J. S. Bach: Herrscher des Himmels (BWV 248III)
(Weihnachts-Oratorium, deel 3: Am dritten Weihnachtsfeiertage)

Beluister opnames van Harnoncourt,
 Ph. Picket, Herreweghe, Gardiner,
 The Sixteen, René Jacobs of Rilling.
algemene inleiding

In het derde deel van het Weihnachtsoratorium negeert Bach, terwille van het handelingskarakter de voor Derde Kerstdag voorgeschreven beschouwelijke tekst uit het Johannes-evangelie (1:1-14, 'In den beginne was het woord...') ten gunste van de - nog overgeslagen - evangelielezing van de vorige dag. De tenor-evangelist stelt in de drie recitatieven drie gebeurtenissen aan de orde: het vertrek van de herders tot wie de engelen spraken (1-5), hun aanbidding van het kind (7-10) en hun terugkeer (11-12). Daarop reflecteren aria’s en koralen waardoor de cantate drie delen heeft.
1. (24) KOOR
Herrscher des Himmels, erhöre das Lallen,
laß dir die matten Gesänge gefallen,
wenn dich dein Zion mit Psalmen erhöht!
Höre der Herzen frohlockendes Preisen,
wenn wir dir itzo die Ehrfurcht erweisen,
weil unsre Wohlfahrt befestiget steht!
De cantate wordt geopend en besloten met een uitgelaten dansant stuk, een passepied, in een streng schema van twee keer 3x16 maten: 16 maten instrumentale inleiding (ritornel), 16 maten polyfone expositie van de drie tekstzinnen door de drie hoogste stemmen en 16 maten homofone (gezamenlijk gescandeerde) herhaling van de tekst door het gehele koor boven een herhaling van het instrumentaal ritornel.
Na de pastorale sfeer van Deel II met de bekende Sinfonia (Hirtenmusik) herneemt dit openingskoor de ongeremde vreugde waarmee Deel I eindigde.
2. (25) RECITATIEF (T)
(Evangelist:)
»Und da die Engel von ihnen gen Himmel fuhren,
sprachen die Hirten untereinander:«
Lucas 2:15a

3. (26) KOOR
»Lasset uns nun gehen gen Bethlehem
und die Geschichte sehen,
die da geschehen ist,
die uns der Herr kundgetan hat.«
Lucas 2:15b. Waar de bijbeltekst groepen sprekend invoert (zoals ook in nrs ii/12 en v/3) schrijft Bach 'turbae', groepskoren, waarvoor hij, ter onderscheiding van de moderne concertante openingskoren de gezaghebbende oude motetstijl gebruikt: elkaar imiterende vocale partijen met instrumenten in een ondergeschikte rol.
Maar hier dan wel met een 'haast' illustrerend zestiendenfiguurtje van violen en traverso’s. En de stemmen lopen in tegengestelde richting: waar moeten we eigenlijk heen?
4. (27) RECITATIEF (B)
Er hat sein Volk getröst’,
er hat sein Israel erlöst,
die Hülf aus Zion hergesendet
und unser Leid geendet.
Seht, Hirten, dies hat er getan;
geht, dieses trefft ihr an!
Begeleid door twee fluiten belicht de bas de heilshistorische betekenis van het kerst-gebeuren, zodat het Dies hat er getan in het aansluitende koraal kan worden vervolgd met Dies hat er uns getan.
5. (28) KORAAL
Dies hat er alles uns getan,
sein groß Lieb zu zeigen an;
des freu sich alle Christenheit
und dank ihm des in Ewigkeit.
Kyrieleis!
De gemeente bevestigt wat zij zojuist van de bas heeft geleerd, de kloof tussen historische gebeurtenis en aktualiteit is gedicht. De melodie hoorden we al in deel I, nr 7 van de sopranen.  des freu sich geeft (evenals Freude in II/3) aanleiding voor een lange stijgende lijn in de bas. Ewigkeit krijgt een lang melisma. Kyrieleis  (Mitleid) wijst vooruit naar het volgend duet.
6. (29) ARIA (Duet) (S, B)
Herr, dein Mitleid, dein Erbarmen
tröstet uns und macht uns frei.
Deine holde Gunst und Liebe,
deine wundersamen Triebe
machen deine Vatertreu
wieder neu.
Slot van de eerste scène: de herders gaan huppelend op weg met hun instrumentale attributen, de twee hobo's d'amore. Maar weer gaat het niet om herders als historische figuren maar als prototypes van de (eerste) gelovigen. Het stuk is een grondige bewerking van een onverholen wereldse liefdesdialoog op de teksten 'Ich bin deine, ich küsse dich, küsse mich'  resp. 'Du bist meine, küsse mich, etc.' Maar hier geen dialoog doch uitgesproken eenstemmigheid in een naïef godsvertrouwen.
7. (30) RECITATIEF (T)
(Evangelist:)
»Und sie kamen eilend und funden beide,
Mariam und Joseph,
dazu das Kind in der Krippe liegen.
Da sie es aber gesehen hatten,
breiteten sie das Wort aus,
welches zu ihnen von diesem Kind gesaget war.
Und alle, vor die es kam,
wunderten sich der Rede,
die ihnen die Hirten gesaget hatten.
Maria aber behielt alle diese Worte
und bewegte sie in ihrem Herzen.«
Lucas 2:16-19. Opmaat voor het tweede deel van de cantate. Zoals steeds wordt de evangelist slechts door continuo (secco) begeleid, maar zijn volzinnen worden hier wel door korte tussenspelen van elkaar gescheiden. De slotzin over Maria wordt duidelijk muzikaal afgezonderd, de continuo onderstreept met een dalende reeks halve tonen het geheimzinnige karakter van haar ervaringen: hierop reageren de volgende stukken.

8. (31) ARIA (A)
Schließe, mein Herze, dies selige Wunder
fest in deinem Glauben ein!
Lasse dies Wunder, die göttlichen Werke
immer zur Stärke deines schwachen Glaubens sein!
De teksten van de (8) t/m (10) drukken hetzelfde uit: het voornemen het wonder in de stal niet te vergeten. Het verschil is waar en door wie dit wordt uitgesproken. Eerst is het Maria die, als symbool voor de kerk, het gesprokene overweegt in een intieme meditatie in ihrem Herzen. Ondanks de virtuoze vioolpartij een tamelijk introverte monologue intérieure, in de vorm van een wiegelied boven de kribbe in gesyncopeerde tweekwartsmaat. Unisono passages tussen alt en viool symboliseren het einschließen.
9. (32) RECITATIEF (A)
Ja, ja, mein Herz soll es bewahren,
was es an dieser holden Zeit
zu seiner Seligkeit
für sicheren Beweis erfahren.
Vanuit haar hart komt de alt in zijn/haar accompagnato-recitatief tot een openbare geloofsbelijdenis, evenals de bas in (4) begeleid door de twee traverso’s.
10. (33) KORAAL
Ich will dich mit Fleiß bewahren,
ich will dir
leben hier,
dir will ich abfahren,
mit dir will ich endlich schweben
voller Freud
ohne Zeit
dort im andern Leben.
De kerk tenslotte bevestigt het voorgaande in de actualiteit met een lied van Paul Gerhardt, en trekt de lijn door van het leven naar de dood. Het koraal bestaat uit twee melodisch identieke delen; maar hoe anders is de harmonisering van het ‘andere leven’.
11. (34) RECITATIEF (T)
(Evangelist:)
»Und die Hirten kehrten wieder um,
preiseten und lobten Gott um alles,
das sie gesehen und gehöret hatten,
wie denn zu ihnen gesaget war.«
Lucas 2:20. Het derde en laatste evangeliegedeelte omvat slechts één vers waarin Preiseten (octaafsprong) blijkbaar het belangrijkste woord is. Dat prijzen volgt metterdaad, in een koraal en het slotkoor.
12. (35) KORAAL
Seid froh dieweil,
daß euer Heil
ist hie ein Gott und auch ein Mensch geboren,
der, welcher ist
der Herr und Christ
in Davids Stadt, von vielen auserkoren.

Chorus I ab initio repetatur et claudatur
De gelovigen delen in de vreugde met hun derde, meer bewogen koraal. In de laatste regel voert een stijgende reeks (gradatio) van maar liefst acht chromatische (= halve toons-)stappen in de bas naar een climax aan het slot van de eigenlijke kerstgeschiedenis.


Met een herhaling van het openingskoor (1) wordt de eerste helft van het Weihnachts-Oratorium afgesloten.
omhoog


© Eduard van Hengel