U wordt beter bediend op mijn
NIEUWE WEBSITE

J. S. Bach: Weihnachts-Oratorium (BWV 248)

Bekijk/luister opnames van Herreweghe,
The Sixteen, Gardiner of Harnoncourt.

overzicht
Bach schreef zijn vocale kerkmuziek vooral in de eerste vijf jaren na zijn benoe­ming tot Thomascantor in Leipzig (1723): wekelijks een nieuwe cantate en daar tussendoor het Magnificat, de Johannes- en Matthäus-Passion, motetten etc. Pas in 1734 componeert hij, na het Oster- en Himmelfahrts-Oratorium, zijn Weihnachts-Oratorium (WO). Het is een verzameling van zes cantates voor de zon- en feestdagen van Eerste Kerstdag 1734 tot en met Driekoningen 1735, die Bach zelf expliciet beschouwde als een 'oratorium', een sacraal muziekstuk dat op een doorlopende handeling is gebaseerd waarvan een Evangelist verslag doet. Maar een integrale uitvoering op één avond, hoewel korter dan een Hohe Messe of een Matthäus-Passion heeft Bach nooit beoogd; hij voerde het uit in zes afleveringen, als een feuilleton. Het uitvoeren van één of enkele delen van het Weihnachts-Oratorium is dus niet te vergelijken met het uitvoeren van een afzonderlijk deel uit een Beethovensymfonie.
Wij hebben het WO ook niet te danken aan Bachs herlevende belangstelling voor de kerkcantate, maar eerder aan het tegendeel: Bach wilde wel weg uit Leipzig en had zijn oog laten vallen op de functie van kapelmeester aan het hof van Dresden die sinds 1729 vacant was en waar de hofkapel absolute wereldtop was. Daartoe bood hij de nieuwe koning/keurvorst niet alleen in 1733 de eerste delen van zijn Hohe Messe aan, maar hij componeerde begin jaren dertig ook talrijke cantates voor feestelijke gebeurtenissen aan het hof (verjaardagen, trouwpartijen, geboortes etc) die hij met zijn Collegium Musicum (laten we zeggen: het USKO) in Leipzig uitvoerde, uiteraard buiten aanwezigheid van enig lid van de koninklijke familie, maar wel zorg dragend dat deze er via de pers van op de hoogte kwam. Bij het in de kast bergen van deze cantates, in de wetenschap dat ze daar nooit meer uit zouden komen, moet hij bedacht hebben dat hij koren en aria's eruit wel eens kon hergebruiken voor een reeks Kerstcantates, en wellicht informeerde hij zijn tekstdichter (waarschijnlijk Picander) vroegtijdig over deze voorgenomen recycling zodat deze in één moeite door een sacrale en een profane gelegenheidstekst kon produceren.

structuur

Tussen de openings- en slotkoren van de afzonderlijke cantates staan steeds vier soorten tekst, met hun karakteristieke muzikale vormen, en meestal in deze volgorde:
a)    lezing: het bijbelverhaal, de ruggegraat van het WO, voorgedragen door de Evan­gelist, een tenor, als secco-recitatief d.w.z slechts begeleid door continuo. Sprekende groepen treden op in groepskoren (turbae) in oude motetstijl: engelen (ii/12), herders (iii/3), Wijzen (v/3).
b)    uitleg: het accompagnato-recitatief: vrije poëzie, metrisch en berijmd, die de evan­gelietekst interpreteert, voor een solist met begeleidende instrumenten.
c)    bezinning: aria's voor solisten en instrumenten, eveneens op vrije poëzie, waarin de individuele gelovige de existentiële betekenis van het voorafgaande overweegt.
d)    bevestiging: koralen, op tekst en melodie uit de Leipziger gezangen­bundels maar in Bachs harmoniseringen: de christelijke gemeente belijdt haar geloof.
Deze vier tekstniveau's dienen Bachs doel: geen historiserend drama maar een actualiserende muzikale verkondiging van de daarin besloten geloofsinhouden.
De eerste cantate bestaat uit twee delen die respectievelijk de verwachting (advent) van een Messias en de geboorte van Jezus behandelen. De bovengeschetste onderdelen komen er mooi geordend tweemaal voor:



1e episode
‘verwachting’
2e episode
‘vervulling’
tekst
muziek
nr.

nr.

a)
lezing
recit. secco
2.
Es begab sich aber
6.
Und sie gebär
b)
beschouwing
recit. accompagnato
3.
Nun wird mein liebster
7.
Er ist auf Erden kommen
c)
bezinning
aria
4.
Bereite dich Zion
8.
Großer Herr
d)
bevestiging
koraal
5.
Wie soll ich dich
9.
Ach, mein herzliebes

omhoog


© Eduard van Hengel