(De Swaen, 25/12/2005)

J.S.Bach: Tönet, ihr Pauken! Erschallet, Trompeten! (BWV 214)

De wereldlijke cantate BWV 214 behoort tot een reeks van zes gelukwenscantates voor leden van het Saksische koninklijk huis die Bach in de jaren ‘33 en ‘34 uitvoerde tijdens ‘extra-ordinaire' concerten met het Collegium Musicum, een gezelschap van studenten en amateurs dat hij sinds 1729 leidde; deze concertenwerden  meestal gegeven in Gotfried Zimmermanns Kaffeehaus in de Catharinenstraße of zomers in de open lucht, in Zimmermanns Kaffeegarten aan de Grimmschen Steinweg buiten de stad. Hoewel we het bestaan van 15 zulke stukken kennen, verspreid over 15 jaar, is deze intensiteit opmerkelijk, en ook de uitgebreide bezetting (vier solisten, fluiten, hobo's, trompetten en pauken) beschouwt Bach-researcher Dürr als nogal overdreven, "alsof iemand op een beleefdheidsbezoek verschijnt met juwelen, in plaats van een bosje bloemen": al deze activiteit is verklaarbaar in het licht van Bachs sollicitatie (door het aanbieden van het Kyrie en Gloria van de Hohe Messe) naar een post aan het hof te Dresden bij de in 1733 als keurvorst van Saksen en koning van Polen aangetreden August II. Hoewel de koninklijke gefeliciteerden de muziek nooit zullen hebben gehoord, werden ze van deze Leipziger uitvoeringen op de hoogte gehouden door toezending per koerier van de tekstboekjes in luxe uitvoering, en door berichten in de pers. Bach zelf hergebruikte de meeste koren en aria's uit BWV 213, 214 en 215 eind 1734 in zijn Weihnachtsoratorium (WO), en hoogstwaarschijnlijk beoogde hij dit hergebruik reeds bij de compositie van de originelen.
BWV 214 is geschreven voor de verjaardag, op 8 december 1733, van de echtgenote van de nieuwe koning/keurvorst, koningin Maria Josepha (zie De Swaens plaatje-van-de-maand), die geliefd was als bevorderaar van de kunsten; zij wordt overigens in de opdracht noch in de tekst bij haar naam genoemd maar slechts met haar titels aangeduid. Het stuk draagt als opschrift Drama per musica, een mini-opera, wat je kunt zien als ondersteuning van Bachs ambities als operacomponist, en inderdaad treden er diverse mythologische figuren op als dramatische personages, maar hun acties beperken zich tot het monologisch voordragen van lofzangen en gelukwensen, ieder vanuit zijn of haar eigen perspectief en zonder enige dramatische interactie. Wel zien we aan het slot een uit de opera bekende licenza, een soort epiloog waarin alle personages, gelijktijdig op het podium, hun bijdrage nog eens samenvatten.
De paukensolo waarmee het feestelijke openingskoor (1) begint herkennen we terstond als dezelfde waarmee ook het Weihnachtsoratorium opent, maar in tegenstelling tot het WO wordt dat optreden hier vanuit de tekst verklaard, evenals het successieve invallen van trompetten, strijkers en zangers; de tekst-muziekrelatie is hier dus sterker dan in de parodie. Het stuk heeft een - symmetrische - da-capo structuur; de hoekdelen zijn instrumentaal, met ‘ingebouwde' koorpartijen, het middendeel is primair vocaal en polyfoon, met ‘aangehangen' begeleiding. Dat middendeel is daarom opvallend want polyfonie horen we meestal slechts in kerkmuziek en vrijwel nooit in wereldse muziek. In het tenor-recitatief (2) treedt de eerste godin naar voren, Irene, hoedster van de vrede; als enige zingt z/hij géén aria en haar recitatief heeft louter continuo-begeleiding (secco) maar die begeleiding illustreert wel fraai haar laatste zes woorden. Bellona (sopraan), godin van de oorlog, zingt evenals haar twee nog volgende collegae - en anders dan in cantates gebruikelijk - éérst een aria en pas daarna een recitatief. De tekst van de aria (3) vraagt om fluiten, en het zal niet de kwaliteit van de muziek zijn waarom Bach alleen deze aria geen plaats in het WO gunde; waarschijnlijk heeft hij haar elders, in een verloren compositie, hergebruikt. In het secco-recitatief van de krijgsgodin (4) onderstreept het continuo haar strijdlustige woorden met salvo's in de lucht; Kartausen zijn ‘kartouwen', korte kanonnen. De alt belichaamt vervolgens Pallas Athene, de godin van de muzen en de wetenschap. Haar aria Fromme Musen (5), met de hobo d'amore als soloinstrument vinden we in het WO terug als tenoraria Frohe Hirten, met een fluitsolo. Pallas' recitatief (6) heeft strijkersbegeleiding; Pierinnen zijn de door Maria Josepha begunstigde muzen, bewoners van de streek Piera in Macedonië. De aria met de trompetsolo van de bas (Fama, godin van de roem), uit het WO bekend als Grosser Herr und starker König, toont nog eens hoe naar achttiende-eeuws gevoelen een lofzang op een gekroond hoofd niet wezenlijk verschilt van de verheerlijking van Koning Jezus; de trompet gold als symbool voor zowel goddelijke als wereldse macht.
Voor het slotkoor, het latere openings- en slotkoor van WO-cantate 3, voegen de drie eerder opgetreden godinnen zich bij de bas, en ze introduceren zichzelf, in de oorspronkelijke volgorde, ieder met haar eigen karakteristieke ‘mission statement'; de linden in Irene's tekst verwijzen naar Leipzig, waarvan de naam is afgeleid van ‘lipa', de oude regionale (sorbische) naam voor de linde. Het slotkoor heeft de vorm van een oud-Franse dans, een passepied, en verloopt volgens een strak schema in eenheden van zestien maten: 1. instrumentale inleiding, 2. polyfone entree van de drie hoogste stemmen met individuele teksten, 3. gezamenlijke homofone recitatie van de slottekst, ingebouwd in de muziek van de instrumentale opening. En dat dan twee keer.
De context, waardoor de bas geen introductie behoeft omdat hij al aan het woord was, verklaart hier wat in het Weihnachtsoratorium onduidelijk blijft, te weten waarom slechts drie stemmen aan de polyfone gedeelten meedoen.
Dat dit slotkoor wordt gezongen door de vier met hun namen aangeduide personages die eerder solistisch optraden, onderstreept nog eens de opvatting dat Bachs koor normaliter slechts uit vier ‘concertisten' bestond.
omhoog