Als Thomascantor was Bach verantwoordelijk voor de muzikale
hoofdschotel van de Lutherse liturgie, de cantates die hij lange tijd
wekelijks componeerde. Motetten, d.w.z. stukken voor koor
a cappella op niet-liturgische
religieuze teksten, waren bijzaak; zij werden slechts als
introïtus tot de wekelijkse eredienst gezongen, onder
verantwoordelijkheid van een assistent waarbij men putte uit bestaande
bundels en de eigen collectie. Motetten componeerde Bach slechts voor
enkele speciale gelegenheden; we kennen er thans zeven, waarvan drie
voor begrafenissen van plaatselijke vooraanstaanden. Maar in
tegenstelling tot zijn overige composities werden juist Bachs motetten
na zijn dood in achttiende eeuw nog voortdurend uitgevoerd. Pas in 1821
dook het motet
Lobet den Herrn
op, in een gedrukte versie die twijfel oproept aan Bachs auteurschap.
Lobet den Herrn wijkt ook nogal af
van de andere motetten: het is slechts vierstemmig terwijl de andere
motetten vijfstemmig of dubbelkorig zijn; het bestaat slechts uit
één deel en duurt net zes minuten; het heeft een
afzonderlijke continuo-partij die
niet samenvalt met de vocale baspartij en is niet opgetrokken rond een
koraalmelodie maar behandelt een psalmtekst, de zeer korte Psalm 117.
*)
Lobet
den Herrn, alle Heiden,
und preiset ihn, alle Völker!
Denn seine Gnade und Wahrheit
waltet uber uns in Ewigkeit.
Alleluja. |
Looft den Heer, alle heidenen,
en prijst hem, alle volkeren!
Want zijn genade en waarheid
heerst over ons in eeuwigheid.
Halleluja.
|
Omdat motetten behoren tot de, in Bachs
tijd al ouderwetse, pré-barokke polyfone stijl treft men er
altijd wel imitatieve vormen aan: stemmen die achtereenvolgens zelfde
motiefjes verwerken. BWV 230 bevat echter allerlei compositorische
hoogstandjes in het veel strengere genre van de fuga, die het moeilijk
voorstelbaar maken dat hij door iemand anders als Bach is gecomponeerd.
Bach geeft elke tekstregel een fugathema mee maar - om te voorkomen dat
het motet in vijf van elkaar losstaande deeltjes uiteenvalt - verdeelt
hij de tekst in drieën door de eerste vier regels te verwerken tot
twee dubbelfuga's: fuga's met twee thema's. Maar daarbij kunnen we nog
weer onderscheiden in (A,
regels 1 & 2) een "synthetische dubbelfuga" die beide thema's eerst
afzonderlijk in een vierstemmige koorfuga verwerkt alvorens ze met
elkaar te combineren,
en (B, regels 3 & 4) een
"simultaanfuga" (of: parallelfuga) waarin de twee verschillende thema's
direct samen van
start gaan: alle stemmen zingen achtereenvolgens elk der beide thema's.
De twee dubbelfuga's (A en B) worden duidelijk van elkaar
gescheiden door een homofoon, niet fugatisch maar akkoordisch gedeelte
op de woorden Denn seine Gnade...;
let hier op de prachtige zettingen van Wahrheit in de maten 60 en 66.
De eerste twee koorfuga's (A, Lobet en preiset) en de laatste (C, Alleluja)
hebben een zelfde opbouw:
- een 'expositie' waarin alle stemmen achtereenvolgens het thema
introduceren
- een intermezzo waarin losjes wordt gespeeld met thema-brokstukken
- en een uitwerking (soms niet door alle stemmen, 'beperkt') waarin
opnieuw het thema de hoofdrol speelt.
De vijf verschillende fugathema's hebben tekstillustrerende kwaliteiten:
I
een trompetachtige, stijgend gebroken drieklank, jubel en vreugde; het
ligt, nogal ongebruikelijk bij Bach, heel wijd, een octaaf plus een
kwint omspannend.
II
een vrolijk melisma op
preiset,
gevolgd door een boogvormig motief dat meestal het geheel, alles, de
totaliteit, wereldomspannend etc illustreert en hier dus
alle Völker
III
een heel lange noot voor
Ewigkeit
IV
een markante octaafsprong op
Gnade
V
de 4/4-maat gaat over in een dansante 3/8-maat met een zwierig thema;
de expositie verloopt paarsgewijs canonisch.
Het schema brengt de struktuur in beeld.
*) Ook een aantal
technische details in het motet roept twijfel op aan Bachs auteurschap.
1. Met de eerste twee thema's wordt een dubbelfuga gevormd waarin deze
thema's maar gebrekkig met elkaar worden gecombineerd en eigenlijk
nergens in hun geheel tegenover elkaar staan. Dat zou ook niet kunnen
want - zoals het muziekvoorbeeld laat zien - lopen ze op een bepaald
punt exact

parallel: daar zou de tweestemmigheid verdwijnen.
Wie een dubbelfuga wil schrijven bekijkt dat toch tevoren?
2. De tekstplaatsing is op enkele plaatsen niet zoals we van Bach
gewend zijn.Kijk bijv. naar de bas in maat 47: daar begint het thema op
de tweede kwart maar de tekst
Lobet
pas op de derde, omdat het voorafgaande woord
Völker nog moet worden
voltooid.
3. Kijk ook naar de merkwaardige octaafsprong in het
Gnade-thema: Gna-ha-ha-de.

Zou je
van Bach niet eerder de in het muziekvoorbeeld gesuggereerde tweede
oplossing verwachten?
4. En dan zijn er nog de uitvoerige en herhaalde terts- en
sextparallellen op het onbelangrijke woord
walten in deel 2.
Ter oplossing van alle ongerijmdheden wordt nu gedacht dat BWV 230
weliswaar ooit door Bach is gecomponeerd maar aanvankelijk op de
Latijnse tekst van Psalm
117; dat zou ook verklaren waarom er een verwijzing naar het stuk
bestaat als zetting van "Psalm
116", de katholieke
telling! Bij de overgang naar Luthers kortere versie van Psalm 117
(door iemand anders) zou de ongeschikte tekstplaatsing zijn ontstaan;
Bach zou in zo'n geval de muziek hebben aangepast. De vele noten op
walten zouden dan oorspronkelijk de
teksten
misericordia
(barmhartigheid) en
benignitas
(goedertierenheid) hebben gedragen, een adequate tekstverbeelding!
met
dank aan Klaus Hofmann
Die Motetten JSBs
Bärenreiter, 2003