J. S. Bach: Jauchzet, frohlocket! Auf, preiset die Tage (BWV 248I)
(Weihnachts-Oratorium, deel 1: Am ersten Weihnachtsfeiertage)

Beluister opnames van Harnoncourt,
 Ph. Picket, Herreweghe, Gardiner,
 The Sixteen, René Jacobs, Rilling.

algemene inleiding

De eerste cantate van het Weihnachts-Oratorium bestaat uit twee delen die respectievelijk de verwachting (advent) van een Messias en de geboorte van Jezus behandelen. De karakteristieke onderdelen van een cantate komen er mooi geordend tweemaal voor:



1e episode
‘verwachting’
2e episode
‘vervulling’
tekst
muziek
nr.

nr.

a)
lezing
recit. secco
2.
Es begab sich aber
6.
Und sie gebär
b)
beschouwing
recit. accompagnato
3.
Nun wird mein liebster
7.
Er ist auf Erden kommen
c)
bezinning
aria
4.
Bereite dich Zion
8.
Großer Herr
d)
bevestiging
koraal
5.
Wie soll ich dich
9.
Ach, mein herzliebes
1. KOOR
Jauchzet, frohlocket,
auf, preiset die Tage,
rühmet, was heute der Höchste getan!
Lasset das Zagen, verbannet die Klage,
stimmet voll Jauchzen und Fröhlichkeit an!
Dienet dem Höchsten mit herrlichen Chören,
laßt uns den Namen des Herrschers verehren!
Een openingskoor een groot oratorium waardig, veel omvangrijker dan van een cantate en met het volledige instrumentarium. Hier geen zoete kerststemming maar trompetten die - destijds pas kortelings in het orkest geintroduceerd - koninklijke grandeur en goddelijke heerschappij symboliseren. De instrumentale inleiding, met zijn opmerkelijke solopartij voor de paukenist en daarop volgende inzetten van trompetten en strijkers volgt letterlijk de tekst, zoals ook het middengedeelte (herrlichen Chören!) door het koor wordt gedomineerd. Na dit B-gedeelte in mineur-toonsoorten (b-klein, fis-klein) keert het stralende begin (D-groot) weer terug (da-capo).
Dat Bach in het netschrift van de WO-partituur aanvankelijk de tekst Tönet ihr Pauken! Erschallet, Trompeten! van het parodiemodel BWV 214 noteerde, kan niet - zoals de Bachausgabe denkt - op een vergissing berusten, omdat hij dat niet slechts een enkele keer bij vergissing deed (zoals bij parodiëren vaker gebeurt), maar systematisch en op alle plekken waar die tekst voorkomt. Men kan erover speculeren waarom hij deze tekst later verving door het tot voor kort gebruikelijke maar veel slechter met de muziek corresponderende Jauchzet! frohlocket!  De musicologische onzekerheid die Kees van Houten creëerde met zijn boek Tönet ihr Pauken (2009) geeft dirigenten de vrijheid de beste tekst te kiezen.
2.  RECITATIEF (T)
(Evangelist:)
»Es begab sich aber zu der Zeit,
daß ein Gebot von dem Kaiser Augusto ausging,
daß alle Welt geschätzet würde.
Und jedermann ging, daß er sich schätzen ließe,
ein jeglicher in seine Stadt.
Da machte sich auch auf Joseph aus Galiläa,
aus der Stadt Nazareth,
in das jüdische Land zur Stadt David,
die da heißet Bethlehem; darum,
daß er von dem Hause und Geschlechte David war:
auf daß er sich schätzen ließe
mit Maria, seinem vertrauten Weibe, die war schwanger.
Und als sie daselbst waren,
kam die Zeit, daß sie gebären sollte.«
Lucas 2:1, 3-6. Hier wordt de kornende geboorte nog slechts aangekondigd. De volgende, hierop reflecterende delen hebben daarom een adventachtige, beloftevolle oriëntatie: hij zal komen (3), bereid u voor (4), hoe zal ik ... (5).
3. RECITATIEF (A)
Nun wird mein liebster Bräutigam,
nun wird der Held aus Davids Stamm
zum Trost, zum Heil der Erden
einmal geboren werden.
Nun wird der Stern aus Jakob scheinen,
sein Strahl bricht schon hervor.
Auf, Zion, und verlasse nun das Weinen,
dein Wohl steigt hoch empor!
Reeds het Oude Testament (Hooglied) verwachtte de Heiland als een bruidegom en ook de bruidsmystiek van het (protestantse) christendom bezag de relatie tussen Christus en zijn kerk als een liefdesrelatie tussen bruid en bruidegom. De alt is hier weliswaar Maria, maar uiteraard niet als (hoogzwangere) reëel-dramatische figuur maar als allegorisch oerbeeld van het geloof. Zij verkeert in het passende gezelschap van twee hobo's d'amore.
4. ARIA (A)
Bereite dich, Zion, mit zärtlichen Trieben,
den Schönsten, den Liebsten bald bei dir zu sehn!
Deine Wangen müssen heut viel schöner prangen,
eile, den Bräutigam sehnlichst zu lieben!
Een lieflijke aria in de mineur toonsoort a-klein. Ook hier is Maria's attribuut, de hobo d'amore weer present, thans unisono gevoerd met de eerste violen. Sion = volk van God: maak je klaar voor de ontvangst van de hemelse bruidegom. In het middendeel valt een wiegend bas-motief op. Zoals de meeste aria's krijgt dit stuk een symmetrische structuur door herhaling van het eerste gedeelte (da capo).
5. KORAAL
Wie soll ich dich empfangen
und wie begegn’ ich dir?
O aller Welt Verlangen,
o meiner Seelen Zier!
O Jesu, Jesu, setze
mir selbst die Fackel bei,
damit, was dich ergötze,
mir kund und wissend sei!
Slot van de advents-helft van Deel I. In deemoedige verwachting bekent de christelijke gemeente (ich) haar onvermogen Christus passend te ontvangen. De melodie van dit eerste koraal keert terug in het slotkoraal van het gehele Weihnachts-Oratorium, waarmee Bach een grote accolade om het hele werk zet. De melodie is bij ons als adventslied bekend.
6.  RECITATIEF (T)
(Evangelist:)
»Und sie gebar ihren ersten Sohn
und wickelte ihn in Windeln
und legte ihn in eine Krippen,
denn sie hatten sonst keinen Raum in der Herberge.«
Lucas 2:7 Met de geboorte van de verlosser begint de tweede helft van dit deel. De 'hoog-gestemde' geboorte contrasteert met de lage noten op Windeln, Krippe en Herberge: achtereenvolgens A, F en D, de drieklank van d-klein die menswording, afdaling en vernedering uitdrukt. En een bevreemdend accent op de onherbergzame Herberge.
7. RECITATIEF (B) / KORAAL (S)
Er ist auf Erden kommen arm,
Wer will die Liebe recht erhöhn,
die unser Heiland vor uns hegt?
daß er unser sich erbarm
Ja, wer vermag es einzusehen,
wie ihn der Menschen Leid bewegt?
und in dem Himmel mache reich
Des Höchsten Sohn kömmt in die Welt,
weil ihm ihr Heil so wohl gefällt,
und seinen lieben Engeln gleich.
so will er selbst als Mensch geboren werden.
Kyrieleis!
Plotseling hebben we de mineur-toonsoorten achter ons gelaten. In het na de evangelielezing te verwachten accompagnato recitatief geeft de bas uitleg over de betekenis van Gods menswording. Zijn meditatieve toelichting is ingebed in een koraal van de christelijke gemeente die zich haast om, nog voor ze eigenlijk aan de beurt is, haar eerbiedige aarzeling van ‘Hoe zal ik u ontvangen’ (5) te verwisselen voor de uitgesproken positieve erkenning van deze grote gebeurtenis. De koraalmelodie hoort u terug in deel III (28)

8. ARIA (B)
Großer Herr, o starker König,
liebster Heiland, o wie wenig
achtest du der Erden Pracht!
   Der die ganze Welt erhält,
   ihre Pracht und Zier erschaffen,
   muß in harten Krippen schlafen.
Een aria met als soloinstrument de trompet: het symbool van koninklijke en goddelijke almacht. Fanfare-achtige gebroken drieklanken versterken deze indruk. Waar de kribbe ter sprake komt wijkt het overheersende D-groot tijdelijk voor mineur-klanken.
9. KORAAL
Ach mein herzliebes Jesulein,
mach dir ein rein sanft Bettelein,
zu ruhn in meines Herzens Schrein,
daß ich nimmer vergesse dein!
Behalve Deel III eindigen alle delen van het Weihnachts-Oratorium, net als Bachs cantates, met een slotkoraal, maar anders dan in de cantates zijn deze meestal rijk georkestreerd, met instrumentale tussenspelen waarin de sfeer en de thematiek van het beginkoor terugkeert. De uitbundigheid van de tussenspelen contrasteert hier nogal met de tamelijk intieme tekst van het kerstkoraal Vom Himmel hoch da komm ich her.
omhoog


© Eduard van Hengel