J. S. BACH: Missa in F (BWV 233)

Beluister opnames van AllOfBach/Rademann, HerrewegheKoopman of CantusKölln.

MISSEN

(Deze inleiding geldt voor alle vier 'korte missen'.)

In de jaren 1738/39 schrijft Bach een viertal composities op de Grieks c.q. Latijnse teksten van KYRIE en GLORIA. Ze worden wel aangeduid als 'Lutherse missen' maar er is niets specifieks Luthers aan; ze zijn even bruikbaar in de katholieke eredienst. Ook worden ze wel 'korte missen' of 'missa brevis' genoemd, maar ook dat is misleidend: Missae breves zijn korte, compacte versies van de complete mistekst, dus inclusief CREDO, SANCTUS etc. Bach zelf noemt zijn composities Missa, de destijds gangbare benaming voor een KYRIE+GLORIA-zetting, ter onderscheiding van een Missa tota die alle misdelen omvat.

Het is nog altijd niet duidelijk wat Bach heeft bewogen deze ‘missen' te componeren of liever: te assembleren, want de muziek ontleende hij aan cantates. Met zijn regelmatige cantateproduktie was hij al twaalf jaar geleden gestopt, in het begin van de jaren dertig voltooide hij de reeks oratoria voor grote feesten en sleep nog wat aan zijn passionen maar zijn compositorische interesse voor kerkmuziek leek wel verdwenen.
- Waren ze bedoeld voor het katholieke hof in Dresden? Het is onwaarschijnlijk want toen Bach in 1733 het KYRIE en GLORIA van zijn latere HOHE MESSE aan de nieuwe koning/keurvorst te Dresden aanbood (vlassend op de titel Hofcompositeur), bleek hij tot in detail op de hoogte van de Dresdense kerkmuzikale regels, waaraan dit latere viertal niet beantwoordt.
- Was het een opdracht voor een ander katholiek hof, bijvoorbeeld dat van de Boheemse Graaf Sporck waarmee Bach bewezen hartelijke kontakten onderhield? Zou kunnen: ook van zijn Dresden-mis offreerde hij slechts de partijen maar behield zelf de partituur. Maar er is geen spoor van bewijs en graaf Sporck overleed op 30 maart 1738.
- Maar waarom eigenlijk niet voor eigen gebruik in Leipzig? Niet voor de hand liggend want de enige partij die wijst op een Leipziger uitvoering dateert pas van tien jaar later. Maar het zou kunnen.
Immers, Luther hervormde aanvankelijk slechts de orde van de mis onder handhaving van het Latijn (Formula Missae, 1523) en bepleitte pas in tweede instantie (Deutsche Messe, 1526) eredienst in volkstaal, waartoe hij de bijbel in het duits vertaalde, liederen componeerde die de gemeente kon meezingen (koralen) en de misstructuur (die hij handhaafde) van duitse equivalenten voorzag: zie hieronder.
KYRIE Kyrie, Gott Vater in Ewigkeit
GLORIA Allein Gott in der Höh sei Ehr
CREDO Wir glauben all an einen Gott
SANCTUS Jesaja, dem Propheten das geschah
AGNUS DEI Christe du Lamm Gottes
Maar Luther verwijderde het Latijn dus niet volstrekt uit de Hauptgottesdienst; afhankelijk van tijd, plaats en regio klonk er nog veel Latijn, vooral in conservatiever streken zoals Leipzig. Met name delen van het ordinarium (de dagelijks terugkerende elementen) werden nog vaak door de celebrant in het Latijn gezongen, of op hoogtijdagen zelfs concertant uitgevoerd, terwijl de onderdelen van het proprium (de dagelijks wisselende elementen zoals schriftlezing, preek, cantate) bij voorkeur in de volkstaal verliepen.
Terwijl de duitstalige cantate het belangrijkste muziekstuk was geworden zullen er dus onder Bachs leiding c.q. eindverantwoordelijkheid op feestdagen veel Latijnse missen zijn gezongen die ook gewoon van katholieke componisten konden stammen. Tot 1738 beperkte Bachs compositorische bijdrage aan de Latijnse kerkmuziek zich tot enkele Sanctus-zettingen en het Magnificat. Wat kan hem hebben bewogen ineens een aantal KYRIE/GLORIA-zettingen te schrijven, op basis van cantatecomposities? Twee motieven worden vaak genoemd:
1. Bach realiseerde zich dat zijn cantateteksten allengs door de theologische ontwikkelingen van zijn tijd achterhaald werden en zijn composities dus slechts in andere vorm zouden kunnen overleven;
2. Cantates konden, als onderdeel van het dagelijks wisselende proprium, het tijdeigen misgedeelte, maximaal maar éénmaal per jaar worden uitgevoerd; de Latijnse miscomposities daarentegen hadden niet alleen een potentieel hogere uitvoeringsfrekwentie maar ook een universeler, van tijd en theologische modes onafhankelijke tekst.
Dat Bachs vier KYRIE/GLORIA-missen voor Leipziger gebruik bestemd waren wordt echter weer onwaarschijnlijker als we ons realiseren dat Bach de benodigde 24 stukken muziek (per mis 3 aria's en drie koren) betrok uit een beperkt aantal cantates, en waarschijnlijk niet de slechtste, die derhalve nog regelmatig als cantate zullen hebben geklonken.

PARODIEËN

Bach baseerde zijn missen dus op bestaande composities die hij van een nieuwe tekst voorzag; het zijn derhalve allemaal (op één na) zogeheten parodieën. Dat heeft de status van de vier missen vooral in de tweede helft van de negentiende eeuw, die zo hechtte aan originaliteit en de integriteit van een kunstwerk, geen goed gedaan: "prachtvoll entfaltete Blumen von ihren Stengeln geschnitten und zum verwelklichen Strauss gebunden" (Spitta), "Barbarische Parodien" (Schweitzer). Daar denken wij nu wat anders over. In de karikatuur van het parodiëren geeft een gemakzuchtige componist zijn tekstdichter opdracht een nieuwe tekst te vervaardigen die metrisch, qua affekt en qua versstructuur identiek is aan een oude, en laat vervolgens één van zijn studenten/kopiïsten in alle partijen de nieuwe tekst onder de bestaande muziek schrijven. Klaar is Kees. Zulke goedkope (‘dichterlijke') parodieën kennen we van Bach nauwelijks; hij besteedde altijd de uiterste zorg aan de nieuwe tekstplaatsing en de relatie met de bijbehorende muziek, en al helemaal in het geval dat - zoals hier - de nieuwe tekst een bestaande, niet-metrische Latijnse prozatekst is. Men is het er wel over eens dat Bach sneller klaar was geweest wanneer hij nieuwe stukken had gecomponeerd; er was hem blijkbaar veel aan gelegen zijn oude composities een nieuw leven te geven. Wie Bachs missen afkeurt omdat ze louter parodieën bevatten, moet ook zijn Weihnachtsoratorium en HOHE MESSE afwijzen.
Zoals onderstaand overzicht laat zien bestaan alle vier de missen uit zes delen: drie koren voor het KYRIE en de hoekdelen van het GLORIA, en drie achtereenvolgende aria's voor de overige GLORIA gedeelten, waarbij de verdeling van de tekst over deze drie stukken enigszins varieert, zie de 'mistekst'. Van vier van de 24 stukken weten we de herkomst niet; waarschijnlijk uit een verloren gegane cantate. Eén deel, het openingskoor van BWV 233 (F-groot) heeft Bach oorspronkelijk in Weimar, tussen 1708 en 1714 op de Kyrie-tekst gecomponeerd; van de overige 19 stukken ontleent Bach er 13 aan slechts vier cantates, die hij daarmee volledig heeft geplunderd: uiteraard komen uit cantates slechts koren en aria's, geen recitatieven en koralen in aanmerking voor parodiëring in missen. Dat Bach ten behoeve van zijn vier missen vier cantates integraal kannibaliseert pleit voor de gemeenschappelijke conceptie van de groep missen. Vooral ten behoeve van nog ontbrekende koorgedeelten doet Bach een beroep op diverse andere cantates

BWVnr / toonsoort
        233 in F   bron
        234 in A   bron         235 in g   bron         236 in G   bron

Deel 1.           koor
Kyrie
233a
Kyrie ?
Kyrie 102/1
Kyrie 179/1
G
L
O
R
I
A

Deel 2.           koor Gloria
?
Gloria 67/6
Gloria 72/1
Gloria 79/1
Deel 3.           aria Domine Deus
?
Domine Deus
?
Gratias
187/4
Gratias
138/5
Deel 4.           aria Qui tollis
102/3
Qui tollis 179/5
Domine Fili
187/3
Domine Deus
79/5
Deel 5.           aria
Quoniam
102/5
Quoniam 79/2
Qui tollis 187/5
Quoniam 179/3
Deel 6.           koor cum Sancto Sp.
40/1
cum Sancto Sp. 136/1
cum Sancto Sp. 187/1
cum Sancto Sp. 17/1

instrumentatie
2 hobo's + 2 hrns

2 traverso's

2 hobo's

2 hobo's



233
234
235
236
m   i   s   t   e   k   s   t     

 Kyrie eleison,
 Christe eleison,
 Kyrie eleison.

 Gloria in excelsis Deo,
 et in terra pax hominibus bonae voluntatis.
 Laudamus te, benedicimus te,
 adoramus te, glorificamus te.
 Gratias agimus tibi
 propter magnam gloriam tuam.

 Domine Deus, Rex coelestis,
 Deus Pater omnipotens,
 Domine Fili unigenite Jesu Christe,
 Domine Deus, Agnus Dei, Filius Patris.

 Qui tollis peccata mundi,
 miserere nobis,
 suscipe deprecationem nostram.
 Qui sedes ad dexteram patris,
 miserere nobis.

 Quoniam tu solus sanctus,
 tu solus Dominus,
 tu solus altissimus, Jesu Christe.

 Cum Sancto Spiritu
 in gloria Dei Patris, Amen.
Heer ontferm U.
Christus ontferm U.
Heer ontferm U.

Eer aan God in den hoge,
en vrede op aarde voor mensen van goede wil.
Wij loven U. Wij prijzen U.
Wij aanbidden U. Wij verheerlijken U.
Wij zeggen U dank
voor Uw grote heerlijkheid

Heer God, Koning der hemelen,
God, almachtige Vader.
Heer, eniggeboren zoon, Jezus Christus
Heer God, Lam Gods, Zoon van de Vader.

Gij, die de zonden der wereld draagt,
ontferm U over ons,
aanvaard onze smeekbede.
Gij, die zit aan de rechterhand van de Vader,
ontferm U over ons.

Want Gij alleen zijt heilig,
Gij alleen zijt de Heer,
Gij alleen zijt de hoogste, Jezus Christus.

Met de Heilige Geest,
tot eer van God de Vader. Amen.

De MIS in F (BWV 233)

Bachs KYRIE/GLORIA-mis in F is de rijkst geïnstrumenteerde van de vier: behalve de gebruikelijke strijkers en continuo spelen er twee hobo's en twee hoorns (corno).
De tekst van het openingskoor (1), KYRIE, omvat drie regels, de traditionele aanroepingen van achtereenvolgens God de Vader, de Zoon (Christe) en de Heilige Geest, die altijd als afzonderlijke maar elkaar direct opvolgende delen worden gecomponeerd. Het is het enige deel uit de vier missen dat Bach oorspronkelijk op deze tekst componeerde, waarschijnlijk in zijn vroege jaren in Weimar (1708 - 1714) en dat hij daarom slechts oppervlakkig hoefde te bewerken. Het is een stuk in de oude motetstijl, stile antico, dus a-cappella: er bestaan slechts vocale partijen die - naar keuze - door instrumenten worden meegespeeld. En de vocale partijen zijn gelijkwaardig: ze verwerken polyfoon, elkaar imiterend (canon, fuga etc) dezelfde thematiek. Maar Bach speelt met de strenge regels van het genre:
- hij voegt een obligate, niet met een vocale stem samenvallende instrumentale partij toe voor de twee hobo's en hoorns unisono. In elk van de drie delen spelen zij als een cantus-firmus in lange noten, boven het contrapuntische stemmenweefsel op de Griekse tekst, één regel van de melodie van het (Duitse) Christe, du Lamm Gottes, Luthers verduitsing van het - eveneens drieregelige - Agnus Dei; niet alleen in zijn drieregelige structuur maar ook in zijn betekenis gelijkt dit koraal op het Kyrie: Agnus Dei = Lam Gods = Christus, miserere nobis = erbarm u = eleison. In het originele Weimarer koraalmotet werden deze regels door een extra sopraanstem gezongen; Bachs Leipziger toehoorders zullen bij het tekstloze, instrumentale citaat automatisch de woorden hebben meegedacht. (Deze verbinding van de mistekst met een protestants koraal maakt de mis in een katholieke omgeving tamelijk onbruikbaar!)
- en vervolgens schrijft Bach wel een onafhankelijke, sterk ritmische continuopartij, een barokke verworvenheid die in de pré-barokke stile antico onbekend was. De rustig vloeiende lange lijnen van de antieke allabreve-maat (2/4 of allabreve-teken) worden daardoor verlevendigd.
- en hij zondert de basstem thematisch af van de drie overige vocale partijen. De bas zingt dezelfde driemaal twee tekstwoorden
als de andere drie stemmen, maar dan slechts éénmaal en in lange noten, als een cantus firmus op de oorspronkelijke gregoriaansebas Litaney melodie uit Luthers Deutsche Litaney (muziekvoorbeeld 1); de bas wordt daarbij colla parte gesteund door de beide fagotti. Alleen in de laatste 11, resp. 20 maten van het Kyrie en Christe geven de bassen vrije, niet-thematische bijdragen aan de vocale polyfonie.
De thema's waarop sopranen, alten en tenoren hun driestemmig motet zingen zijn door Bach vrij gekozen maar wel op kunstige wijze aan elkaar verwant: het tweede (Christe eleison) is de omkering of de gespiegelde van het eerste (Kyrie eleison): met elke stap omhoog in het eerste correspondeert een stap omlaag in het tweede, zie muziekvoorbeeld2 . De oude polyfonie beschouwt zulke thema's als rectus en inversus, de rechtstandige en omgekeerde versie van hetzelfde thema. 2 thema'sHet derde deel, "het tweede Kyrie", compliceert de thematiek nog wat verder: het thema waarmee sopranen openen heeft de kop van het eerste (rectus) en de staart van het tweede (inversus) maar de sopraaninzet wordt door de tenoren beantwoord met de omkering daar weer van, waarna de alten vervolgen met de sopraanversie.

De overige vijf delen van deze compositie omvatten tesamen het tweede misdeel, het GLORIA, dat in zichzelf symmetrisch is opgebouwd: geflankeerd door twee grote koren (Gloria en Cum Sancto) zijn er drie aria's met in het midden het Qui tollis in een traag Adagio-tempo en een mineur toonsoort. Het GLORIA begint met de woorden Gloria in excelsis Deo t/m bonae voluntatis, een Latijnse tekst die in de bijbel voorkomt als lofzang van de engelen wanneer zij aan herders de geboorte van de Messias hebben aangekondigd (Lucas 2: 14); de daarop volgende woorden behelzen een "trinitarische" lofzang op de goddelijke drieëenheid, achtereenvolgens God de vader (Pater), de zoon (Fili) en de Heilige Geest (Sancto Spiritu).

In het openingskoor (2) van het GLORIA spelen de in (1) tot een cantus firmus getemde blazers een prominente, concerterende rol. Bach verdeelt de tekst over vijf vocale passages. Het stuk wordt gestructureerd door het vijf maal terugkerende instrumentale ritornel waarmee het opent. Dit dient bij zijn terugkeer als begeleiding voor daarin ingebouwde vocale partijen, maar doet dat telkens weer op een andere manier; een belangrijk ingrediënt voor de levendigheid van dit lange deel (zie het schema).
vanaf m. 1
17
29
45
65
84
94
102
119
122
135
155
171
orkest
ritornel
ritornel
ritornel
verk. rit

ritornel

ritornel
koor

Gloria et in terra
Laudamus

Adoramus

Gratias
Hoewel de zangers nieuwe tekstregels vaak imiterend introduceren is polyfonie geen belangrijk kenmerk van dit uitbundige stuk. In het gedeelte van Laudamus t/m Adoramus zijn de hoorns opvallend afwezig, ook in het verkorte ritornel: dit deel, onmiskenbaar middendeel van een oorspronkelijk da-capo koor, verloopt in toonsoorten waarin de natuurhoorns in F niet mee kunnen.
Van dit koor, evenals van de nu volgende basaria (3) Domine Deus is het parodiemodel nog nooit teruggevonden. De basaria wordt begeleid door de voltallige strijkersgroep. Omdat Bach de caesuur met de volgende aria legt vóór de woorden Qui tollis - en niet bij de overgang van Vader naar Zoon -, kan hij hier een ontspannen loflied schrijven: met een dansant ritme in drie-achtste maat, in de ungetrübte toonsoort C-groot met in de instrumentale begeleiding het huppelende vreugde-motiefje pam-pa-pa-pam (figura corta). Niet toevallig is de solist, die in de eerste aria van deze (en alle andere) missen de Vader en de Zoon bezingt, de bas, die we uit cantates kennen als vaste woordvoerder Gods of Vox Christi. Aan het slot van de aria schrapt Bach de herhaling van het instrumentale ritornel (die er in het origineel ongetwijfeld is geweest) terwille van een directe, scherp contrasterende overgang naar de volgende aria (4).
In een langzaam Adagio-tempo en de mineur toonsoort g-klein krijgt de sopraan slechts de minimale begeleiding van een klaaglijke hobo-solo en continuo. De tekst bepaalt het affekt: de uit een gekweld gemoed opstijgende smeekbede miserere nobis (erbarm u over ons, deel 1), suscipe deprecationem (aanvaard ons smeken, deel 2) en nogmaals miserere nobis (deel 3).
Nu de oorsprong van dit stuk wel bekend is, de altaria Weh!, der Seele uit cantate BWV 102 van 1726, is het interessant te zien hoe grondig Bach zijn 12 jaar oude compositie reviseert. Hij transponeert het stuk van f- naar g-klein, van een hoge alt- naar een lage sopraanligging; de hobosolo blijft bijkans ongewijzigd maar de sopraan- en vooral de continuopartij worden vereenvoudigd en bijv. ontdaan van allerlei affekt-ondersteunende seufzer, klaaglijke zuchten. Het geheel oogt daardoor strakker, klassieker en minder barok.

In de derde en laatste aria (5), Quoniam tu solus sanctus, neemt een vioolsolo de rol van de hobo over, ter begeleiding van de alt. Ook hier bleef de solopartij ten opzichte van het parodiemodel (uit dezelfde cantate BWV 103!) vrijwel ongewijzigd, maar Bach schrijft een nieuwe alt-partij omdat de tenor-partij in het origineel met grillige lijnen, vreemde sprongen en onverwachte pauzes uitdrukking moest geven aan de woorden Erschrecke doch. De alt vertolkt nu in alle rust kernwoorden als solus, sanctus en altissimus en het expressieve gewicht is verschoven naar de vioolsolo, die oorspronkelijk trouwens van de traverso was. Sowieso zijn alle partijen een kwint omhoog of een kwart omlaag getransponeerd, van g- naar d-mineur.
De instrumentale inleiding tot het slotkoor (6), met de blazers in een concertante rol, herinnert direct aan de opening van het GLORIA. Maar niet voor lang, want na vijf maten entameren de zangers een koorfuga, aanvankelijk slechts door continuo begeleid, die terugwijst naar het eerste begin van de mis, het Kyrie. Bach hecht er blijkbaar aan deze accolade over het gehele werk zichtbaar te maken want hij verdubbelt de notenwaarden waarin dit stuk - als onderdeel van het openingskoor van BWV 40 - aanvankelijk was genoteerd, zodat we ook hier weer de rustige allabreve-maat van een polyfoon motet aantreffen. Dat verhindert overigens niet dat de instrumenten allengs weer gaan meedoen, al beperkt hun rol zich meestal tot colla parte versterking van de koorpartijen; alleen de hoorns wier beperkte toonvoorraad hen belet aan de polyfonie deel te nemen, opereren zelfstandig.
Het (koor)stuk is - strikt genomen - een dubbelfuga. Er zijn twee thema's, op de teksten Cum Sancto Spiritu, 2 thema's resp. in gloria Dei Patris, Amen. Het muziekvoorbeeld laat zien hoe deze thema's bijv. in maat 23vv door alt en tenor tegenover elkaar worden geplaatst (contra-punt), maar ze worden allerminst gelijkwaardig behandeld. Het cum-Sanctothema heeft de overhand. Vanaf maat 38 is daarvan bijvoorbeeld negen maten lang elke maat een inzet te horen; een dergelijke passage kwam uiteraard ook voor in de originele versie, maar Bach vond dat blijkbaar zo'n succes dat hij dit kunstje in zijn bewerking nog eens herhaalde (m.88 - 97). Aan het slot domineren motieven die aan het in gloriathema zijn ontleend.
omhoog


© Eduard van Hengel