|
|
|
|
|
|
J. S. Bach: Motet Komm, Jesu, komm (BWV 229) |
|||||
| Bachs motet Komm, Jesu, komm
is, zoals de meeste van zijn motetten voor twee vierstemmige koren en
ongetwijfeld bestemd voor een begrafenis of herdenkingsdienst. Het
stamt uit zijn eerste tien jaren in Leipzig (1723-1732). Terwijl echter
normaliter aan motetten bijbelse (proza-)teksten ten grondslag liggen,
is dit motet gebaseerd op twee (van in totaal elf) coupletten van een
liedtekst: metrische en rijmende poëzie, geschikt voor een aria of
één van de vele eenstemmige geestelijke liederen die Bach
componeerde. Dit is zó merkwaardig dat er een speciale reden
voor moet zijn geweest. De tekst werd in 1684 door Paul Thymich
(1656-94, docent aan de Thomasschule te Leipzig) gedicht ter
gelegenheid van het overlijden van de toenmalige rector van de
Thomasschule, ten behoeve van een compositie van Thomascantor
Schelle.Wellicht was het overlijden van Schelle's weduwe (26 maart
1730) de aanleiding voor Bachs compositie. Bach gebruikt de tekst zoals deze voorkomt in het 'Wagnersche Gesangbuch' uit 1697, een niet-kerkelijke bundel geestelijke liederen; de tekst komt dus niet uit het Leipziger liedboek waaraan Bach zoveel koralen ontleende en er is ook geen bijbehorende, zelfs geen (metrisch) passende melodie bekend, die Bach zeker zou hebben gebruikt terwille van de herkenning door zijn luisteraars. Wel vertoont de tekst de, van vele koralen bekende A-A-B-structuur: een 'Aufgesang' van tweemaal twee rijmende regels ('Stollen', waarvan de melodie wordt herhaald) en een 'Abgesang' van twee iets langere regels, de zogenaamde 'Bar-vorm'. Bach maakt van de twee coupletten twee geheel verschillende stukken: terwijl hij het tweede verwerkt als een soort slotkoraal (maar: zie onder), onderwerpt hij het eerste aan het oude, hollands-renaissancistische motet-procédé: een afzonderlijk muziekje voor elk zinsdeel. Het eerste deel van Komm, Jesu, komm bestaat daardoor oppervlakkig gezien uit zes afzonderlijke passages die achtereenvolgens de zes regels van de tekst muzikaal verbeelden. Op het tweede gezicht echter blijkt Bach daarin toch weer een overkoepelende structuur aan te brengen die herinnert aan de A-A-B-vorm. Regel 3 is wel niet identiek met regel 1 maar verwijst daar wel naar, zoals ook regel 4 doet naar regel 2. En tussen A-A en B (regel 4>5) verandert de maatsoort |
|||||
COUPLET IKomm, Jesu, komm, mein Leib ist müde, |
Kom, Jezus, kom, mijn lichaam is moe |
||||
| Na enkele
uitnodigende en verwachtingsvolle
akkoorden ontspint zich een bekend type dialoog tussen de twee koren,
waarin Koor I het initiatief neemt, Koor II volgt en men gezamenlijk
afsluit. Op müde: een
dalend motief en een slepend ritme. |
|||||
| Die Kraft verschwindt je mehr und mehr, | Mijn krachten nemen steeds verder af, | ||||
| De bassen - symbool
van kracht! - nemen het
initiatief met een stevig kwart-noten motief. Na tweemaal twee inzetten
weet koor II de tekst nog slechts met lange pauzes te stamelen:
wijkende krachten. Het rustige halve-noten ritme keert terug. |
|||||
| Ich sehne mich nach deinem Friede; | Ik verlang naar uw vrede; | ||||
| In de van koralen
bekende 'Bar-vorm' zou hier de
melodie van de eerste zin terugkeren. Bach zinspeelt daarop: de
blokvormige dialoog keert terug, maar nu met het initiatief in Koor II,
en het sehne-motiefje van de
sopranen klonk al in de eerste maten van de begeleidende alten en
tenoren. De rustige lange noten op het rijmwoord Friede zijn het antwoord op müde. |
|||||
| Der saure Weg wird mir zu schwer! | De moeizame weg wordt mij te zwaar! | ||||
| Het sauer
(= moeizaam) vergt een schrille, onwelluidende sprong (een verminderde
septiem), een hele klus voor zangers, die in de literatuur dan ook
bekend staat als een saltus
duriusculus, een moeizame sprong. De Weg wordt verbeeld met een canon,
in een lineaire reeks van bas - tenor - alt - sopraan, en van koor II
naar koor I. Als alle acht stemmen de zure sprong hebben gemaakt
hernemen de bassen de tekst, maar nu op de muziek van der Kraft verschwindt! En, met de
rollen omgekeerd, herhaalt zich ongeveer de muziek waarmee regel 2
eindigde. |
|||||
| Komm, ich will mich dir ergeben; | Kom, ik wil mij aan u overgeven; | ||||
| Wending in de tekst
-> wending in de
muziek. Ten teken dat de vier regels 'Aufgesang' zijn geëindigd
verandert de maat van 3/2 in 4/4: moeite en treurnis maken plaats voor
Godsvertrouwen, het Komm, komm
klinkt een stuk opgewekter: een geestdriftig fugato (= over elkaar
heengeschoven thema's) in koor I, begeleid door akkoorden in koor II,
en vervolgens omgekeerd en dan in elkaar gevlochten. |
|||||
| Du bist der rechte Weg, die Wahrheit und das Leben. | Gij zijt de Weg, de Waarheid en het Leven. | ||||
| De slotzin van het
eerste couplet is identiek aan
die van het laatste, een citaat uit het Johannes-evangelie (Joh.14:6).
Hij is de moraal van de tekst en ook de langst uitgesponnen passage van
deel I. Nu verandert de maatsoort in 6/8. Dit gedeelte is eigenlijk een
lied voor sopraan met vocale begeleiding en praktisch slechts
vierstemmig voor twee elkaar afwisselende koren en geringe variaties in
de muziek. Zij verenigen zich tenslotte in volledige achtstemmigheid. |
|||||
| COUPLET II
('Aria') Drum schließ ich mich in deine Hände Und sage, Welt, zu guter Nacht! Eilt gleich mein Lebenslauf zu Ende, Ist doch der Geist wohl angebracht. Er soll bei seinem Schöpfer schweben, Weil Jesus ist und bleibt der wahre Weg zum Leben. |
Daarom berg ik mij in uw handen en zeg de wereld welterusten! Ook al loopt mijn leven ten einde, de Geest blijft. Die zal bij zijn schepper zweven, omdat Jezus de ware weg naar het leven is en blijft. |
||||
| Dit slot klinkt als een koraal maar is dat niet. Niet alleen staat de tekst niet in een kerkelijk gezangboek, de melodie is als kerklied ongeschikt met zijn grote en moeilijke sprongen en lange melisma's. En ook herhaalt Bach de muziek van de regels 1 en 2 niet in regel 3 en 4, zoals in koralen gebruikelijk, al zinspeelt hij hierop. 'Aria' staat erboven, en dat verwijst naar het type eenstemmige geestelijke liederen met begeleiding waarvan Bach er tientallen schreef (Bist du bei mir, etc.). Aan het eind maakt de homofone opzet (melodie + begeleidende akkoorden) plaats voor een wat polyfoner weefsel van onafhankelijke stemmen. | |||||
![]() |
©
Eduard van Hengel (Brabants Kamerkoor, 27/3/2004) |
||||