MISSEN
In Bachs Leipzig volgde de
liturgie -
sinds Luther - nog altijd de
katholieke
orde van dienst, met een vijfdelig ‘ordinarium missae ' (Kyrie, Gloria,
Credo, Sanctus, Agnus Dei) maar wel in het Duits: Agnus Dei wordt ‘Christe,
du Lamm Gottes' en Credo ‘Wir
glauben all an einen Gott', enzovoorts. Het
latijn was er echter verre van afwezig: er werden latijnse motetten
gezongen
en de celebrant intoneerde Gloria en Credo op gregoriaanse wijzen;
latijnse
teksten werden alleen niet concertant (‘figuraliter') uitgevoerd, de
hoofdmuziek
was de duitstalige cantate. Slechts op kerkelijke hoogtijdagen was er
ruimte
voor een concertant Kyrie & Gloria, en voor een Sanctus. Bach
gebruikte
daarvoor jarenlang bestaande composities van oude meesters. In 1733
overhandigt
hij de nieuwe keurvorst te Dresden zijn eerste Kyrie-Gloriazetting, met
een luxueuze, op de Dresdense mogelijkheden afgestemde instrumentatie
en
voor het aldaar gebruikelijke vijfstemmige koor. [Over de
nomenclatuur:
‘Missa' schrijft Bach erboven, naar Dresdener gewoonte; ‘Lutherse mis'
zou onjuist zijn omdat deze immers alle vijf delen omvat, en ‘missa
brevis'
is evenmin van toepasssing omdat dit staat voor een beknopte zetting
van
de gehele mis.] Pas in 1737 of ‘38 begint hij aan een reeks
Kyrie-Gloriamissen
voor eigen gebruik waarvan we er vier kennen, waaronder BWV 234. Ze
hebben
alle eenzelfde struktuur: ze zijn zesdelig, één deel
Kyrie
voor het gehele ensemble, en een symmetrisch, vijfdelig Gloria, waarin
openings- en slotkoren drie opeenvolgende aria's omlijsten. Alleen de
verdeling
van de tekst over deze vijf stukken varieert.
Omdat deze missen zich, met hun tijdloze en daarom nog altijd aktuele,
latijnse tekst gunstig onderscheidden van de piëtistisch-barokke
cantateteksten
herkregen ze snel enige populariteit tijdens de 19e eeuwse
Bach-renaissance.
Ze geraakten echter weer snel in 100 jaar vergetelheid toen allengs
bleek
dat de muziek bewerkingen van vroegere cantates bevatte; het
romantische
originaliteitsideaal was niet van gediend van zulke 'parodieën',
een
technische benaming met een onuitroeibaar pejoratieve klank..
PARODIEËN
Daarover denken we nu wat
genuanceerder. Parodieën waren onder 18e
eeuwse, ambachtelijke componisten inderdaad gebruikelijk, als middel om
composities voor éénmalige gelegenheden nieuw leven in te
blazen. En inderdaad konden parodieën uit gemakzucht voortkomen:
de
componist kon volstaan met de simpele opdracht aan zijn tekstschrijver
om een, qua affekt, metriek, ritmiek, rijmschema en versvorm identieke
tekst te produceren; die tekst kon in principe door een kopiïst
onder
de oude muziek worden geschreven. Zulke goedkope (‘dichterlijke')
parodieën
kennen we van Bach nauwelijks. In zijn eerste jaar te Leipzig recyclede
hij veel van zijn composities uit Weimar, maar paste daarbij zó
zorgvuldig en ingrijpend de 'oude' muziek bij de nieuwe tekst aan dat
je
je soms afvraagt of hij niet sneller een nieuw stuk had kunnen
schrijven.
Bachs parodieën zijn in veel gevallen sterker dan hun originelen,
en komen veeleer voort uit zijn perfectioneringsdrang dan uit luiheid.
In de jaren '30 parodieerde hij veel cantates voor
éénmalige,
wereldse gelegenheden (koninklijke huwelijken, geboortes of
verjaardagen,
raadswisselingen) tot onderdelen van oratoria: een manier om
waardevolle
composities een toekomst te garanderen. De parodieën in het
Weihnachtsoratorium
vervaardigde Bach zelfs zó kort na hun originelen, dat hem al
bij
de eerste versie het latere hergebruik voor ogen moet hebben gestaan.
De Kyrie-Gloriamissen zijn zuiver compositorische parodieën;
immers,
hiervan staat de tekst, niet-metrisch proza reeds tevoren vast. Met het
hergebruik van cantatedelen in zijn missen verhoogt Bach hun mogelijke
gebruiksfrekwentie: van éénmaal per jaar (nl behorend tot
het voor één bepaalde dag voorgeschreven deel van de
liturgie,
het 'proprium') naar alle dagen van het jaar waarop het dagelijks
voorgeschreven
misgedeelte (het 'ordinarium') concertant werd gemusiceerd. Bovendien
moet
Bach gezien hebben dat het theologisch tij voor zijn piëtistische
cantateteksten allengs verliep: hen wachtte grootschalige vergetelheid.
Van slechts vier van de 24 stukken in Bachs Kyrie-Gloriamissen kennen
we
geen origineel: je kunt er veilig van uitgaan dat de ontbrekende
modellen
tot verloren gegane cantates behoren.
MIS in A (BWV 234)
In het eerste Kyrie (1a) komt direct de gehele, doch
slechts
kamermuzikale
bezetting in aktie: strijkers en 2 traverso's, die hier als twee
responderende
koren worden behandeld. Het tweede Kyrie-deel, Christe eleison (1b) is
een adembenemende versmelting van twee zeer uiteenlopende vormen: de
meest
vrije, ongebonden vorm van het accompagnato recitatief met de meest
strenge
en gebonden vorm van de kanon: alle stemmen zingen dezelfde
recitatief-achtige
passage, maar lopen twee en een halve maat achter elkaar aan. De
fluiten
voegen daar ten slotte een vijfde stem aan toe. Voor het tweede Kyrie
(1c),
de aanroeping van de derde persoon der Drieëenheid, de Heilige
Geest,
kiest Bach de meest vergeestelijkte, abstrakte vorm, een fuga, op een
thema
van zes maten dat vanuit de bas naar boven wordt doorgegeven. En
opnieuw
fungeren de traverso's als vijfde stem. De strijkers begeleiden op een
voor de latere Bach karakteristieke manier: met akkoordjes zoals je van
een toetsenist gewend bent. Als iedereen aan de beurt is geweest volgt
een tweede thema-expositie, maar nu spelen de instrumentalisten 'colla
parte' met de vocalisten mee. Wanneer Bach over goede 'ripienisten'
(steunzangers)
kon beschikken zouden die in zo'n tweede expositie de concertisten
hebben
versterkt waar we bij De Swaen mee plegen te volstaan.
Het Gloria-koor (2) verraadt
zijn parodie-model: de voortdurende
afwisseling
van turbulente tutti en serene solozang illustreerde in BWV 67/6 (niet
in ons jaarprogramma) de strijd tussen bedreigingen uit de boze
buitenwereld
(de violen vuren hun pijlen nog af) en de vrede van Christus. Hier
reserveert
Bach de rustige passages voor het - aan het Kerstevangelie ontleende - et in terra pax en het devote adoramus te' (wij aanbidden u). De
eerste
aria (3) is een intiem trio
voor de bas, het continuo en een
vioolpartij
waarvan de hoge ligging en de grote sprongen omhoog het hemelhoge
(coelestis)
karakter van de heer lijken te illustreren. Het centrum van het Gloria
vormt de expressieve sopraanaria Qui
tollis peccata mundi (4),
met
een
etherische baslijn van strijkers in plaats van een basso continuo; u
hoorde
die vorige maand nog (BWV 179/5) in een versie met 2 hobo's da caccia,
die nu door traverso's zijn vervangen. De teksten zijn zeer
vergelijkbaar,
letterlijk zelfs: peccata
(zonden) vervangen Sünden.
Tot de
gewijzigde
noten behoort een diepe sprong naar beneden die de laagheid van de
wereld
(mundi) onderstreept. Met de
alt-aria (5) verandert het wat
bedrukte
b-klein van de sopraan in een onbekommerd en dansant D-groot; alle
strijkers
verenigen zich ter ondersteuning van het Quoniam tu solus sanctus (U
alleen zijt heilig). Het slotkoor (6)
wordt ingeleid door de woorden Cum
sancto Spiritu, gedragen en homofoon vierstemmig gezet (Grave)
waarna
de geest pas echt uit de fles komt met een virtuoze fuga op de woorden in gloria Dei Patris, die we
herkennen als het openingskoor van
vorige
maand (BWV 136, Erforsche mich Gott).
Toen met het opschrift 'Lento',
nu
'Vivace'; de hoorn die toen toch al weinig eigen noten speelde kon
vervallen,
de hobo-partijen zijn door de fluiten overgenomen.
|