J. S. Bach: Singet dem Herrn ein neues Lied
(BWV 190)
|
Beluister alvast de reconstructies van
Rilling (koor 1 en rec./koor 2), Koopman en
Harnoncourt (deel 1)
|
Cantate 190 schreef Bach voor Nieuwjaarsdag 1724, de eerste keer dat
hij in Leipzig een cantate componeerde voor deze grote feestdag en
waarbij je dus mag verwachten dat hij al zijn beschikbare middelen
heeft ingezet voor een luisterrijk muziekstuk. Hij hergebruikte deze
muziek met een nieuwe tekst van zijn toenmalige librettist Picander bij
de tweehonderdste herdenking van de
Augsburger
Konfession*) op 25 juni 1730, de parodie-cantate BWV 190a
waarvan slechts de tekst resteert. Waarschijnlijk zijn bij die
gelegenheid vrijwel alle, immers ongewijzigd bruikbare, instrumentale
partijen verloren gegaan, alsmede de partituur van de eerste twee
delen. Van die twee stukken zijn slechts bewaard gebleven de twee
partijen van de tutti-violisten (
doubletten)
en de originele vocale partijen, die door de her-teksting onbruikbaar
waren geworden. Samen met de informatie over de zeer uitgebreide
orkestbezetting die blijkt uit het omslag van de partijen en het
slotkoraal (naast strijkers en continuo drie trompetten, pauken en drie
hobo's) vormen deze overgebleven partijen het uitgangspunt voor alle
reconstructies waarop integrale uitvoeringen van BWV 190 derhalve zijn
aangewezen.
Vanwege de
onvolledigheid van het overgeleverde materiaal publiceerde de
negentiende-eeuwse Bachgesellschaft
de resten van BWV 190 pas in 1891, in zijn twintigste bundel van tien
cantates, samen met andere onvolledige (192, 193, 196) of anderszins
dubieuze cantates (191). Om dezelfde reden ontbreekt BWV 190 in de
integrale opnamereeksen van Leonhardt/Harnoncourt (Teldec) en Leusink
(Kruidvat). Na aanvankelijke reconstructies door Bernhard Todt (oude
Bachausgabe, 1904) en Walther Reinhart (1948) vervaardigde Olivier
Alain (1971) op grond van nieuwere inzichten een reconstructie die door
Rilling wordt gevolgd; voormalig Thomaskantor Diethard Hellmann maakte
er één voor Breitkopf & Härtel (1972); Ton
Koopman bediende zichzelf met een reconstructie die de mogelijkheden
van oude instrumenten verdisconteert (zie zijn verantwoording)
terwijl vader Masaaki en zoon Masato Suzuki resp de delen 2 en 1
reconstrueerden voor de opname van Bach Collegium Japan (lees hier over hun reconstructie).Ook
Harnoncourt blijkt nog een reconstructie te hebben uitgevoerd
(hierboven aan te klikken via YouTube).
Het openingskoor moet een grandioos en overrompelend stuk zijn geweest,
waarbij we erop moeten rekenen dat geen van de op degelijk onderzoek
berustende reconstructies de verrassingen zal kunnen bieden die Bach
ongetwijfeld in petto had. De onbekende tekstdichter (Bach werkte in
1724 nog niet met Picander) laat het nieuwe jaar beginnen met door de
eeuwen heen door generaties componisten veelvuldig op muziek gezette
teksten uit de laatste twee psalmen: Psalm 149, vers 1 (
Singet), Psalm 150, de verzen 4 (
Lobet) en 6 (
Alles was Odem hat), teksten die
Bach ook gebruikt in zijn dubbelkorig motet BWV 225,
Singet dem Herrn ein neues Lied. De
verwerking van deze tekst in koor
(1)
wordt echter tweemaal afgewisseld met een unisono door het koor
gescandeerd
Herr Gott, dich loben wir,
resp.
wir danken dir; deze
teksten vormen de eerste regels van Luthers (1529) vertaling/bewerking
van de oude (4e eeuw) Ambrosiaanse hymne
Te Deum laudamus. Het ‘nieuwe lied'
klinkt dus op modern concertante wijze, terwijl het eerbiedwaardige
Te Deum stijlgetrouw op
oud-kerkelijke, gregoriaanse wijze onbegeleid en eenstemmig wordt
gereciteerd. Intussen maakt Bach duidelijk dat dit christelijke,
nieuw-testamentische lied het nieuwe lied is waartoe de psalmdichters
opriepen. En tenslotte heeft dit
Te-Deumcitaat
op nieuwjaarsdag ook nog een polemische pointe: in de katholieke kerk
leverde het integraal zingen of reciteren van het
Te Deum op
oudjaarsdag een volledige aflaat,
kwijtschelding van zonden op.
Door de twee
Te-Deumcitaten
krijgt het openingskoor een symmetrische, vijfdelige struktuur rond de
centrale fuga over
Alles was Odem hat,
de tekst die Bach ook in motet BWV 225 fugatisch behandelt. Na de
tweede
Te-Deumpassage keert
de instrumentale muziek waarmee dit koor begon, terug (althans in de
overgeleverde vioolpartijen) maar nu zingt het
koor daarop zijn - eveneens aan de psalmteksten ontleende -
Halleluja.
In het tweede deel
(2) van
deze feestelijke cantate heeft - bij hoge uitzondering - het koor
opnieuw een taak: het zingt vier maal een regel van Luthers
Te Deum maar nu in een vierstemmige
harmonisering, en als ware het een litanie ter bekrachtiging van de
drie korte
secco recitatieven
van achtereenvolgens bas, tenor en alt.
De ontspannen alt-aria
(3) Lobe Zion, deinen Gott is een
opgewekte lofzang in dansvorm, een polonaise, in eenheden van vier
maten, met echo-effekten en een dwingende basfiguur. Zulke muziek moet
Bach tot een jaar geleden aan het hof te Köthen veel meer
geschreven hebben.
Hoewel deze cantate in al zijn delen onmiskenbaar een nieuwjaarscantate
is, begon het kerkelijk jaar al een maand eerder, met Advent. De kerk
viert op 1 januari dan ook iets anders: het
Festum Circumcisione Christi, het
feest van de besnijdenis en naamgeving van Jezus. Daarover gaat de
evangelielezing uit Lucas 2, vers 21 en aan die naamgeving refereren de
laatste woorden van tenor-recitatief
(4),
in Jesu Namen, nadat de
continuobas in de arioso slotregels vastberaden het nieuwe jaar is
binnengeschreden.
En ook in het duet
(5) voor
bas en tenor staat Jezus' naam centraal. De in de partituur
ongespecificeerde instrumentale obligaatpartij wordt meestal aan de
hobo d'amore toegewezen en de ook hier onophoudelijk voortstappende
continuobas onderstreept het navolgingsthema van de tekst. De hobo en
de pastorale 6/8-maat herinneren aan Jezus als goede herder.
Het door strijkers begeleide (
accompagnato)
tenorrecitatief
(6) vat de
nieuwjaarswensen in een gebed samen.
Tot slotkoraal
(7) dient het
tweede couplet van Johannes Hermans lied
Jesu, nun sei gepreiset uit 1593,
een typisch nieuwjaarslied dat drie van Bachs vier nieuwjaarscantates
besluit. Terwijl violen en hobo's
colla
parte met de koorstemmen meespelen, verrijken koperblazers en
pauken de slotakkoorden met feestelijk trompetgeschal. In de laatste
maten wijst de opvallende, over bijna twee octaven dalende baslijn de
Heuchler de weg.
*) De Augsburger Konfession (
Confessio
Augustana), een door Luther en Melanchton ontworpen samenvatting
van de protestantse geloofsleer, werd op 25 juni 1530 tijdens de
rijksdag te Augsburg door een aantal Noordduitse vorsten op diens
verzoek aan Keizer Karel V voorgelegd en ter plaatse door hem
afgewezen; de tekst fungeert sindsdien als luthers belijdenisgeschrift.