(De Swaen, 28/29 juni 2008)
G.M.Hoffmann: Meine Seele rühmt und preist (olim BWV 189)

Deze cantate is lang beschouwd als een werk van J.S.Bach en kreeg in diens WerkeVerzeichnis het nummer 189. Sinds 1956 (Dürr, Bach Jahrbuch p.155) geldt hij als het werk van Georg Melchior Hoffmann (1679 - 1715). Deze studeerde vanaf 1702 in Leipzig waar hij eerst lid was van het door Telemann opgerichte Collegium Musicum en na diens vertrek in 1705 leider. Hij componeerde o.m. instrumentaal werk, missen, cantates en opera's voor de toen nog bestaande Leipziger opera. In 1714 was hij met J.S.Bach sollicitant voor de organistenpost te Halle waarvoor uiteindelijk beiden bedankten. Bij zijn overlijden op 36-jarige leeftijd was hij een beroemd componist.
In zijn solocantate Meine Seele ruhmt und preist wordt de tenor begeleid door blokfluit, hobo, viool en continuo. De tekst is een gedeeltelijke parafrase van de lofzang van Maria, het Magnificat, zoals opgetekend in het evangelie van Lucas (1:46-55). Deze tekst werd gelezen op het feest van Maria Visitatie (2 juli) wat dus waarschijnlijk de liturgische bestemming van de cantate is geweest. De vijf delen zijn symmetrisch geordend: drie aria's worden afgewisseld met twee secco recitatieven. De middelste aria heeft slechts continuo-begeleiding, in de twee hoekdelen musiceert de voltallige bezetting.