J. S. Bach: Motet Lobet den Herrn (BWV 230)

Opnames van dit motet zijn hier te vinden.
Als Thomascantor was Bach verantwoordelijk voor de muzikale hoofdschotel van de Lutherse liturgie, de cantates die hij lange tijd wekelijks componeerde. Motetten, d.w.z. stukken voor koor a cappella op niet-liturgische religieuze teksten, waren bijzaak; zij werden slechts als introïtus tot de wekelijkse eredienst gezongen, onder verantwoordelijkheid van een assistent waarbij men putte uit bestaande bundels en de eigen collectie. Motetten componeerde Bach slechts voor enkele speciale gelegenheden; we kennen er thans zeven, waarvan drie voor begrafenissen van plaatselijke vooraanstaanden. Maar in tegenstelling tot zijn overige composities werden juist Bachs motetten na zijn dood in achttiende eeuw nog voortdurend uitgevoerd. Pas in 1821 dook het motet Lobet den Herrn op, in een gedrukte versie die twijfel oproept aan Bachs auteurschap. Lobet den Herrn wijkt ook nogal af van de andere motetten: het is slechts vierstemmig terwijl de andere motetten vijfstemmig of dubbelkorig zijn; het bestaat slechts uit één deel en duurt net zes minuten; het heeft een afzonderlijke continuo-partij die niet samenvalt met de vocale baspartij en is niet opgetrokken rond een koraalmelodie maar behandelt een psalmtekst, de zeer korte Psalm 117.*)
Alleluja. Laudate Dominum, omnes gentes;
laudate eum, omnes populi.
Quoniam confirmata est
super nos misericordia ejus,
 et veritas Domini manet in aeternum.
Lobet den Herrn, alle Heiden,
und preiset ihn, alle Völker!
Denn seine Gnade und Wahrheit
waltet uber uns in Ewigkeit.
Alleluja.
Looft den Heer, alle heidenen,
en prijst hem, alle volkeren!
Want zijn genade en waarheid
heerst over ons in eeuwigheid.
Halleluja.
Omdat motetten behoren tot de, in Bachs tijd al ouderwetse, pré-barokke polyfone stijl treft men er altijd wel imitatieve vormen aan: stemmen die achtereenvolgens zelfde motiefjes verwerken. BWV 230 bevat echter allerlei compositorische hoogstandjes in het veel strengere genre van de fuga, die het moeilijk voorstelbaar maken dat hij door iemand anders als Bach is gecomponeerd.
Bach geeft elke tekstregel een fugathema mee maar - om te voorkomen dat het motet in vijf van elkaar losstaande deeltjes uiteenvalt - verdeelt hij de tekst in drieën door de eerste vier regels te verwerken tot twee dubbelfuga's: fuga's met twee thema's. Maar daarbij kunnen we nog weer onderscheiden in (A, regels 1 & 2) een "synthetische dubbelfuga" die beide thema's eerst afzonderlijk in een vierstemmige koorfuga verwerkt alvorens ze met elkaar te combineren, en (B, regels 3 & 4) een "simultaanfuga" (of: parallelfuga) waarin de twee verschillende thema's direct samen van start gaan: alle stemmen zingen achtereenvolgens elk der beide thema's.
De twee dubbelfuga's (A en B) worden duidelijk van elkaar gescheiden door een homofoon, niet fugatisch maar akkoordisch gedeelte op de woorden Denn seine Gnade...; let hier op de prachtige zettingen van Wahrheit in de maten 60 en 66.
De eerste twee koorfuga's (A, Lobet en preiset) en de laatste (C, Alleluja) hebben een zelfde opbouw:
- een 'expositie' waarin alle stemmen achtereenvolgens het thema introduceren
- een intermezzo waarin losjes wordt gespeeld met thema-brokstukken
- en een uitwerking (soms niet door alle stemmen, 'beperkt') waarin opnieuw het thema de hoofdrol speelt.
De vijf verschillende fugathema's hebben tekstillustrerende kwaliteiten:
I   een trompetachtige, stijgend gebroken drieklank, jubel en vreugde; het ligt, nogal ongebruikelijk bij Bach, heel wijd, een octaaf plus een kwint omspannend.
II  een vrolijk melisma op preiset, gevolgd door een boogvormig motief dat meestal het geheel, alles, de totaliteit, wereldomspannend etc illustreert en hier dus alle Völker
III een heel lange noot voor Ewigkeit
IV een markante octaafsprong op Gnade
V  de 4/4-maat gaat over in een dansante 3/8-maat met een zwierig thema; de expositie verloopt paarsgewijs canonisch.
Het schema brengt de struktuur in beeld.
schema

*) Ook een aantal technische details in het motet roept twijfel op aan Bachs auteurschap.
1. Met de eerste twee thema's wordt een dubbelfuga gevormd waarin deze thema's maar gebrekkig met elkaar worden2 thema's gecombineerd en eigenlijk nergens in hun geheel tegenover elkaar staan. Dat zou ook niet kunnen want - zoals het muziekvoorbeeld laat zien - lopen ze op een bepaald punt exact parallel: daar zou de tweestemmigheid verdwijnen.
Wie een dubbelfuga wil schrijven bekijkt dat toch tevoren?
2. De tekstplaatsing is op enkele plaatsen niet zoals we van Bach gewend zijn.Kijk bijv. naar de bas in maat 47: daar begint het thema op de tweede kwart maar de tekst Lobet pas op de derde, omdat het voorafgaande woord Völker nog moet worden voltooid. 2x Gnade
3. Kijk ook naar de merkwaardige octaafsprong in het Gnade-thema: Gna-ha-ha-de.  Zou je van Bach niet eerder de in het muziekvoorbeeld gesuggereerde tweede oplossing verwachten?

4. En dan zijn er nog de uitvoerige en herhaalde terts- en sextparallellen op het onbelangrijke woord walten in deel 2.

Ter oplossing van alle ongerijmdheden wordt nu gedacht dat BWV 230 weliswaar ooit door Bach is gecomponeerd maar aanvankelijk op de Latijnse tekst van Psalm 117; dat zou ook verklaren waarom er een verwijzing naar het stuk bestaat als zetting van "Psalm 116", de katholieke telling! Bij de overgang naar Luthers kortere versie van Psalm 117 (door iemand anders) zou de ongeschikte tekstplaatsing zijn ontstaan; Bach zou in zo'n geval de muziek hebben aangepast. De vele noten op walten zouden dan oorspronkelijk de teksten misericordia (barmhartigheid) en benignitas (goedertierenheid) hebben gedragen, een adequate tekstverbeelding!
met dank aan Klaus Hofmann
Die Motetten JSBs
Bärenreiter, 2003


omhoog