J. S. BACH: Bekennen will ich seinen Namen (BWV 200)

Beluister deze cantate alvast
in de uitvoering door Leusink
en zijn Holland Boys Choir
ARIA (A)
Bekennen will ich seinen Namen,
er ist der Herr, er ist der Christ,
in welchem aller Völker Samen
gesegnet und erlöset ist.
Kein Tod raubt mir die Zuversicht,
der Herr ist meines Lebens Licht.
BWV 200 bestaat uit niet meer dan één aria, vermoedelijk het restant van een omstreeks 1742 - dus heel laat - gecomponeerde cantate. Het stuk werd pas in 1924 ontdekt en in 1935 gepubliceerd. De aria is geschreven voor een alt, begeleid door twee violen en continuo. Tekstwoorden als “aller Völker Samen ” en “Meines Lebens Licht” herinneren aan de woorden die de oude Simeon spreekt (Lukas 2:31-32) wanneer hij het babytje Jezus ontmoet, bij diens eerste tempelbezoek. Die tekst behoort tot de evangelielezing voor Mariä Reinigung (Maria Lichtmis, 2 februari); voor die gelegenheid zou de verdwenen cantate dus geschreven kunnen zijn. Omdat we in de jaren na 1735 van Bach eigenlijk geen compositorische aktiviteit in het cantategenre kennen, zou het stuk ook deel geweest kunnen zijn van een - in opdracht vervaardigde - compositie voor een begrafenis- of herdenkingsdienst.
Later (Wollny, 2008) bleek dat de muziek sterk gelijkt op, en dus als een bewerking kan worden beschouwd van de tenoraria "Dein Kreuz, o Bräutgam meiner Seelen" uit het passieoratorium Die leidende und am Kreuz sterbende Liebe (1720) van Gottfried Heinrich Stölzel (1690 - 1749), een tijdgenoot van Bach waarvan hij veel werk uitvoerde maar die vooral bekend werd door de aria Bist du bei mir, door Bach gekopieerd in het Notenbüchlein voor Anna Magdalena.
Deze late cantatecompositie geeft wel een aardig inkijkje in hoe Bach zich inmiddels compositorisch heeft ontwikkeld. Een aantal kenmerken van BWV 200 zal men in oudere cantates vergeefs zoeken.
In de eerste plaats valt de merkwaardige tekstbehandeling op. Er is géén da-capostructuur (A-B-A) maar Bach verdeelt de zes regels tekst in drie regelparen. De beide eerste worden tweemaal doorgenomen maar telkens op vrijwel dezelfde muziek zodat een structuur ontstaat die we uit de meeste koralen kennen, de Bar-vorm, A-A’-B. Letten we op tekstherhalingen dan blijkt dat er nooit woorden of woordparen worden herhaald - en eventueel met speciale muzikale figuren belicht - maar steeds hele regels. Aldus: 1/2/2 - 3/4/4 - 5/6/6 - 5/6 - 5/5/6/6/6//6/6; alleen het woord Licht passeert nooit zonder enige versiering. De tekstverwerking is dus liedachtig geworden.
En dan is er een ongehoord moderne behandeling van het continuo. In maat 9 ligt er - strikt genomen - een orgelpunt, een rustende basnoot, die zich een maat lang handhaaft; hier wordt deze echter van een syncopisch ritme voorzien, een nouveauté die je eigenlijk pas bij Bachs pré-klassieke opvolgers zoudt verwachten en een modale continuospeler zal verrassen. In de maten 16 en 24/5 wordt deze figuur herhaald.
omhoog


© Eduard van Hengel