J. S. Bach: Vereinigte Zwietracht der wechselnden Saiten (Dramma per musica)


De wereldse cantate Vereinigte Zwietracht der wechselnden Saiten (BWV 207) schreef Bach in 1726 in opdracht van het studentenmuziekgezelschap Collegium Musicum waarvan hij zelf in 1729 de dirigent zou worden. Het is een huldigingsmuziek voor de jonge, 28-jarige Dr Gottlieb Kortte (1698 - 1731) die op 11 december met zijn inaugurele rede zijn bevordering tot hoogleraar Romeins Recht aan de Leipziger Universiteit aanvaardde. Het stuk zal kort na die elfde december, of misschien zelfs ´s avonds zijn uitgevoerd onder leiding van de toenmalige dirigent van het Collegium Musicum, de organist van de Neukirche, Balthasar Schott. De jonge Kortte was zeer populair bij zijn studenten; het ietwat overdadig aandoende eerbetoon dat hen - mede gezien de bezetting - veel geld moet hebben gekost, krijgt wat meer relief door een kritisch traktaat uit 1742 dat in het facultair docentencorps nogal wat hooggeleerde luiwammesen en profiteurs signaleert.
Vereinigte Zwietracht wordt, met een aantal andere wereldse cantates zoals BWV 205, 206, 213, 214 en 215, omschreven als een Dramma per Musica, de toenmalige aanduiding voor ‘opera'. De solisten vertolken er rollen van allegorische personages, in dit geval resp. Geluk (sopraan), Dankbaarheid (alt), Vlijt (tenor) en Eer (bas). Er is tussen de personages evenwel zo weinig interactie dat het resultaat meer beschouwelijk dan dramatisch blijft.
De instrumentale bezetting is luxueus: drie trompetten, pauken, drie hobo's, twee fluiten, strijkers en continuo.
Op de omslag van de partituur is een, niet tot de eigenlijke cantate behorende Marche genoteerd die mogelijk pas is toegevoegd bij de latere (1735) bewerking van BWV 207 tot Auf schmetternde Töne der muntern Trompeten (BWV 207a), maar in elk geval moet zijn gespeeld tijdens een aan de uitvoering voorafgaande optocht door de stad, wellicht om Korttes schläfrige (zie nr 8) collega´s uit hun middagslaapjes te wekken.
Struktureel omkaderen in BWV 207 twee koren drie recitatief/aria-paren, die op hun beurt symmetrisch zijn gerangschikt rond de duet-delen voor de twee uiterste stemmen, bas en sopraan, waardoor elk van de solisten een gelijk aandeel toevalt, in een grote verscheidenheid van vormen.
De eerste twee woorden en titel van de cantate Vereinigte Zwietracht, eensgezinde tweestrijd,  is een combinatie van tegendelen (oxymoron) die het muzikale ideaal (samenspel van wedijverende strijkers) verbindt met het intellectuele ideaal van concordia discors, gemeenschappelijk twistgesprek.
1. KOOR

Vereinigte Zwietracht der wechselnden Saiten,
Der rollenden Pauken durchdringender Knall!
Locket den lüsternen Hörer herbei,
Saget mit euren frohlockenden Tönen
Und doppelt vermehretem Schall
Denen mir emsig ergebenen Söhnen,
Was hier der Lohn der Tugend sei!
Tot een klaterend openingskoor (1) bewerkte Bach het derde deel van zijn Eerste Brandenburgs Concert (BWV 1046), geschreven in zijn Köthense periode (1721). Hij transponeerde het stuk van F naar D, verving de twee hoorns door drie trompetten met pauken, voegde twee traverso's toe maar schrapte de concertante violino piccolo en hing er een vierstemmige koorpartij in: niet zomaar akkoordisch maar volwaardig polyfoon uitgewerkt. Wegens het metrum van de tekst moest hij het thema van een opmaat voorzien; slechts tweemaal, bij de woorden denen mit emsig ergebenen Söhnen, is hij gedwongen twee maten door vier andere te vervangen. Het geheel klinkt alsof het nooit anders is geweest, terwijl u het Eerste Brandenburgs toch ook reeds als een voltooide compositie beschouwde. Een verbluffend meesterstukje.
2. RECITATIEF (T)

FLEISS
Wen treibt ein edler Trieb zu dem, was Ehre heißt
Und wessen lobbegierger Geist
Sehnt sich, mit dem zu prangen,
Was man durch Kunst, Verstand und Tugend kann erlangen,
Der trete meine Bahn
Beherzt mit stets verneuten Kräften an!
Was jetzt die junge Hand, der muntre Fuß erwirbt,
Macht, dass das alte Haupt in keiner Schmach und banger Not verdirbt.
Der Jugend angewandte Säfte
Erhalten denn des Alters matte Kräfte,
Und die in ihrer besten Zeit,
Wie es den Faulen scheint,
In nichts als lauter Müh und steter Arbeit schweben.
Die können nach erlangtem Ziel, an Ehren satt,
In stolzer Ruhe leben;
Denn sie erfahren in der Tat,
Dass der die Ruhe recht genießet,
Dem sie ein saurer Schweiß versüßet.

In een lang, slechts door continuo begeleid (secco) recitatief (2) prijst de tenor, Vlijt, de energieke jonge geleerde; de weinig beeldrijke taal van de onbekende librettist - zeker geen Picander - heeft Bach niet kunnen inspireren.
3. ARIA (T)

FLEISS
Zieht euren Fuß nur nicht zurücke,
Ihr, die ihr meinen Weg erwählt!
Das Glücke
Merket eure Schritte,
Die Ehre zählt die sauren Tritte,
Damit, dass nach vollbrachter Straße
Euch werd in gleichem Übermaße
Der Lohn von ihnen zugezählt.
Begeleid door strijkers vermaant Vlijt in zijn aria (3) de studenten hun leermeester te volgen op zijn kronkelige, moeizame pad (Weg, Straße), geïllustreerd door het syncopisch ritme,  de tegendraadse stappen (sauren Tritte) die daarvoor nodig zijn.
4. RECITATIEF (S, B)

EHRE
Dem nur allein
Soll meine Wohnung offen sein,
Der sich zu deinen Söhnen zählet
Und statt der Rosenbahn, die ihm die Wollust zeigt,
Sich deinen Dornenweg erwählet.
Mein Lorbeer soll hinfort nur solche Scheitel zieren,
In denen sich ein immerregend Blut,
Ein unerschrocknes Herz und unverdrossner Mut
Zu aller Arbeit lässt verspüren.

GLÜCK
Auch ich will mich mit meinen Schätzen
Bei dem, den du erwählst, stets lassen finden.
Den will ich mir zu einem angenehmen Ziel
Von meiner Liebe setzen,
Der stets vor sich genung, vor andre nie zu viel
Von denen sich durch Müh und Fleiß erworbnen Gaben
Vermeint zu haben.
Ziert denn die unermüdte Hand
Nach meiner Freundin ihr Versprechen
Ein ihrer Taten würdger Stand,
So soll sie auch die Frucht des Überflusses brechen.
So kann man die, die sich befleißen,
Des Lorbeers Würdige zu heißen,
Zugleich glückselig preisen.
Onafhankelijk van elkaar introduceren bas (Eer) en sopraan (Geluk) zichzelf in hun secco-recitatief (4): slechts een doornig pad leidt naar een Lorbeer, lauwerkrans, en zelfs geluk vergt inspanning en vlijt. Alleen het woord Wollust kan Bach niet ongemerkt laten passeren.
5. ARIA (S, B)

EHRE
Den soll mein Lorbeer schützend decken,

GLÜCK
Der soll die Frucht des Segens schmecken,

BEIDE
Der durch den Fleiß zum Sternen steigt.

EHRE
Benetzt des Schweißes Tau die Glieder,
So fällt er in die Muscheln nieder,
Wo er der Ehre Perlen zeugt.

GLÜCK
Wo die erhitzten Tropfen fließen,
Da wird ein Strom daraus entsprießen,
Der denen Segensbächen gleicht.
Maar ook in hun slechts door continuo begeleide duet (5) treden bas en sopraan minder samen op dan je zou verwachten. Niet alleen etaleren ze in het - feitelijk éénstemmige - middendeel van deze da-capo-aria beurtelings en afzonderlijk verschillende motieven voor hun gezamenlijke lofzang, ook waar ze, in het hoofddeel, elkaar imiterend, samen zingen verschillen hun teksten. Het continuo reikt de zangers aanvankelijk het thema aan maar beperkt zich vervolgens tot on-thematische begeleiding.

Dit duet loopt - verrassenderwijs - uit in een feestelijk Ritornello dat er thematisch en qua bezetting geheel los van staat. Bach arrangeerde hiervoor het laatste deel van zijn Eerste Brandenburgs Concert: de twee hoorns uit het oorspronkelijke Trio zijn ook hier vervangen door twee trompetten, de maat gaat van 2/4 naar 4/4, het bassetje (een continuo-vervangende baslijn) van de drie hobo's is gehandhaafd maar krijgt telkens in de herhaling gezelschap van met strijkers geïnstrumenteerde continuoakkoorden.
6. RECITATIEF (A)

DANKBARKEIT
Es ist kein leeres Wort, kein ohne Grund erregtes Hoffen,
Was euch der Fleiß als euren Lohn gezeigt;
Obgleich der harte Sinn der Unvergnügten schweigt,
Wenn sie nach ihrem Tun ein gleiches Glück betroffen.
Ja,
Zeiget nur in der Asträa
Durch den Fleiß geöffneten und aufgeschlossnen Tempel,
An einem so beliebt als teuren Lehrer,
Ihr, ihm so sehr getreu als wie verpflicht'ten Hörer,
Der Welt zufolge ein Exempel,
An dem der Neid
Der Ehre, Glück und Fleiß vereinten Schluss
Verwundern muss.
Es müsse diese Zeit
Nicht so vorübergehn!
Lasst durch die Glut der angezündten Kerzen
Die Flammen eurer ihm ergebnen Herzen
Den Gönnern so als wie den Neidern sehn!
Bach voorkomt met dit ongebruikelijke instrumentale intermezzo het optreden van drie achtereenvolgende continuo-delen want ook het recitatief (6) is slechts secco. Daarin is het de alt (Dankbaarheid) die de studenten (angezündeten Kerzen) maant hun geliefde leraar te volgen op diens pad, leidend naar de tempel van Astraea, godin van gerechtigheid. In de recitatieftekst blijkt alleen het woord Flammen Bachs fantasie te hebben geprikkeld.
7. ARIA (A)

DANKBARKEIT
Ätzet dieses Angedenken in den härtsten Marmor ein!
Doch die Zeit verdirbt den Stein.
Lasst vielmehr aus euren Taten
Eures Lehrers Tun erraten!
Kann man aus den Früchten lesen,
Wie die Wurzel sei gewesen,
Muss sie unvergänglich sein.
Dankbaarheids aria (7) is in wezen een kwartet voor vier gelijkwaardige stemmen: continuo, twee traverso's en de alt wiens (c.q. wier) vocale lijn hier en daar bloemrijk is versierd; het kwartet wordt echter doorschoten met hardnekkige gepunkteerde toonherhalingen van de unisono optredende strijkers: in Marmor wordt veeleer eentonig gehakt dan geëtst.
8. RECITATIEF (S, A, T, B)

FLEISS
Ihr Schläfrigen, herbei!
Erblickt an meinem mir beliebten Kortten,
Wie dass in meinen Worten
Kein eitler Wahn verborgen sei.
Sein annoch zarter Fuß fing kaum zu gehen an,
Sogleich betrat er meine Bahn,
Und, da er nun so zeitig angefangen,
Was Wunder, dass er kann sein Ziel so früh erlangen!
Wie sehr er mich geliebt, wie eifrig er in meinem Dienst gewesen,
Lässt die gelehrte Schrift auch andern Ländern lesen.
Allein, was such ich ihn zu loben?
Ist der nicht schon genung erhoben,
Den der großmächtige Monarch, der als August Gelehrte kennet,
Zu seinen Lehrer nennet.

EHRE
Ja, ja, ihr edlen Freunde, seht! wie ich mit Kortten bin verbunden.
Es hat ihm die gewogne Hand
Schon manchen Kranz gewunden.
Jetzt soll sein höhrer Stand
Ihm zu dem Lorbeer dienen,
Der unter einem mächtgen Schutz wird immerwährend grünen.

GLÜCK
So kann er sich an meinen Schätzen,
Da er durch eure Gunst sich mir in Schoß gebracht,
Wenn er in stolzer Ruhe lacht,
Nach eigner Lust ergötzen.

DANKBARKEIT
So ist, was ich gehofft, erfüllt,
Da ein so unverhofftes Glück,
Mein nie genung gepriesner Kortte,
Der Freunde Wünschen stillt.
Drum denkt ein jeder auch an seine Pflicht zurück
Und sucht dir itzt durch sein Bezeigen
Die Früchte seiner Gunst zu reichen.
Es stimmt, wer nur ein wahrer Freund will sein,
Itzt mit uns ein.
Het slotkoor wordt voorafgegaan (8) door een uit opera-finales bekende licenza: in een door strijkers en hobo's begeleid recitatief komen alle vier solisten (concertisten) nog eens langs om, trouw aan hun personage, hun bijdrage samen te vatten dan wel een gelukwens uit te spreken. Een dergelijke epiloog herinneren we ons ook uit de Matthäus-Passion en het Weihnachtsoratorium.
9. KOOR

Kortte lebe, Kortte blühe!
Den mein Lorbeer unterstützt,
Der mir selbst im Schoße sitzt,
Der durch mich stets höher steigt,
Der die Herzen zu sich neigt,
Muss in ungezählten Jahren
Stets geehrt in Segen stehn,
Und zwar wohl der Neider Scharen,
Aber nicht der Feinde sehn.
Het slotkoor (9) is een uitgelaten en  helder gestruktureerde mars of dans in tweetelsmaat; het lijkt primair instrumentaal gedacht, met daarin ingebouwde koorpassages. Twee identieke (da-capo) delen van 2 x 2 x 16 maten omlijsten een dynamisch bescheidener middendeel waarin de solisten nog hun duit in het zakje doen.
Helaas bleken de Kortte toegewenste ungezählte Jahren er slechts vijf te worden: hij overleed in 1731 op 33-jarige leeftijd.
Bij de parodiering van BWV 207 in 1735 tot huldigingscantate voor August II (BWV 207a) wist Bach deze lofrede op intellectuele integriteit moeiteloos te transformeren tot een betoon van onderdanige inschikkelijkheid.
omhoog


© Eduard van Hengel