J. S. BACH: Ärgre dich, o Seele, nicht (BWV 186)

Beluister deze cantate alvast
in de uitvoering door Leusink
en zijn Holland Boys Choir
Cantate 186 is één van de drie cantates (BWV 70, 147 en 186) die Bach grotendeels in 1716 te Weimar componeerde voor zondagen in de Adventstijd (de vier zondagen voor Kerstmis) waarop in Leipzig geen figurale muziek mocht klinken omdat de Adventstijd daar als een periode van inkeer en bezinning werd beschouwd. Bach kon deze cantates dus in Leipzig niet uitvoeren tenzij hij ze voor een andere gelegenheid bewerkte. Alle drie staan op teksten van de Weimarer hofpoëet Salomon Franck, en hebben een wat ouderwetse struktuur: ze missen de (‘moderne') recitatieven en omvatten dus slechts een openings- en slotkoor en daartussenin vier opeenvolgende aria's. In zijn drukke eerste jaar te Leipzig, waarin Bach zich had verplicht (meer dan) wekelijks een nieuwe cantate te presenteren, maakt hij deze composities voor een andere gelegenheid geschikt door er vier recitatieven tussen te voegen die de voorgeschreven relatie moeten leggen met het op die zondag gelezen evangeliegedeelte, in de hoop dat hij kan volstaan met ondergeschikte wijzigingen in de ariateksten. Zo werden dit dus lange, 10- of 11-delige cantates waarvan het eerste deel vóór en het tweede deel na de preek werd uitgevoerd.
De Weimarer bron voor BWV 186, genummerd BWV 186a, waarvan wij slechts de tekst kennen, werd geschreven voor de Derde Advent, de zondag waarop uit het evangelie van Matteüs (11: 2 - 10) gelezen wordt hoe Johannes de Doper, de wegbereider van Jezus, zich in de gevangenis afvraagt of deze Jezus die zo weinig goddelijke en koninklijke trekken vertoont wel de beloofde Messias is waarvoor hij zich zo heeft ingezet; en Jezus vraagt zijn discipelen aan Johannes te berichten over de wonderen die ze hem hebben zien doen en "erger je niet aan mij." Bachs onbekende Leipziger tekstdichter transformeert de Weimarer BWV 186a tot een cantate voor zevende zondag na Trinitatis (11 juli 1723) waarvan de evangelielezing (Markus 8: 1-9) verhaalt hoe Jezus' discipelen mokken dat zij en de schare van 4000 volgelingen (5000 bij Lucas en Johannes) al dagen niets gegeten hebben terwijl ze "slechts vijf broden en twee vissen" bij zich hebben, waarop Jezus het brood en de vissen verdeelt totdat allen verzadigd zijn: de wonderbare spijziging. Een cantate over het contrast "uiterlijke armoede / innerlijke rijkdom" wordt aldus omgevormd tot een cantate over het contrast "lichamelijk voedsel / geestelijke verzadiging". Behalve door de invoeging van vier recitatieven gebeurt dat door de vervanging van het slotkoraal, waarvan Bach een tweede couplet invoegt als slot van het eerste deel van de cantate. Ook de ariateksten heeft Bachs librettist niet ongemoeid kunnen laten, zoals onderstaande tekstvergelijking uitwijst.
Alle recitatieven eindigen met een ritmisch begeleide, arioso, passage die meestal een bijbelwoord onderstreept. De vier aria's worden door een telkens iets uitgebreider instrumentarium begeleid: louter continuo (3), plus een hobo da caccia (5), en twee violen unisono (8) en tenslotte tutti, met drie strijkerspartijen (10). Alleen lijkt de Leipziger versie deze opbouw te doorbreken: wegens de lagere stemtoon in Leipzig moest Bach de hobo da caccia vervangen door een oktaverende hobo, die echter wordt gesteund door de eerste violen omdat de partij nu ongemakkelijk hoog ligt; het is zelfs de vraag of hier in Leipzig überhaupt een hobo heeft meegespeeld. De drie hobo's in de uit Weimar stammende delen (1) en (10) spelen nergens zelfstandige noten, ze verdubbelen slechts de hoge strijkers, zodat het - omgekeerd - de vraag is of die drie er in 1716 al bij waren.
1. KOOR
Ärgre dich, o Seele, nicht,
Daß das allerhöchste Licht,
Gottes Glanz und Ebenbild,
Sich in Knechtsgestalt verhüllt,
Ärgre dich, o Seele, nicht!

2. RECITATIEF (B)

Die Knechtsgestalt, die Not, der Mangel
Trifft Christi Glieder nicht allein,
Es will ihr Haupt selbst arm und elend sein.
Und ist nicht Reichtum, ist nicht Überfluß
Des Satans Angel,
So man mit Sorgfalt meiden muß?
Wird dir im Gegenteil
Die Last zu viel zu tragen,
Wenn Armut dich beschwert,
Wenn Hunger dich verzehrt,
Und willst sogleich verzagen,
So denkst du nicht an Jesum, an dein Heil.
Hast du wie jenes Volk nicht bald zu essen,
So seufzest du:
Ach Herr, wie lange willst du mein vergessen?

3. ARIA (B)
Bist du, der mir helfen soll,
Eilst du nicht, mir beizustehen?
Mein Gemüt ist zweifelsvoll,
Du verwirfst vielleicht mein Flehen;
Doch, o Seele, zweifle nicht,
Laß Vernunft dich nicht bestricken;
Deinen Helfer, Jakobs Licht,
Kannst du in der Schrift erblicken.

4. RECITATIEF (T)
Ach, daß ein Christ so sehr
Vor seinen Körper sorgt!
Was ist er mehr?
Ein Bau von Erden,
Der wieder muß zur Erde werden,
Ein Kleid, so nur geborgt.
Er könnte ja das beste Teil erwählen,
So seine Hoffnung nie betrügt:
Das Heil der Seelen,
So in Jesu liegt.
O selig! wer ihn in der Schrift erblickt,
Wie er durch seine Lehren
Auf alle, die ihn hören,
Ein geistlich Manna schickt.
Drum, wenn der Kummer gleich das Herze nagt und frißt,
So schmeckt und sehet doch,
wie freundlich Jesus ist!

5. ARIA (T)
Mein Heiland läßt sich merken
In seinen Gnadenwerken.
Da er sich kräftig weist,
Den schwachen Geist zu lehren,
Den matten Leib zu nähren,
Dies sättigt Leib und Geist.

6. KORAAL
Ob sichs anließ, als wollt er nicht,
Laß dich es nicht erschrecken;
Denn wo er ist am besten mit,
Da will ers nicht entdecken.
Sein Wort laß dir gewisser sein,
Und ob dein Herz spräch lauter Nein,
So laß doch dir nicht grauen.


Zweiter Teil

7. RECITATIEF (B)
Es ist die Welt die große Wüstenei,
Der Himmel wird zu Erz, die Erde wird zu Eisen,
Wenn Christen durch den Glauben weisen,
Daß Christi Wort ihr größter Reichtum sei;
Der Nahrungssegen scheint
Von ihnen fast zu fliehen,
Ein steter Mangel wird beweint,
Damit sie nur der Welt sich desto mehr entziehen;
Da findet erst des Heilands Wort,
Der höchste Schatz,
In ihren Herzen Platz.
Ja, jammert ihn des Volkes dort,
So muß auch hier sein Herze brechen
Und über sie den Segen sprechen.

8. ARIA (S)
Die Armen will der Herr umarmen
Mit Gnaden hier und dort;
Er schenket ihnen aus Erbarmen
Den höchsten Schatz, das Lebenswort.

9. RECITATIEF (A)
Nun mag die Welt mit ihrer Lust vergehen:
Bricht gleich der Mangel ein,
Doch kann die Seele freudig sein.
Wird durch dies Jammertal der Gang
Zu schwer, zu lang,
In Jesu Wort liegt Heil und Segen.
Es ist ihres Fußes Leuchte und ein Licht auf ihren Wegen.
Wer gläubig durch die Wüste reist,
Wird durch dies Wort getränkt, gespeist;
Der Heiland öffnet selbst, nach diesem Worte,
Ihm einst des Paradieses Pforte,
Und nach vollbrachtem Lauf
Setzt er den Gläubigen die Krone auf.

10. ARIA (S, A)
Laß, Seele, kein Leiden
Von Jesu dich scheiden,
Sei, Seele, getreu!
Dir bleibet die Krone
Aus Gnaden zu Lohne,
Wenn du von Banden des Leibes nun frei.

11. KORAAL
Die Hoffnung wart' der rechten Zeit,
Was Gottes Wort zusaget.
Wenn das geschehen soll zur Freud,
Setzt Gott kein gwisse Tage.
Er weiß wohl, wenns am besten ist,
Und braucht an uns kein arge List,
Des solln wir ihm vertrauen.
Het openingskoor (1) parafraseert de Matteüstekst: Erger je niet dat God zich als knecht toont. Het koor heeft, na een inleidend instrumentaal ritornel, een A-B-A-B-A-struktuur: de A-gedeelten op de Ärgre-tekst klinken polyfoon, fugatisch, de B-gedeelten op de Glanz-tekst a-cappella, met louter continuobegeleiding en homofoon, akkoordisch.
Boven permanent in gebroken akkoorden voortstappend continuo presenteren strijkers en houtblazers in de instrumentale inleiding twee korte, als fuga en contrapunt bij elkaar2 motieven passende motieven (voorbeeld). Het tweede zal in de A-gedeelten fugatisch worden
uitgewerkt op de éénregelige Ärgre-tekst, waarbij het eerste als instrumentale tegenstem fungeert. Maar al vóór het fugabegin zingt het koor het Ärgre op een reeks irritante dissonanten, dalende septiemsprongen: d, es, fis, bes, en de instrumenten imiteren dat. Twee aan twee exposeren de stemmen het korte fugathema: AS-BT in de eerste fuga, TB-SA bij de eerste terugkeer van het A-deel, en TS-AB in het verkorte laatste A gedeelte (en dan in de omkering, omhoog wordt omlaag en vv). De B-passages worden slechts door continuo begeleid (armoedige Knechtsgestalt), Gottes Glanz blijkt niet alleen uit de stralende hoge g's van de sopraan maar ook uit de simultane dictie in de transparante homophonie.
Het eerste recitatief (2) is voor de bas, in de oorspronkelijke versie uiteraard de stem van Johannes de Doper. De tekst leidt de gedachten van de Knechtsgestalt uit de Adventsversie via het begrip armoede naar Hunger en essen om aansluiting te vinden bij het wonderbare-spijzigingsverhaal. Het recitatief is secco, slechts door continuo begeleid maar onderstreept ten slotte met een ritmische begeleiding de arioso voorgedragen twijfel van de bas over Gods steun, die gemeenschappelijk is aan beide bijbelse contexten en waaraan de bas uitdrukking geeft in de volgende aria (3). Hij wordt in elk geval door geen enkel affektinstrument, strijker noch blazer, geholpen maar moet het stellen met louter continuobegeleiding. De acht regels tekst zijn verdeeld over vier versparen. In de eerste twee richt de bas zich tot God, in de tweede spreekt hij zichzelf vermanend toe. Hij uit zijn twijfel met zoekende, meanderende vocale lijnen. De bestrikkende Vernunft (misleidende ratio, waarneming) maakt het alleen maar erger, met verwarrende wilde sprongen, maar wat uiteindelijk (vierde episode) uit het evangelie kan worden opgemaakt (erblicken) verloopt langs geheel diatonische (de toonladder volgende) rechte lijnen.
Met zijn, alweer slechts door continuo begeleid recitatief (4) verschuift de tenor de aandacht van voedsel voor het vergankelijk fysieke lichaam naar de voeding van de geest. Na een extatisch O selig concludeert hij met een dramatisch arioso. Door de woorden in der Schrift erblickt verbindt de Leipziger librettist zijn recitatief met het slot van de voorafgaande, Weimarer aria. De eerste helft van de slotzin (Drum ... frißt) begeleidt het continuo met een tienmaal, telkens één toon lager herhaalde figuur van vier achtste noten: het knaagt en vreet zich een weg omlaag over meer dan een octaaf, maar daarna worden niet alleen de harmonieën vriendelijker maar krijgt ook freundlich een uitbundige coloratuur.
In zijn aansluitende aria (5) werd de tenor oorspronkelijk begeleid door een hobo da caccia; in Leipzig waarschijnlijk slechts door de tot één stem verenigde eerste en tweede violen. Het belangrijkste tekstwoord is Gnadenwerke, ongeveer het enige woord dat de Leipziger bewerking handhaafde; de voorbeelden ervan verschillen. Hobo/violen verbeelden het met een cascade van 32sten. De stijgende lijn waarmee het begeleidend thema begint, voorziet de tenor (m.11) van de tekst Der Heiland läßt sich merken. Overigens delen instrumentalisten en zanger geen gemeenschappelijke thematiek. De tekst biedt de tenor weinig mogelijkheden tot muzikale illustraties.
Het eerste deel van de cantate besluit met het twaalfde vers van het vroegreformatorische lied Es ist das Heil uns kommen her van Paul Speratus (1524); ook al zie je God niet, zijn woord is belangrijker. De in 1723 gecomponeerde muziek toont hoe Bach experimenteert met uitgebreidere koraalzettingen: het is een primitieve versie van de grote koraalfantasieën waarmee hij een jaar later zijn jaargang koraalcantates zal beginnen. De zeven koraalregels zijn opgehangen in een doorgaande instrumentale begeleiding, waarin strijkers en hobo's als twee afzonderlijke instrumentale koren opereren, met eigen motieven: een opkrabbelend motiefje voor de hobo's (menselijk zoeken?) en een - overheersend - steil dalend motief van de strijkers (Gods zegen?) waar de hobo's nu en dan aan meedoen. Terwijl de begeleiding aan de eigen motieven vasthoudt zingt de sopraan de koraalregels in kwartnoten, telkens wat later polyfoon ondersteund door de andere stemmen.

Het tweede deel van de cantate stipuleert dat lijden aan de wereld mensen dichter bij Gods woord kan brengen. Omdat dit cantatedeel sub communione werd uitgevoerd vinden we in de (recitatief-)teksten woorden als Nahrung, tränken en speisen.
De bas wordt in zijn tweede recitatief (7) door strijkers begeleid. "De wereld is een dorre woestijn", zich daaraan onttrekken is een wending (m.11/12) die wordt begroet met een plotselinge harmonische verschuiving van een mol(♭)- naar een kruis(#)-toonsoort. Strijkers begeleiden het slot-arioso met zegenende gebaren.
De tekst van sopraanaria (8) behoefde geen wijziging want Armen figureren zowel in de Matteüs- als de Markuspericopen. De sopraan vormt een trio met de unisono spelende violen en een opvallend geprononceerde continuopartij. In hun inleiding presenteren de strijkers weer twee contrasterende motieven: een chromatisch dalende reeks sextsprongen waarin we het ploeteren van de armen zouden kunnen horen, en een chromatisch stijgende lijn die nu eens niet op lijden of smart duidt maar door de sopraan met het begrip Erbarmen zal worden verbonden (m.24 & 34). De vier regels tekst worden paarsgewijs verwerkt, gescheiden door instrumentale intermezzi. Bij mit Gnaden hier und dort zwijgen de violen.
Altrecitatief (9), slechts door continuo begeleid (secco) effent de weg naar een opgewekt slot van de cantate. Het is niet alleen rijk aan theologische inhoud maar ook aan muzikaal te duiden begrippen. Na een hoopvol freudige Seele betrekt het harmonisch klimaat even voor Jammertal, schwer en lang maar vervolgens onderstreept een ritmisch arioso het centrale citaat "een lamp voor uw voet en een licht op uw pad" (Psalm 119:105), voor het continuo dat ‘in duisternis' voortschuifelt naar zijn laagste bes. Na optimistische lijnen omhoog bij der Heiland öffnet en Paradies tekenen continuo en alt ten slotte in een laatste arioso (adagio) met krullende motieven in noten de Krone uit (Augenmusik).
Alle instrumentalisten treden aan ter begeleiding van het slotduet van alt en sopraan (10), maar de drie hobo's (waaronder een taille, alt-hobo) hebben geen eigen partijen doch verdubbelen slechts de (alt-)violen. In de dansante 3/8-maat van de gigue is het ritme ‘gepunkteerd', pam-pa-dam, maar dit dansje is opgewekt doch niet uitgelaten: de vreugde wordt getemperd door de mineur toonsoort (c-klein) en hier en daar passages met een wat ernstiger ouderwets polyfone textuur, canonisch zelfs. Want de tekst belooft de gelovige die Krone, het eeuwig leven (waaraan het voorgaande recitatief al refereerde) maar voorwaardelijk: als hij getreu bleibt en pas na de dood, wenn des Leibes frei.
Het duet begint met een lang inleidend instrumentaal ritornel van 32 maten dat, zoals het een dans betaamt is opgebouwd uit eenheden van 4 maten en aan het slot integraal wordt herhaald.
Sopraan en alt zingen gelijkwaardige partijen. In negen vocale passages, die veelal worden gescheiden door 4 maten ritornelcitaten, verwerken zij gaandeweg de hele tekst, nu eens in moderne terts- en sextparallellen, dan weer elkaar imiterend en een enkele keer met langere canonische passages en met elkaar in tegenbeweging.
De cantate besluit (11) met het elfde couplet van Speratus' lied, op muziek die ook al aan het slot van deel 1 klonk: vertrouw op God, ook al is het tijdstip onzeker waarop hij zijn beloften inlost.
PS Gert Oost, in zijn boek Aan de hand van Bach, fabriceerde een 'volledige' Adventscantate '186b' door tussen de vier aria's van BWV 186a bestaande en passende recitatieven in te voegen; achtereenvolgens BWV 152/5, 172/2, 182/3 en 62/5.

omhoog


© Eduard van Hengel
Tekstvergelijking


1716, tekst S.Franck,
3e Advent (Joh. de Doper)

KOOR
Ärg're dich o Seele, nicht,
Daß das allerhöchste Licht,
Gottes Glantz und Ebenbild,
Sich in Knechts-Gestalt verhüllt.
Ärgre dich, o Seele, nicht!

Aria 1.
Bist du, der da kommen soll,
Seelen-Freund, in Kirchen-Garten?
Mein Gemüt ist Zweifels-voll,
Soll ich eines andern warten!
Doch, o Seele, zweifle nicht.
Laß Vernunft dich nicht verstricken,
Deinen Schilo, Jacobs Licht,
Kannst du in der Schrift erblicken!

Aria 2.
Messias läßt sich merken
Aus seinen Gnaden-Werken,
Unreine werden rein.
Die geistlich Lahme gehen,
Die geistlich Blinde sehen
Den hellen Gnaden Schein.

Aria. 3.
Die Armen will der Herr umarmen
Mit Gnaden hier und dort!
Er schenket ihnen aus Erbarmen
Den höchsten Schatz, des Lebens Wort!

Aria 4.
Laß, Seele, kein Leiden,
Von Jesu dich scheiden,
Sei Seele getreu!
Dir bleibet die Krone
Aus Gnaden zu Lohne
Wenn du von Banden des Leibes nun frei.

KORAAL

Darum ob ich schon dulde
Hie Wiederwärtigkeit,
wie ich auch wohl verschulde,
kommt doch die Ewigkeit,
ist aller Freuden voll,
die ohne alles Ende,
dieweil ich Christum kenne,
mir widerfahren soll.
1723, tekst anoniem
7e na Trinitatis (Spijziging 5000)

1. KOOR
Ärgre dich, o Seele, nicht,
Daß das allerhöchste Licht,
Gottes Glanz und Ebenbild,
Sich in Knechtsgestalt verhüllt,
Ärgre dich, o Seele, nicht!

3. ARIA (B)
Bist du, der mir helfen soll,
Eilst du nicht, mir beizustehen?
Mein Gemüt ist zweifelsvoll,
Du verwirfst vielleicht mein Flehen;
Doch, o Seele, zweifle nicht,
Laß Vernunft dich nicht bestricken;
Deinen Helfer, Jakobs Licht,
Kannst du in der Schrift erblicken.

5. ARIA (T)
Mein Heiland läßt sich merken
In seinen Gnadenwerken.
Da er sich kräftig weist,
Den schwachen Geist zu lehren,
Den matten Leib zu nähren,
Dies sättigt Leib und Geist.

8. ARIA (S)
Die Armen will der Herr umarmen
Mit Gnaden hier und dort;
Er schenket ihnen aus Erbarmen
Den höchsten Schatz, das Lebenswort.

10. ARIA (S, A)
Laß, Seele, kein Leiden
Von Jesu dich scheiden,
Sei, Seele, getreu!
Dir bleibet die Krone
Aus Gnaden zu Lohne,
Wenn du von Banden des Leibes nun frei.