|
|
|
|
|
|
J. S. BACH: Es wartet alles auf dich (BWV 187) |
Beluister
deze cantate alvast in de uitvoering door Leusink en zijn Holland Boys Choir |
||||
| Voor vier van
de zes delen van zijn Mis in g-klein (BWV 235, volgende
maand in dit programma) ontleende Bach de muziek aan de
cantate van vandaag, Es
wartet alles auf dich (BWV 187); d.w.z. hij
hergebruikte er alle delen van, behalve de voor een mis
categorisch ongeschikte recitatieven en het koraal. Bach
rekende deze cantate blijkbaar tot zijn meest geslaagde
composities, waard om in meer bestendige vorm voor het
nageslacht behouden te blijven. En met goede reden. Reeds de kwaliteit van het libretto stijgt uit boven de teksten van tijdgenoten waarmee Bach gewoonlijk werkte. Bach ontleende de tekst van deze - en enkele andere cantates van medio 1726 - aan een bundel van een onbekende dichter uit 1704 die door Bachs verre achterneef Johann Ludwig uit Meiningen was gebruikt voor een cantatejaargang waaruit Bach in het voorjaar 1726, zijn eigen cantateproduktie tijdelijk onderbrekend, maar liefst 18 cantates uitvoerde. De reeks 'Meininger cantates' waartoe BWV 187 (met o.m. BWV 102, hier op 28 november j.l.) behoort heeft als gemeenschappelijk kenmerk dat ze bestaan uit twee delen die voor en na de preek werden uitgevoerd: een oud-testamentische en een nieuw-testamentische bijbeltekst, elk gevolgd door een recitatief en een aria. Zo ontstaan uit zeven nummers bestaande cantates, met een symmetrische struktuur en de nieuw-testamentische tekst in het midden: Bijbel OT - Recit. - Aria
- Bijbel NT - Aria - Recit. - Koraal
BWV 187 schreef Bach voor de zevende zondag na Trinitatis,
4 augustus 1726, waarvoor de evangelietekst (Marcus 8:1-9)
verhaalt hoe Jezus met zeven broden en een paar visjes een
menigte van 4000 mensen te eten geeft, waarna er nog zeven
manden restanten overblijven. Dit verhaal komt in de
cantate niet expliciet aan de orde maar geeft de
tekstdichter in Deel I aanleiding God in het algemeen te
prijzen voor de vruchtbaarheid van de aarde, een tekst met
enige aktualiteit in tijden van hollende
milieuvernietiging. Deel II roept de gelovige op tot een
onbezorgd Godsvertrouwen. |
|||||
| 1. "Es wartet
alles auf dich, daß du ihnen Speise gebest zu
seiner Zeit. Wenn du ihnen gibest, so sammlen sie,
wenn du deine Hand auftust, so werden sie mit
Güte gesättiget." 2. Was Kreaturen hält Das große Rund der Welt! Schau doch die Berge an, da sie bei tausend gehen; Was zeuget nicht die Flut? Es wimmeln Ström und Seen. Der Vögel großes Heer Zieht durch die Luft zu Feld. Wer nähret solche Zahl, Und wer vermag ihr wohl die Notdurft abzugeben? Kann irgendein Monarch nach solcher Ehre streben? Zahlt aller Erden Gold Ihr wohl ein einig Mal? 3. Du Herr, du krönst allein das Jahr mit deinem Gut. Es träufet Fett und Segen Auf deines Fußes Wegen, Und deine Gnade ists, die allen Gutes tut. 4. "Darum sollt ihr nicht sorgen noch sagen: Was werden wir essen, was werden wir trinken, womit werden wir uns kleiden? Nach solchem allen trachten die Heiden. Denn euer himmlischer Vater weiß, daß ihr dies alles bedürfet." 5. Gott versorget alles Leben, Was hienieden Odem hegt. Sollt er mir allein nicht geben, Was er allen zugesagt? Weicht, ihr Sorgen, seine Treue Ist auch meiner eingedenk Und wird ob mir täglich neue Durch manch Vaterliebs-Geschenk. 6. Halt ich nur fest an ihm mit kindlichem Vertrauen Und nehm mit Dankbarkeit, was er mir zugedacht, So werd ich mich nie ohne Hülfe schauen, Und wie er auch vor mich die Rechnung hab gemacht. Das Grämen nützet nicht, die Mühe ist verloren, Die das verzagte Herz um seine Notdurft nimmt; Der ewig reiche Gott hat sich die Sorge auserkoren, So weiß ich, daß er mir auch meinen Teil bestimmt. 7. Gott hat die Erde zugericht', Läßts an Nahrung mangeln nicht; Berg und Tal, die macht er naß, Daß dem Vieh auch wächst sein Gras; Aus der Erden Wein und Brot Schaffet Gott und gibts uns satt, Daß der Mensch sein Leben bat. Wir danken sehr und bitten ihn, Daß er uns geb des Geistes Sinn, Daß wir solches recht verstehn, Stets in sein' Geboten gehn, Seinen Namen machen groß In Christo ohn Unterlaß: So singn wir recht das Gratias. |
Het
uitgebreide openingskoor (1)
behandelt de verzen 27 en 28 van Psalm 104, waarin de
overvloedigheid van Gods schepping wordt bezongen. Het
stuk heeft vier vocale passages, respectievelijk op de
eerste halfzin, de hele eerste zin, de tweede zin en een
recapitulatie van de gehele tekst. Elk van die tekstdelen
heeft een eigen thema dat polyfoon (imitatief, fugatisch,
canonisch etc) wordt verwerkt en/of met tegenstemmen
gecombineerd. Daardoor zouden vier nogal heterogene
muziekstukken ontstaan als niet de, veelal onafhankelijke
instrumentale begeleiding deze stukken tot een geheel
maakte door middel van telkens terugkerende motieven die
in de uitvoerige inleidende sinfonia worden
geïntroduceerd: oude polyfonie in modern-concertante
verpakking. Wanneer de zangers de tekst recapituleren
herhalen de instrumenten letterlijk de tweede helft van
hun openings-sinfonia ('koor-inbouw'). Zo onstaat een
struktuur die je met een schoolbord en een halfuur
spreektijd fraai in beeld zou kunnen brengen; er gebeurt -
kortom - veel meer dan je tijdens één enkele
beluistering gewaar kunt worden. Herhalingen in
slow-motion zijn in de muziek helaas nog niet uitgevonden.
Maar doorheen alle compositorische hoogstandjes ontstaat
er bovenal een buitengewoon aantrekkelijk muziekstuk, een
hoogtepunt in Bachs vocale oeuvre, dat als slotkoor van de
Mis in g zal terugkeren. In het slechts door continuo begeleide ('secco') recitatief voor de bas (2) heeft de tekstdichter zich verder door Psalm 104 laten inspireren. De vriendelijke en ontspannen alt-aria (3) heeft een symmetrische, da-capostruktuur: veel ruimte en tekstherhaling voor de hoofdgedachte, en een compact middendeel voor de drie overige zinnen. Het thema, geïntroduceerd door viool en hobo unisono, lijkt, met zijn opmerkelijke syncope, de aarzelingen van de wankelmoedige gelovige te verbeelden. De driedelige maat suggereert ook een dans, maar de vorm bevestigt dat niet. Deel II opent met (4) de nieuw-testamentische tekst, de verzen 31 en 32 van Mattheus 6, een passage uit de Bergrede van Jezus, die dan ook door de bas, als 'vox christi' wordt gezongen. Door de vele tekstherhalingen en uitgebreide instrumentale inleiding lijkt het stuk een aria; de kenmerken van een arioso overwegen echter: een rijmende noch metrische prozatekst, een begeleiding die bestaat uit de voortdurende herhaling (door de twee violen unisono) van één kort, plastisch motief, en een tekstbehandeling waar alleen het woord 'Heiden' met een coloratuur (: veel noten op één lettergreep) speciaal wordt uitgelicht. De onbezorgde, van dankbaarheid getuigende sopraanaria (5) is, evenals de altaria, driedelig, waarbij de aanvankelijke thematiek - een 'Adagio' met plechtig gepunkteerd ritme en een sierlijke hobosolo - aan het eind terugkeert, maar slechts instrumentaal. Het middendeel echter, dat de tweede teksthelft behandelt ('Weicht, ihr Sorgen'), is nu scherp contrasterend: het heeft een volkomen afwijkende, driedelige maatsoort, het tempo is 'Allegro' en de hobo speelt slechts luchthartig gebroken akkoorden. In het recitatief (6) spreekt de sopraan die zich geborgen weet in strijkersakkoorden voor de individuele gelovige die zich voorneemt niet meer te piekeren maar te vertrouwen. In het slotkoraal (7), waarvan maar liefst twee verzen worden gezongen, bevestigt de christelijke gemeente dat, in hetzelfde dansante, driedelige ritme dat we al enkele malen tegenkwamen en zo karakteristiek is voor de sfeer van deze cantate als geheel. De keuze van de twee verzen - die immers uit een bestaande, beperkte voorraad kerkliederen moest geschieden - verdient speciale waardering: vers 1 resumeert de scheppingsrijkdom van Deel I, en vers 2 de dankbaarheid van de gelovige in Deel II. (De Swaen, 24/4/2005)
|
||||
|
© Eduard van Hengel | ||||