|
|
|
|
|
|
J. S. BACH: Ach Gott, vom Himmel sieh darein (BWV 2) |
Beluister
deze
cantate
alvast in de uitvoering door Leusink en zijn Holland Boys Choir |
||||
| Toen de oude
Bachgesellschaft in 1851 in zijn eerste uitgave de cantate Ach Gott, vom Himmel sieh darein
als tweede publiceerde wist
men
weliswaar dat deze cantate was bestemd voor een tweede zondag na
Trinitatis, drie weken na Pinksteren dus, maar men kon nog niet weten
dat Bach deze cantate in 1724 had gecomponeerd, als tweede cantate van
zijn tweede cantate-jaargang.
Voor het begrip van de muzikale vorm van
BWV 2 is dat niet onbelangrijk want Bachs tweede cantatejaargang,
begonnen na één jaar wekelijkse cantatecomposities, zou
een heel
bijzondere worden: een jaargang zogeheten "koraalcantates" waarvan
tekst en muziek gebaseerd zouden zijn op één van de, voor
de
betreffende zondag geëigende kerkliederen. Tot 1958 meende de
Bachresearch dat dit indrukwekkende en grootste samenhangende projekt
uit Bachs oeuvre pas in diens laatste decennium en verspreid over vele
jaren door de gerijpte componist kon zijn tot stand gebracht; in feite
produceerde Bach het grotendeels in wekelijkse afleveringen gedurende
zijn tweede ambtsjaar in Leipzig. Bach zelf, overtuigd van het gewicht van zijn omvangrijke projekt, markeerde de start ervan met enkele grote gebaren, waarvan men zich kan afvragen of hun betekenis tot zijn toehoorders is doorgedrongen. Hij gebruikt de eerste vier cantates om stilistische piketpaaltjes te slaan: de koraalfantasieën waarmee ze beginnen ontwerpt hij achtereenvolgens als een plechtige Franse Ouverture (eerste zondag na Trinitatis, BWV 20), een ouderwets motet (tweede ZnT, BWV 2), een concert in Italiaanse stijl (BWV 7) voor de derde en een meer gangbare koraalfantasie voor vierde koraalcantate (BWV 135); de cantus firmus wijst hij in deze eerste vier koraalcantates achtereenvolgens toe aan de sopraan, de alt, de tenor en de bas. Bach vroeg zijn librettist - over wiens identiteit wij nog altijd moeten speculeren - van de gebruikte koralen het eerste en laatste couplet ongewijzigd te handhaven voor een openingskoor en een slotkoraal, en de 'binnencoupletten' te parafraseren tot recitatief- en ariateksten. De tekstschrijver attendeert de kerkgangers erop dat ook deze ‘vrije' teksten op de hen bekende koralen zijn gebaseerd door regelmatig enkele regels daaruit letterlijk te citeren. Het kerklied waarop BWV 2 is gebaseerd is Luthers bewerking van Psalm 12: Ach Gott, vom Himmel sieh darein ("zie uit de hemel neer"), één van de eerste protestantse kerkliederen in de landstaal die in 1524 werden gepubliceerd in het Erfurter Enchiridion: "etlichen Psalm, zu geistlichen liedern deutsch gemacht Durch Dr Martinum Luther". Een echte Lutherse klassieker derhalve, die werd gezongen op de melodie van een vóór-reformatorisch seculier liedje dat in één van de oude kerktoonsoorten staat, het hypophrygisch, een toonladder die met een halve toon begint. Dat betekent dat, terwijl het liedje met een A begint en eindigt, de gebruikte noten behoren tot de toonladder die wij, tonaal denkenden maar ook Bach, interpreteren als d-klein. Het slotakkoord van het slotkoraal klinkt daarom in onze oren als een vraagteken: de sopranen zingen een A waar wij - in het slotakkoord van een stuk in D-groot, een D verwachten. De tekst van Luthers lied en de cantate (zie de tekstenvergelijking onderaan) beklaagt de geloofsafval en vraagt om Gods hulp bij de bestrijding van dwaalleren; de strekking daarvan verschilt niet essentieel van de voorgeschreven evangelietekst voor deze zondag, Lucas 14: 16-24, de parabel van een heer die een feestmaal aanricht voor kreupelen en arme sloebers, uit woede jegens degenen die zijn aanvankelijke uitnodiging wegens drukke beslommeringen afwezen. Voor het openingskoor (1) kiest Bach - zoals gezegd - de in zijn tijd buitengewoon ouderwets aandoende vorm van een a-cappella motet. A-cappella betekent: er zijn alleen vier koorstemmen. In de a-cappella-traditie is instrumentale ondersteuning ad libitum, naar verkiezing van de uitvoerenden; Bach echter schrijft haar gedetailleerd voor: strijkers versterken de zangers (colla parte), de twee hobo's bovendien de alt die als cantus firmus de koraalmelodie zingt. En Bach versterkt het antieke karakter van het stuk met een ander archaïsme: ook vier trombones verdubbelen de zangstemmen. Het enige barokke modernisme dat hij zich permitteert is de toevoeging van een continuopartij; deze instrumentalisten zijn zodoende de enigen die hier een zelfstandige rol spelen. Een dergelijke bezetting treffen we bij Bach vaker aan wanneer hij Luther-koralen bewerkt (BWV 38/1, 80/1); hij onderstreept ermee hun van oudsher gezaghebbende status. Het motet-karakter van dit stuk impliceert dat de vier koorstemmen een tekst regel voor regel polyfoon gaan verwerken, waarbij de tekst dus Luthers ongewijzigde koraaltekst is, maar de muzikale substantie bovendien uitsluitend ontleend is aan de koraalmelodie; een 'koraalmotet‘ derhalve. Het is bovendien een cantus-firmus-motet, waarin één der stemmen (hier: de alt) de melodie in lange noten zingt. De drie overige stemmen bereiden deze koraalregels van de - door de beide hobo's gesteunde - alt telkens fugatisch voor, d.w.z. achtereenvolgens inzettend met de noten van de volgende regel als fugathema (voor-imitaties). Op twee punten introduceert Bach een minimale maar veelzeggende muziekrhetorische variant van koraalmelodie: een klaaglijke halve-toonsgang (chromatiek) op de woorden erbarmen en wir Armen. Ook het continuo draagt met veel chromatische noten bij aan kleurrijke harmonieën, maar die kleur is wel streng en zwaarmoedig. Met een opvallend hamerend motief onderstreept het continuo de tekst dein Wort, verwijzend naar Luthers centrale sola scriptura! Met zijn strakke opbouw, motivische zuinigheid, dicht verknoopt stemmenweefsel, complexe harmonische ontwikkeling en renaissancistische uitstraling is dit één van Bachs al vroeg beroemde koren geworden. De tenor roept in zijn recitatief (2) op slimheid (Witz), rede en gezond verstand af te wijzen, ze produceren dwaalleer. In de eerste en vijfde regel van zijn tekst citeert de tenor letterlijk tekst en melodie van het koraal, in korte, met Adagio aangeduide arioso-passages, waarbij hij ritmisch en in canon wordt gevolgd door het continuo; ter illustratie van falsche List eindigt de eerste regel met een afgrijselijke harmonische wending. In het tweede citaat, Der eine wählet dies, der Andre das, blijken de noten van het koraal de woorden dies en das perfekt te illustreren met een loopje omlaag, resp. omhoog. Jammer en kränket worden onderstreept met schrijnende septiemakkoorden.1) Altaria (3) is een bede om hulp bij de bestrijding van ketterijen en sectariërs, Rottengeister, Luthers benaming van de radicale scheurmakers in zijn eigen gelederen. Ondanks deze tekst vormt de aria met zijn virtuoze figuraties van de soloviool een levendig contrast met het voorafgaande. Een triosonate, waarin alle drie partijen op hun beurt het dominerende drie-notenritme (pa-pa-dam) spelen dat blijkens de tekst van de alt Tilg', o Gott uitdrukt; we horen dit ritme maar liefst 63 keer in de continuobas en 37 keer in de viool. Ook begrijpen we pas wanneer de alt het woord Rottengeistern vertolkt dat de voortdurende triolen van de viool dat begrip verbeelden, en waarom de twee andere partijen dat ‘sectarische' motief vermijden. Op de laatste regel Trotz dem... vertraagt het tempo van de alt opdat alle aandacht zich zal richten op der uns will meistern dat, nadrukkelijk op de melodie van de koraalzin gezongen, natuurlijk verwijst naar Christus.2) De bede wordt beantwoord door de bas als Vox Dei in het door strijkers begeleide (accompagnato) recitatief (4). Aanvankelijk klinkt Gods antwoord uit profetenmond, waarbij twee regels uit de koraaltekst worden geciteerd, zonder muzikale verwijzing; met name de eerste zin is rijk aan tekstschildering: Armen (smartelijk), verstört (duister), Ach (zucht), Klagen. Vervolgens spreekt God in de directe rede ("tussen aanhalingstekens") waarbij de muziek arioso wordt, met ritmische dictie en begeleiding. Bij heller Sonnenschein gaat ook muzikaal het licht aan. Zoals het zilver wordt gezuiverd in vuur, zo bewijst zich Gods woord in het kruis: aldus de ongecompliceerde en toegankelijke tenoraria (5). Twee hobo's versterken unisono de melodie van de eerste viool in het vierstemmig strijkersensemble, dat een compact en harmonisch rijk decor voor de tenor verzorgt. Tegendraadse stemvoering verwijst naar het kruis (dat uiteraard een Lutherse toevoeging aan de psalmtekst is). Het vermanend middendeel (sei geduldig), grotendeels slechts door continuo begeleid, eindigt met een nadrukkelijk Adagio op Kreuz und Not. Slotkoraal (6), op de letterlijke tekst van Luthers zesde en laatste couplet, krijgt - als voorgaande stukken - een avontuurlijke harmonisering. Met de phrygische melodie in de sopraan moet deze tonale harmonisering (in D-groot) wel ‘verkeerd' aflopen: met de kwint (A, dominant) als slotnoot, in plaats van de tonica (D). 2) Hier is het Bachs tekstdichter die matigend ingrijpt in Luthers plastisch taalgebruik wanneer hij ausrotten vervangt door tilgen. |
|||||