J. S. Bach: Ehre sei dir, Gott, gesungen (BWV 248V)
(Weihnachts-Oratorium, deel 5: Am Sonntage nach Neujahr)

Beluister opnames van Harnoncourt,
 Ph. Picket, Herreweghe, Gardiner,
 The Sixteen of René Jacobs.

algemene inleiding

De vijfde cantate van het Weihnachts-Oratorium is bestemd voor de zondag tussen Nieuwjaar en Driekoningen/Epifanie, een gewone zondag, geen feestdag en daarom de bescheidenste van alle zes WO-cantates, als een gewone wekelijkse cantate, met de kleinste bezetting: naast strijkers en continuo geen koperblazers of traverso’s maar slechts twee oboi d’amore. En een eenvoudig vierstemmig geharmoniseerd slotkoraal zonder obligate instrumenten.
Om evidente dramaturgische redenen  negeert Bach de voor deze zondag voorgeschreven evangelietekst (Matteüs 2: 13-23), de vlucht van Jozef en Maria met hun kind naar Egypte die immers pas plaats vond ná de aanbidding door de Wijzen uit het Oosten (die een latere traditie in drie Koningen tranformeerde). Bach baseert deze cantate op de eerste helft van het Driekoningen-evangelie (Matteüs 2:1-6), de reis der Wijzen en behandelt hun aanbidding in de zesde en laatste cantate. De alt - die in de vorige cantate als solist ontbrak - vervult hier een hoofdrol; als personificatie van Maria, c.q. de gelovige verbindt hij metaforische interpretaties aan de louter verhalende tekst waardoor deze voor verdere reflectie (aria’s, koralen) toegankelijk wordt. En zo bepaalt de ster die de wijzen volgden het thema van de cantate: het contrast licht/duisternis, Glanz/Finsternis (2), klaren Schein / finstre Sinnen (5), Gnadenstrahl / finstre Grube (11) maar ook Wijzen / Herodes.
1. (43) KOOR
Ehre sei dir, Gott, gesungen,
dir sei Lob und Dank bereit’.
   Dich erhebet alle Welt,
   weil dir unser Wohl gefällt,
   weil anheut
   unser aller Wunsch gelungen,
   weil uns dein Segen so herrlich erfreut.
Hoewel de nogal algemene tekst door zijn eigenaardige versbouw, verraadt dat Bach oorspronkelijk de muziek van het slotkoor van Cantate 213 had willen hergebruiken, besloot hij uiteindelijk het openingskoor van de vijfde cantate, als één van de weinige stukken, nieuw te componeren. Een levendig (Vivace) en jubelend stuk in driekwartmaat, waarvan de syncopische (= niet op de tel beginnende) thema’s en een motorische continuobas zorgen voor een krachtige, dansante drive. Het stuk heeft een da-capostructuur: A-B-A. Het A-deel behandelt in 96 maten slechts twee regels tekst. Ingebed in een instrumentaal ritornel en homofone koorpassages, klinkt die tekst daarin tweemaal als een (niet strenge) koorfuga van 22 maten; eerst beginnend met de tenor, de tweede maal vanuit de bas. Een kort middendeel (B) van 28 maten behandelt de resterende zes tekstregels, waarna A integraal wordt herhaald.
2. (44) RECITATIEF (T)
(Evangelist:)
»Da Jesus geboren war zu Bethlehem
im jüdischen Lande
zur Zeit des Königes Herodis,
siehe, da kamen die Weisen
vom Morgenlande gen Jerusalem
und sprachen:«
Matteüs 2:1. Bach splitst de zes verzen bijbeltekst, en daarmee de cantate, in twee delen die elk met een aria en een koraal worden besloten.
In zijn eerste vers voert de evangelist de wijzen uit het oosten sprekend in.
3. (45) KOOR en A
»Wo ist der neugeborne König der Jüden?«
(A) Sucht ihn in meiner Brust,
hier wohnt er, mir und ihm zur Lust!
   »Wir haben seinen Stern gesehen im Morgenlande
   und sind kommen, ihn anzubeten. «
(A) Wohl euch, die ihr dies Licht gesehen,
es ist zu eurem Heil geschehen!
Mein Heiland, du, du bist das Licht,
das auch den Heiden scheinen sollen,
und sie, sie kennen dich noch nicht,
als sie dich schon verehren wollen.
Wie hell, wie klar muß nicht dein Schein,
geliebter Jesu, sein!
Matteüs 2:2. Derhalve componeert Bach hun tekst (vers 2) als een groepskoor (turba). De wijzen worden tweemaal onderbroken door de gelovige (alt) die hun vraag Wo? terstond beantwoordt met “in mijn hart”, en hun verwijzing naar de richtinggevende ster interpreteert als symbool voor Christus als licht der wereld. De fugatische opbouw van de tweede turba suggereert een arriveren uit de verte. Het arioso van de alt wordt door strijkers begeleid.
4. (46) KORAAL
Dein Glanz all Finsternis verzehrt,
die trübe Nacht in Licht verkehrt.
Leit uns auf deinen Wegen,
daß dein Gesicht
und herrlichs Licht
wir ewig schauen mögen!
Het koraal gaat van een duister fis-klein naar een helder A-groot. De bas illustreert trübe ritmisch en harmonisch en op ewig klinkt een lang melisma in alle begeleidende stemmen.
De harmonisering valt op door zijn vergaande polyfonisering: een begeleiding door zelfstandige, lange horizontale lijnen in plaats van verticale akkoorden.
5. (47) ARIA (B)
Erleucht auch meine finstre Sinnen,
erleuchte mein Herze
durch der Strahlen klaren Schein!
Dein Wort soll mir die hellste Kerze
in allen meinen Werken sein;
dies lässet die Seele nichts Böses beginnen.
Begeleid door een hobo d’amore werkt de bas de licht-metafoor uit. Hoofdwoorden als Strahlen en erleuchte worden met lange coloraturen onderstreept.
6. (48) RECITATIEF (T)
(Evangelist:)

»Da das der König Herodes hörte, erschrak er
und mit ihm das ganze Jerusalem.«
Matteüs 2:3 Voor het tweede deel van deze cantate hervat de evangelist zijn relaas; een dramatische sextsprong tekent de schrik van Herodes die een concurrerende koning vreest.
7. (49) RECITATIEF (A)
Warum wollt ihr erschrecken?
Kann meines Jesu Gegenwart
euch solche Furcht erwecken?
O! solltet ihr euch nicht
vielmehr darüber freuen,
weil er dadurch verspricht,
der Menschen Wohlfahrt zu verneuen.
De alt, opnieuw met strijkersbegeleiding, onderbreekt de tenor reeds na één vers: hoe kun je dáár nu van schrikken? De sidderingen (tremoli) van de violen veranderen gaandeweg in een vreugdedansje.
8. (50) RECITATIEF (T)
(Evangelist:)

»Und ließ versammlen alle Hohepriester
und Schriftgelehrten unter dem Volk
und erforschete von ihnen,
wo Christus sollte geboren werden.
Und sie sagten ihm:
Zu Bethlehem im jüdischen Lande;
denn also stehet geschrieben durch den Propheten:
Und du Bethlehem im jüdischen Lande,
bist mitnichten die kleinest unter den Fürsten Juda;
denn aus dir soll mir kommen der Herzog,
der über mein Volk Israel ein Herr sei.«
Matteüs 2:4-6 Waarna de tenor weer secco kan doorgaan. Bach zet de woorden van de hogepriesters niet als een turba omdat hij het belangrijker vindt de vervulling van de eerbiedwaardige, oud-testamentische Messias-profetie (Micha 5:1) met een ritmische begeleiding (Andante) te onderstrepen.
9. (51) ARIA (Terzet) (S, A, T)
(S/T) Ach, wenn wird die Zeit erscheinen?
(T/S) Ach, wenn kömmt der Trost der Seinen?
(A) Schweigt, er ist schon würklich hier!
(S/T) Jesu, ach so komm zu mir!
Een terzet, begeleid door een virtuoze vioolsolo, en - na ii/10 en iii/8, voor de derde keer in het WO - op het wiegenlied-ritme (gesyncopeerde 2/4-maat). Een dramatisch rollenspel, verwachting tegenover vervulling: de alt blijft de overtuigde gelovige die z/hij was, maar vindt een vragende en twijfelende tenor en sopraan tegenover zich (Töchter Zion, vgl de Matthäus-Passion). Hun vragen verschillen maar in de herhaling (da capo) wisselen hun rollen. Waar zij (middendeel) slechts hunkeren, kan de pertinente alt zwijgen. Zij heeft het laatste woord, dat klinkt op de dalende notenreeks die Bach later zal gebruiken voor het Et incarnatus van zijn Hohe Messe: menswording = afdalen uit de hemel.
10. (52) RECITATIEF (A)
Mein Liebster herrschet schon.
Ein Herz, das seine Herrschaft liebet
und sich ihm ganz zu eigen gibet,
ist meines Jesu Thron.
Omlijst door de twee oboi d’amore introduceert de alt het thema van het slotkoraal (Herzensstube) door terug te grijpen naar haar aanwijzing (3) van het hart als Christus’ zetel.
11. (53) KORAAL
Zwar ist solche Herzensstube
wohl kein schöner Fürstensaal,
sondern eine finstre Grube;
doch, sobald dein Gnadenstrahl
in denselben nur wird blinken,
wird es voller Sonnen dünken.
Van alle zes cantates het bescheidenste slotkoraal; eenvoudig vierstemmig geharmoniseerd, als in een gewone zondagscantate. Alle instrumenten volgen koorpartijen (colla voci).

omhoog


© Eduard van Hengel