineerd
handschrift aantreft. En dat is ook verder niet erg, tenzij er met de
originele vioolpartijen ook één of twee vioolsolo's zijn
verdwenen.
Dat nu is, zoals Dürr aantoonde, waarschijnlijk het geval bij BWV
181/3 en 37/2. Het ontbreken van die vioolpartijen zou ons niet zijn
opgevallen (en ons ook niet hebben gehinderd) als er niet in beide
cantates een aria was geweest met een, volgens het aangetroffen
stemmenmateriaal uiterst armoedige bezetting: slechts een vocale solist
en een continuopartij. Dat zou nog de bezetting van een zogenoemde
continuo-aria kunnen vormen maar daarin pleegt de continuopartij toch
interessant muzikaal materiaal, een herkenbare melodische lijn te
bezitten. Waar dat niet het geval is en we bovendien slechts over
doubletten van de vioolpartijen beschikken, ligt de conclusie voor de
hand: deze aria's hebben vioolsolo's bevat. De vraag is nog slechts:
voor één of twee violisten? In de meeste aria's
voor twee vioolsolisten (denk aan de tenoraria
Ich will nur dir zu Ehren leben in
het
vierde deel van het Weihnachtsoratorium) zetten de soloviolisten
canonisch of fugatisch, achter elkaar in en die herhaling van een
motief kun je ook in de continuopartij terugvinden. Als die zo'n
herhaling niet bevat (zoals in 181/3 en 37/2) concluderen we dus dat er
slechts één vioolsolo ontbreekt.
Het antwoord op de vraag
Hoe nu verder? luidt:
reconstrueren. Het
belangrijkste aanknopingspunt voor zo'n reconstructie is niet 'de geest
van Bach hebben' maar de aanwijzingen die de continuopartij geeft. De
partij van de toetsenist c.q. organist bevat namelijk niet alleen de
basnoten die hij deelt met de cellist, fagottist en/of bas- dan wel
violonespeler, maar bovendien cijfertjes die aangeven welke akkoorden
hij boven die basnoten moet aanslaan. Die cijfertjes definieren
tenminste twee en soms drie noten die in zijn akkoord moeten voorkomen.
Als de organist in zijn partij een
g ziet
zonder verdere cijfertjes erbij weet hij dat hij/zij met zijn
rechterhand in elk geval de
b
en de
d moet spelen, de noten
uit de gewone drieklank op
g
(of
bes en
d als 't stuk in mineur staat), maar
wanneer er bij die
g een 6 en
een 4 genoteerd staan weet hij dat-ie en
c en een
e moet spelen (of een
cis en een
e, afhankelijk van de toonsoort, het
aantal kruizen en mollen waarin hij op dat moment musiceert). De
toetsenist mag zelf weten in welk octaaf hij die aanvullende noten wil
spelen en of hij sommige van die noten misschien wil verdubbelen. In de
meeste gevallen zul je zien dat één van die aanvullende
noten uit de continuopartij ook door de zanger wordt gezongen, hij
zingt immers globaal in dezelfde harmonie, en zo kun je verwachten dat
de ontbrekende solopartij een andere noot had te spelen die uit de
becijfering van de bas volgt. Noteer die noot in je reconstructie en je
hebt 't halve werk gedaan. Begin met de passages waar de vocale solist
zingt want die bevatten de minste ruimte en de meeste verplichtingen
voor een onafhankelijke instrumentale partij. Zet er nog wat nootjes
tussen, breng er een

mooie lijn in, zorg dat je een motiefje herhaalt (eventueel in een
andere toonsoort) wanneer de zanger of
continuïst dat ook doet, voeg nog een snufje 'geest van
Bach' toe en assembleer ten slotte de eerste maten, het instrumentale
voorspel (
ritornel) waarin
immers alle begeleidende passages samenkomen. Dusdoende vervaardigde
Alfred Dürr
bijgaande reconstructie van de eerste 34 maten, waarbij hij aangaf waar
delen van dit
ritornel worden
herhaald en in welke ligging; deze partij is afgedrukt in het door
Reinhold Kubik bezorgde uitvoeringsmateriaal van Carus Verlag. De
concrete uitvoeringspraktijk van deze verminkte aria biedt
intussen nog enkele verrassingen.
De vijf professionele uitvoerders die BWV 181 op CD zetten laten zich
geen reconstructie door iemand anders, zelfs niet door Alfred
Dürr, aanreiken en maken er zelf een, zoals u in de hieronder
aangegeven opnames kunt beluisteren. So far so good, maar
opmerkelijker is dat zij Dürrs goed gestaafde bewering naast zich
neerleggen dat er in 181/3 een viool-solo ontbreekt, en niet iets
anders. Zij zetten een orgel, een clavecimbel en zelfs een hobo in.
Koopmans hobo verandert
het karakter van het stuk toch wel ingrijpend. Bij de continuo-versies
gaat mijn voorkeur
uit naar Leusink en Nico van der Meel. Ik vind Leonhardts instrumentale
partij (orgel) eigenlijk het meest overtuigend, maar Equiluz is bij hem
weliswaar wat acceptabeler dan bij Rilling maar blijft (In My Humble
Opinion) toch ver achter bij de andere tenoren.
Maar Suzuki uiteindelijk, de recentste en - schijnbaar tegen de
historische ontwikkeling in - de snelste uitvoering, neemt de
(bovengegeven) argumentatie van Dürr over maar tekent daarbij aan
dat de beschikbare orgel- en tenorpartijen
niet - zoals Dürrs
reconstructie - met een opmaat beginnen. Hij laat een zelf
gereconstrueerde vioolpartij uitvoeren die qua karakter niet veel van
die van Dürr afwijkt. Het grote voordeel van de versies met een
obligaat instrument naast het continuo is dat we nu ook een volwassen
continuopartij op het orgel horen; Suzuki heeft daarom mijn voorkeur.