|
|
|
|
|
|
J. S. BACH: Ich habe
meine Zuversicht (BWV 188)
|
Beluister
deze
cantate
alvast in de uitvoering door Leusink en zijn Holland Boys Choir |
||||
| Nadat Bach in zijn
eerste twee jaren als Thomaskantor te Leipzig vrijwel twee volledige
jaargangen kerkcantates (ruim 60 per jaar!) heeft gecomponeerd, en nog
een derde jaargang in de volgende twee jaar, zou het vermoeden van nog
een vierde jaargang niet zijn opgekomen als niet Bachs tekstdichter
sinds 1725, de postbeamte Christian Friedrich Henrici (1700 - 1764,
pseudoniem Picander) in 1728/29 een volledige jaargang cantateteksten
had gepubliceerd, met in het voorwoord de aankondiging dat deze door de
unvergleichlichen Herrn
Capell-Meisters zullen worden getoonzet; want ons zijn (nog)
slechts tien Bachcantates bekend op teksten uit Picanders bundel. Niet
alleen Bachs veronderstelde vierde cantatejaargang is sterk gehavend
overgeleverd, maar ook van de daartoe behorende cantate BWV 188, Ich habe meine Zuversicht is het
manuscript danig gemaltraiteerd. Afzonderlijke delen ervan, vervolgens
afzonderlijke pagina's en tenslotte zelfs parallel met de notenbalken
uit pagina's geknipte stroken zijn in de negentiende eeuw in handen
gevallen van muzikaal ongeïnteresseerde verzamelaars van
zeldzaamheden, uit wier privébezit de restanten weer langzaam en
slechts gedeeltelijk zijn teruggevloeid naar openbare verzamelingen.
(Zie het schema onderaan deze pagina voor de zeven Europese steden die
men alleen al moet aandoen om aria (4)
in Bachs handschrift te inspecteren; voor andere delen dient men zich
ook nog in Wenen, Stockholm en Washington te vervoegen. En dan nog ontbreken de eerste tien bladen van het oorspronkelijk 18 bladen tellende manuscript; de eerst resterende pagina (p.11) bevat de 33 laatste maten van een instrumentale sinfonia voor orgelsolo, 3 hobo's, strijkers en continuo, waarin we gelukkig een bewerking kunnen herkennen van het derde deel van een - op zijn beurt verloren gegaan - Weimarer vioolconcert, dat echter voortleeft als het eerste clavecimbelconcert in d-klein (BWV 1052) uit 1738. Al eerder hergebruikte Bach de eerste twee delen van dit concert in de cantate BWV 146. Op grond hiervan is de vrijwel verloren sinfonia met redelijke zekerheid te reconstrueren; dat doen echter oude noch nieuwe Bachuitgave. Reconstructies zijn wel te horen bij o.m. Harnoncourt, Rilling en Koopman; andere uitvoeringen laten de sinfonia weg (Leusink) of spelen die van BWV 146 (Gardiner). Het belangrijkste reconstructieprobleem is dat Bach aan het ensemble van het (viool- en?) clavecimbelconcert voor de cantate twee hobo's en een althobo (taille) met zelfstandige partijen toevoegde De reconstructie van Werner Breig die ook dat probleem meent te hebben opgelost verscheen pas in 2007 bij Breitkopf. De bestemming van Ich habe meine Zuversicht voor de 21ste zondag na Trinitatis is, door het ontbreken van een voorpagina, slechts uit Picanders tekstbundel af te lezen; de cantate zou dan op 17 oktober 1728 (of misschien pas op 6 november 1729) voor het eerst zijn uitgevoerd. De evangelielezing voor deze zondag (Johannes 4: 46-54) vermeldt hoe Jezus, geërgerd door de behoefte van zijn volgelingen aan zichtbare wonderen, hen de hoveling ten voorbeeld stelt die, van verre aangereisd ten behoeve van zijn stervende zoon, Jezus op zijn woord gelooft dat die zoon dankzij zijn geloof is genezen. Hoewel niet expliciet verwijzend naar deze evangelietekst, sluit Picanders libretto wel goed aan bij de algemene strekking ervan: geloofszekerheid en godsvertrouwen. De energieke en vitale sinfonia zou uitdrukking zijn van Gods onwankelbare betrouwbaarheid. Vervolgens blijkt BWV 188 een zogeheten ‘solo-cantate' te zijn: een anachronistische, twintigste eeuwse benaming voor een cantate die slechts recitatieven en aria´s bevat (en eventueel een slotkoraal). Ons onderscheid tussen een ‘koor' en een solistenkwartet was Bach vreemd; waar vier zangers nodig waren (zoals in de huidige cantate) was automatisch zijn koor voltallig aanwezig. |
|||||
| 1. Sinfonia 2. Ich habe meine Zuversicht Auf den getreuen Gott gericht, Da ruhet meine Hoffnung feste. Wenn alles bricht, wenn alles fällt, Wenn niemand Treu und Glauben hält, So ist doch Gott der allerbeste. 3. Gott meint es gut mit jedermann, Auch in den allergrößten Nöten. Verbirget er gleich seine Liebe, So denkt sein Herz doch heimlich dran, Das kann er niemals nicht entziehn; Und wollte mich der Herr auch töten, So hoff ich doch auf ihn. Denn sein erzürntes Angesicht Ist anders nicht Als eine Wolke trübe, Sie hindert nur den Sonnenschein, Damit durch einen sanften Regen Der Himmelssegen Um so viel reicher möge sein. Der Herr verwandelt sich in einen grausamen, Um desto tröstlicher zu scheinen; Er will, er kanns nicht böse meinen. Drum laß ich ihn nicht, er segne mich denn. 4. Unerforschlich ist die Weise, Wie der Herr die Seinen führt. Selber unser Kreuz und Pein Muß zu unserm Besten sein Und zu seines Namens Preise. 5. Die Macht der Welt verlieret sich. Wer kann auf Stand und Hoheit bauen? Gott aber bleibet ewiglich; Wohl allen, die auf ihn vertrauen! 6. Auf meinen lieben Gott Trau ich in Angst und Not; Er kann mich allzeit retten Aus Trübsal, Angst und Nöten; Mein Unglück kann er wenden, Steht alls in seinen Händen. |
De titeltekst wordt
dus ditmaal niet vertolkt in een openingskoor maar in een aria (2) voor de tenor, die wordt
begeleid door strijkers, continuo en een hobo. Het langzaam, statig
ritme van de sarabande geeft uitdrukking aan de ruhende, feste Hoffnung, een effekt
dat wordt versterkt door de syncopes en de rustende lange noten in het
thema dat de instrumenten introduceren en door de tenor wordt
overgenomen. Opmerkelijk, want ongebruikelijk bij Bach, is dat de hobo
in het instrumentaal ritornel (de inleiding die enkele malen wordt
herhaald) de eerste viool verdubbelt, maar in de vocale passages een
zelfstandige begeleidende rol vervult, die hier en daar
gelijk opgaat met de tenor. Picander, de behendige verzensmid die weet
wat van hem verlangd wordt, bedient Bach met een contrasterende tekst
voor een middendeel: Wenn alles
bricht... Daarin breekt de muziek met al het voorafgaande: de
rustige ritmiek maakt plaats voor opwinding, de toonsoort gaat van
F-groot naar d-klein, de violen spelen ineens unisono haastige gebroken
(!) akkoorden en de hobo speelt dalende arpeggio's: wenn alles fällt. Maar reeds
voor het B-gedeelte is afgelopen, op de woorden so ist doch Gott wordt de rust
hersteld en het eerste deel (da-capo) herhaald. De bas getuigt in zijn secco, slechts door continuo begeleide recitatief (3) van zijn onwrikbaar geloof in een God die het goede met ons voor heeft, ook in zijn schijnbare afwezigheid. Wrange septiemakkoorden accentueren töten en grausam. De bas besluit met een teder arioso, in een vloeiend pastorale 6/8-maat, op de bekende, aan Genesis 32: 26 ontleende woorden van Jacob, nadat deze een nacht met een engel heeft geworsteld: Ich lasse dich nicht, du segnest mich denn maar hier door Picander naar de derde persoon overgezet dich, du > ihn, er. Woorden die in hun oorspronkelijke vorm veelvuldig zijn getoonzet, o.m. door Bach in zijn cantate 157 en het motet BWV Anh.159. Altaria (4) is, zo al niet het centrum, dan toch in elk geval de inhoudelijke speerpunt van de cantate: Gods wegen zijn ondoorgrondelijk. De begeleiding komt van de continuogroep waarin de rechterhand van de organist - evenals in deel (1) - een voorgeschreven (obligate) solopartij speelt. Boven een ritmisch weinig geprononceerde bas (cello en linkerhand orgel) speelt de orgelsolo een zoekende, dwalende melodie die de alt, als zo vaak belichaming van de reële, twijfelende gelovige, overneemt en evenzeer tastend, langs onzekere lijnen vervolgt. ‘Unerforschlich' (= ondoorgrondelijk) lijkt het woord dat hier wordt uitgebeeld. De wat opgewekter triolen die soms te horen zijn krijgen van de alt vooral tekst in een lang melisma op Preise, maar klinken ook op andere woorden. Driemaal volgt het orgel de alt in canon op de twee noten van führt; op Kreuz en Pein klinken klaaglijke zuchten (seufzer). De sopraan ten slotte (5), als laatste van de vier achtereenvolgende solisten, contrasteert Gods onbegrensde betrouwbaarheid met de wereldse vermogens. Strijkers verbeelden die Macht der Welt met krachtdadige tremulerende dubbelgrepen, maar al bij hun tweede optreden verkruimelt die macht in dalende arpeggio´s; Gods tijdloze macht wordt met stabiele akkoorden ingekleurd. De cantate eindigt (6) met de vierstemmige harmonisering van het koraalvers Auf meinen lieben Gott, een tekst in 1603 opgedoken te Lùbeck en wellicht van ene Sigmund Weingärtner die de boodschap van de cantate resumeert. Het lied werd gezongen op de melodie van Johann Heermanns Wo soll ich fliehen hin, een melodie die op zijn beurt was afgeleid van een profaan liedje Venus, du und dein Kind seid alle beide blind. Op Trübsal, Angst und Not doorloopt de bas een opvallende, stijgende chromatische gang, eindigend in een As, de enige mol (♭) in het hele stuk. |
||||
|
© Eduard van Hengel | ||||
| De maten van deel 4 in Bachs manuscript, in de 19e eeuw als trofeën in drieën verdeeld, bevinden zich thans op zeven verschillende plaatsen op aarde. | |||
| blad |
voorzijde |
achterzijde |
bezit |
| 15 |
slot
dl.3 dl 4 m.1-6 |
m.7-24a |
Staatsbibliotheek
Berlijn |
| 16 |
m.24b-29 |
m.38-43a |
Bachhaus Eisenach |
| m.30-32a | m.43b-45 |
verloren |
|
| m.32b-37 |
m.46-51 |
Zwitserland
(privé) |
|
| 17 |
m.52-55 |
m.67-69 |
St.
Petersburg Saltykow-Stschedrin Bibl. |
| m.56-59a |
m.70-72 |
Parijs
Bibliothèque Nationale |
|
| m.59b-66 |
m.73-slot |
onbekend
(privé). |
|